Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-12-19
ECLI:NL:RBGEL:2025:11251
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/4615 (voorlopige voorziening) en 25/4616 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Stichting De Faunabescherming, uit Amstelveen, eiseres (gemachtigde: mr. B.N. Kloostra), en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland (gemachtigde: mr. R. Bassie). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Faunabeheereenheid Gelderland uit Arnhem (FBE) (gemachtigde: F. Koffeman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de jacht op houtduif, wilde eend en fazantenhaan, af te wijzen. Met het besluit van 9 oktober 2025 heeft het college dit besluit in stand gelaten. Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college het handhavingsverzoek heeft af kunnen wijzen. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar geen sprake was van een overtreding. Het college was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden en heeft het verzoek om handhaving terecht afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 2. Bij besluit van 21 februari 2023 heeft het college het “Faunabeheerplan deelplan jacht en vrijstellingssoorten 2023-2029" (het faunabeheerplan) goedgekeurd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.2.1. Met de uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het goedkeuringsbesluit vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. 2.2. Op 30 december 2024 heeft eiseres verzocht om handhavend op te treden tegen de uitoefening van de jacht in de provincie Gelderland op de fazantenhaan, wilde eend en houtduif omdat de jacht als gevolg van de vernietiging van het goedkeuringsbesluit door de rechtbank niet langer overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan plaatsvindt. 2.3. Bij besluit van 14 januari 2025 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Dit besluit heeft het college bij besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres gehandhaafd. 2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2025. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 2.6. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben van de zijde van eiseres deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [persoon A]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en [persoon B]. Namens de FBE waren aanwezig de gemachtigde en [persoon C]. 2.8. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen jacht in de provincie Gelderland op de fazanthaan, de wilde eend en de houtduif, omdat de jacht door de vernietiging van het goedkeuringsbesluit niet langer plaatsvindt overeenkomstig een goedgekeurd faunabeheerplan. 3.1. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat de jacht plaatsvindt conform de regels zoals gesteld in artikel 4.17 van de Omgevingsregeling. Bovendien dienen jachtactiviteiten op grond van artikel 11 Anders dan het geval is bij schadebestrijding hoeft de staat van instandhouding van de jachtsoorten volgens het college niet te worden getoetst in het faunabeheerplan. 5.2. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning en flora- en fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.Op grond van artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, voor het opzettelijk doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels.Op grond van artikel 11.62. van het Bal gelden de verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, niet voor het bij de uitoefening van de jacht vangen, doden of verontrusten en met het oog daarop opsporen van wild in het jachtveld van een jachthouder, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 11.64, eerste lid.Op grond van artikel 11.63, eerste lid, van het Bal – voor zover van belang – wordt de uitoefening van de jacht uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied door de faunabeheereenheid is vastgesteld. Op grond van artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet stelt een faunabeheereenheid voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen.In artikel 8.3, vierde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat de jacht alleen is toegestaan op dieren van de volgende soorten: a. klein wild: fazanten (Phasianus colchicus), hazen (Lepus Europaeus), b. waterwild: wilde eenden (Anas platyrhynchos), c. overig wild: houtduiven (Columba palumbus), konijnen (Oryctolagus cuniculus). 5.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 11.63 van het Bal volgt dat jacht moet worden uitgevoerd volgens het faunabeheerplan. Faunabeheerplannen worden vastgesteld door een faunabeheereenheid. Omdat een faunabeheereenheid geen bestuursorgaan is zoals bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, heeft de enkele vaststelling van een faunabeheerplan door de faunabeheereenheid op zichzelf geen bestuursrechtelijke (juridische) status. Die status ontstaat pas als het college een goedkeuringsbesluit neemt en publiceert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt daaruit dat een faunabeheerplan als bedoeld in artikel 11.63 niet zonder een goedkeuringsbesluit van het college kan. De voorzieningenrechter vindt bevestiging voor dat oordeel in de Memorie van Toelichting op de Wet natuurbescherming (Wnb) die voorafging aan de Omgevingswet. Daarin staat onder meer: “Het door faunabeheereenheden opgestelde, door gedeputeerde staten goedkeurde faunabeheerplan – en het daarvan deel uitmakende afschotplan – wordt sturend bij schadebestrijding, populatiebeheer en jacht.” en “Niet alleen beheer, maar ook schadebestrijding en jacht dienen op grond van dit wetsvoorstel op een planmatige en gebiedsgerichte wijze te worden uitgevoerd, op basis van faunabeheerplannen, opgesteld door faunabeheereenheden en goedgekeurd door provincies. Jachthouders maken verplicht onderdeel uit van wildbeheereenheden, die de uitvoering van het faunabeheerplan bevorderen en coördineren.” Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onder het regime van de Omgevingswet anders is geworden. De voorzieningenrechter ziet in de door het college aangehaalde gedeelten uit de parlementaire geschiedenis ook geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Het college wijst er terecht op dat daarin staat dat de aanwezigheid van een goedgekeurd faunabeheerplan geen voorwaarde is voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder in zijn eigen jachtterrein. Uit de hierboven geciteerde teksten uit de memorie van toelichting, de tekst van artikel 11.63 van het Bal en systematiek van (voorheen) de Wnb