Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-12-04
ECLI:NL:RBGEL:2025:11340
RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer / rekestnummer: 11854822 \ HA VERZ 25-59 Beschikking van 4 december 2025 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D. Dekker, tegen OLYMPIA SERVICES B.V. , gevestigd te Hoofddorp, verwerende partij, hierna te noemen: Olympia, gemachtigde: mr. K.S.E. van Leeuwen. De zaak in het kort Werknemer (een uitzendkracht) vordert een billijke vergoeding van zijn werkgeefster (een uitzendbureau), omdat hij vindt dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem niet de bescherming te bieden die hij als klokkenluider hoort te krijgen. De kantonrechter oordeelt dat aan deze werknemer geen bescherming op grond van de Klokkenluidersregeling toekomt en dat werkgeefster niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het verzoek wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift - de aanvullende producties, ingediend namens [eiser] op 17 oktober 2025. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Verschenen is [eiser] , bijgestaan door mr. D. Dekker. Ook was aanwezig [naam tolk] (tolk Spaans). Namens Olympia zijn verschenen [betrokkene] en [betrokkene] , bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Beide gemachtigden hebben spreekaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. 1.3. Vervolgen is bepaald dat een beschikking wordt gegeven. 2 De feiten 2.1. Tussen partijen is op 15 november 2024 een uitzendovereenkomst tot stand gekomen. Het betrof een fase A uitzendovereenkomst met uitzendbeding. Op deze uitzendovereenkomst is de ABU cao van toepassing verklaard. 2.2. Op grond van artikel 1 lid 6 jo. 1 lid 7 jo. 2 lid 3 van de uitzendovereenkomst jo. artikel 15 lid 1 sub c ABU cao eindigt de uitzendovereenkomst van rechtswege wanneer de opdrachtgever, om welke reden dan ook, bij de uitzendonderneming aangeeft de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht te willen beëindigen. 2.3. Op basis van de uitzendovereenkomst is [eiser] met ingang van 19 november 2025 aangevangen met het verrichten van werkzaamheden als magazijnmedewerker voor inlener DHL Supply Chain Netherlands B.V. (hierna: DHL). 2.4. Tijdens een evaluatiegesprek tussen partijen heeft [eiser] bij Olympia te kennen gegeven interesse te hebben in een duurzaamheidsprogramma van DHL "Go Green”, gericht op onder andere het verminderen van C02-uitstoot. Naar aanleiding hiervan heeft [medewerkster Olympia] (HR-medewerkster van Olympia, hierna: [medewerkster Olympia] ) in een e-mail van 12 maart 2025 aan [medewerkster DHL 1] (medewerkster DHL, hierna: [medewerkster DHL 1] ) gevraagd of zij hierin mogelijkheden ziet. Vervolgens heeft op 27 maart 2025 een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] , de heer [medewerker DHL 1] (DHL) en [medewerkster Olympia] , waarin [eiser] heeft voorgesteld om een korte handleiding te maken voor de werkwijze in het magazijn. DHL stemde daarmee in. 2.5. Op 14 april 2025 heeft [eiser] een rapport met de titel “ Ecologistics: Optimization and Reductions of Materials in DHL: Waste Management Diagnosis ” (hierna: het rapport) naar [medewerkster Olympia] gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft hij geschreven: Good morning, dear [medewerkster Olympia] , I’m formally sending the diagnosis made regarding waste management in the cooling area in Nijmegen 2 so you can send it to the DHL team. Thank you. 2.6. Nadat hij het rapport desgevraagd op 9 mei 2025 aan hem had toegestuurd, heeft [eiser] het op 13 mei 2025 met operations manager [medewerker DHL 2] (hierna: [medewerker DHL 2] ) besproken. 2.7. Op 4 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [medewerkster DHL 1] over het rapport. 2.8. Op 25 juni 2025 heeft een zogenoemd exitgesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , mevrouw [medewerkster DHL 2] (teamleider DHL) en mevrouw [medewerker Olympia ] (inhouse HR-medewerker Op grond van dat wetsartikel kan de kantonrechter aan de werknemer naast de transitievergoeding ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien, na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel; slechts in uitzonderlijke gevallen wordt deze overschreden. Voor toekenning van de billijke vergoeding is verder vereist dat een causaal verband bestaat tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. 4.3. [eiser] kleurt de ernstige verwijtbaarheid van Olympia in door te stellen dat hij bescherming geniet op grond van de Wbk en Olympia hem die bescherming niet heeft geboden. De kantonrechter zal daarom eerst beoordelen of aan [eiser] bescherming op grond van de Wbk toekomt. Hiertoe overweegt hij het volgende. 4.4. Een melder van een vermoeden van een misstand geniet bescherming als hij intern en daarna extern of direct bij een bevoegde instantie de melding doet. De bescherming bestaat daaruit dat een melder tijdens en na de behandeling van een vermoeden van een misstand niet wordt benadeeld. Voorwaarde hiervoor is dat bij de melding de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is. Een melder hoeft geen positief bewijs aan te dragen om voor bescherming in aanmerking te komen. Het gaat niet om harde bewijzen, maar de informatie moet wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat een mogelijke inbreuk heeft plaatsgevonden of zeer waarschijnlijk zal plaatsvinden. Ongefundeerde vermoedens en geruchten vallen daar niet onder. 4.5. Uit het voorgaande volgt dat de belangrijkste voorwaarde voor bescherming tegen benadeling op grond van de Wbk is dat er sprake is van een melding van een vermoeden van een misstand. In de wet staat wat onder een misstand wordt verstaan. Uit deze definitie volgt dat het vermoeden twee soorten misstanden kan betreffen, namelijk - kort gezegd - (1) een (gevaar voor een) schending van het Unierecht of (2) een handeling of nalatigheid waarbij het maatschappelijk belang in het geding is. Om te concluderen dat het maatschappelijk belang in het geding is, moet het in ieder geval niet enkel gaan om het raken van persoonlijke belangen. 4.6. De kantonrechter passeert het verweer van Olympia dat reeds geen sprake is van een melding van een misstand omdat [eiser] zich niet aan de vereiste vormvoorschriften zou hebben gehouden. Dat zou immers afbreuk doen aan de beschermingsgedachte van de Wbk. Verder overweegt de kantonrechter dat, zoals namens [eiser] terecht is opmerkt, geen sprake hoeft te zijn van een uiteindelijk bevestigde misstand. Een vermoeden van een misstand is voldoende om een beroep op de beschermingsbepalingen uit de Wbk te kunnen doen. De kantonrechter begrijpt [eiser] , die zichzelf beschouwt als milieuactivist, aldus, dat hij stelt dat sprake is van misstanden bij DHL, omdat zij in strijd met milieuvoorschriften handelt waardoor het maatschappelijk belang in het geding is. Er is volgens hem sprake van een gebrek aan recycling dan wel passend milieubeleid en dat levert een potentieel maatschappelijk gevaar op. 4.7. De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat sprake is van (een vermoeden van) misstanden bij DHL en overweegt daartoe het volgende. Het rapport (geschreven in het Engels) bestaat naast de introductie uit vijf onderdelen, te weten: 1) een samenvatting, 2) de belangrijkste bevindingen (onderbouwd met foto’s), 3) risico’s van niet-naleving, 4) belangrijke aanbevelingen en 5) te zetten stappen. De kantonrechter heeft in het rapport niets gelezen dat als misstand als bedoeld in de Wbk aan te merken is. Het rapport bevat geen signalering van een handeling of nalatigheid van een ernstige schending van wettelijke voorschriften, gevaar voor de vo