Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-12-19
ECLI:NL:RBGEL:2025:11154
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,023 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2025:11154 text/xml public 2026-04-09T13:03:49 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-19 ARN 24/5693 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11154 text/html public 2026-04-09T13:03:16 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11154 Rechtbank Gelderland , 19-12-2025 / ARN 24/5693 Weigering instellen parkeerverbod. Beroep is gegrond. College heeft de weigering onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5693 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers (gemachtigde: mr. D. Pool), en het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (gemachtigde: mr. A. Wolff). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [plaats]. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering een parkeerverbod in te stellen aan de [locatie] in [plaats]. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering om een parkeerverbod in te stellen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de weigering om een parkeerverbod in te stellen onzorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers wonen aan de [locatie] [huisnummer 1] in [plaats]. Op 7 november 2023 hebben zij het college verzocht om handhavend op te treden door aan de bewoners van de [locatie] [huisnummer 2], [huisnummer 3] en [huisnummer 4] een preventieve last onder dwangsom op te leggen bij overtreding van artikel 6:1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oude IJsselstreek (Apv). Ook hebben zij het college verzocht een parkeerverbod in te stellen aan de [locatie]. 2.1. Bij besluit van 4 januari 2024 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden afgewezen omdat er geen sprake is van een overtreding. Het college heeft daarnaast geweigerd om een parkeerverbod in te stellen omdat dat niet noodzakelijk en niet wenselijk is. Met het bestreden besluit van 8 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de verzoeken om handhaving en instelling van een parkeerverbod gebleven. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de derde-partijen. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geschil 3. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de weigering om een parkeerverbod in te stellen. Toetsingskader 4. Het instellen van een parkeerverbod gebeurt met een verkeersbesluit. Dat kan om één of meer van de redenen die zijn opgesomd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Het college heeft bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte bij de uitleg van deze redenen. Dat geldt ook bij de weigering om een verkeersbesluit te nemen. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij beoordeelt de bestuursrechter of het college redelijkerwijs op die manier de beoordelingsruimte heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het college beleidsruimte. De rechtbank beoordeelt niet of zij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)). Heeft het college de weigering een parkeerverbod in te stellen voldoende zorgvuldig voorbereid en onderbouwd? 5. Eisers betogen dat er wel degelijk sprake is van parkeerhinder doordat regelmatig tegenover hun uitrit wordt geparkeerd, waardoor het in- en uitrijden van de uitrit wordt belemmerd. Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar het onderzoek van [website]. Eisers betwisten dat het college gedurende langere periode op alle weekdagen en op meerdere momenten van de dag onderzoek zou hebben verricht. Het onderzoek ontbreekt, zodat niet kan worden geverifieerd wanneer daadwerkelijk is gecontroleerd. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt. Het college stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek blijkt dat in de praktijk niet recht tegenover de uitrit van eisers wordt geparkeerd. Ook wanneer incidenteel een auto op die plek wordt geparkeerd, kan de uitrit volgens het college zonder noemenswaardige belemmering worden gebruikt. Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar de resultaten van een onderzoek naar de parkeersituatie ter plaatse. Vlak voor de zitting heeft het college meerdere (lucht)foto’s en Streetviewfoto’s overgelegd. Deze door het college overgelegde foto’s vormen naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat het college inneemt. Het college heeft namelijk niet toegelicht waar het onderzoek uit heeft bestaan, zoals in welke periode en op welke momenten controles hebben plaatsgevonden. Ook heeft het college niet nader onderbouwd dat de uitrit, in geval van een geparkeerde auto recht tegenover de uitrit, daadwerkelijk zonder noemenswaardige belemmering kan worden gebruikt. Dit klemt te meer nu uit het in opdracht van eisers door [website] uitgevoerde onderzoek volgt dat de uitrit niet meer goed bruikbaar is wanneer tegenover de uitrit een auto staat geparkeerd. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderzocht of sprake is van parkeerhinder. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college de weigering om een parkeerverbod in te stellen onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Dit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. 5.2. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college in het bestreden besluit niet voldoende heeft uitgelegd welke van de in de Wvw 1994 genoemde doelen met het weigeren om een verkeersbesluit te nemen worden gediend en welke afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen in artikel 2 van de Wvw 1994 en de andere belangen. Dit is in strijd met artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). Uit het verweerschrift blijkt wel van een eerste aanzet daartoe, maar die toelichting is nog niet voldoende. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal het college, na onderzoek en vastlegging van de resultaten daarvan, opnieuw moeten vaststellen welke belangen zijn betrokken en hoe deze gewogen zijn. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat de weigering een parkeerverbod in te stellen onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet is voorzien van een motivering zoals artikel 21 van het BABW vereist. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 8 juli 2024 en draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen. Daarvoor krijgt het college een termijn van twaalf weken, omdat het college nieuw onderzoek moet doen, de resultaten van het onderzoek in een rapportage moet vastleggen en eisers in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord voordat een nieuw besluit wordt genomen. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook moet het college een proceskostenvergoeding betalen.