Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-09-03
ECLI:NL:RBGEL:2025:10671
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/226891-22 en 05/180048-22 Datum uitspraak : 3 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . Raadsman: mr. E.M. Steller, advocaat te Schiphol. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Parketnummer 05/226891-22 Zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 29 oktober 2019 te Nijmegen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) - ( telkens) een voorwerp, danwel een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen van (in totaal) ongeveer 411.846 euro, althans (telkens) een (grote) geldbedragen, waaronder: - een of meer grote geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 255.126 euro) contant gestort op verschillende bankrekeningen en/of - een of meer grote contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 49.245 euro) heeft besteed aan de aankoop van zeven, althans één of meer, voertuigen en/of - een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 34.578 euro) heeft besteed aan de aan kosten voor levensonderhoud en/of - een of meer contante geldbedragen (tot een totaal 30.667 euro heeft besteed aan kleding en/of luxe artikelen en/of drugs-gerelateerde goederen (contant-bonnen) en/of - een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van 5.250 euro) heeft gestort op rekening van [bedrijf 1] en/of - een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van 6.250 euro) heeft ingelegd ten behoeve van de oprichting van het bedrijf [bedrijf 1] en/of - een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van 7.400 euro) middels een of meer money-transfers heeft overgemaakt aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of - een of meer contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 5.996 euro)heeft besteed aan een Audi (met kenteken [kenteken] ), bestaande die (contante) bestedingen uit betaling van een of meer (achterstallige) leasetermijnen en/of onderhoud en/of reparaties van voormeld voertuig, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (geheel of gedeeltelijk) afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Parketnummer 05/180048-22 1. zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen een of meer wapen(s) van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten: - een (spuit)busje inhoudende een hoeveelheid pepperspray (met opschrift "CS Reizgas AntiAttack") en/of - een (spuit)busje inhoudende een hoeveelheid pepperspray (met opschrift "original tw 1000 pepper-fog", (telkens) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad; 2. zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen - een voorwerp (namelijk een onderdeel van en/of hulpstuk voor een wapen) in de zin van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder/patroon magazijn (met een capaciteit van maximaal zes patronen en/of bestemd voor patronen van het kaliber 9x17) en/of - drie (3), althans een of meer navullingen en/of loopgedeelten voor een gaspistool (merk JPX, model Jet Protector), zijnde een onderdeel van en/of hulpstuk voor een wapen in de zin van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad; 3. zij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Nijmegen munitie van categorie III van de Wet wapens e De rechtbank kan de door het Openbaar Ministerie aangedragen EKO daarom niet zonder meer voor het bewijs gebruiken. Als het dossier en het verhandelde ter terechtzitting daartoe voldoende duidelijke en vastomlijnde aanknopingspunten bieden, die onderwerp zijn geweest van het partijdebat, kan de rechtbank een herberekening maken en de EKO aanpassen. In dit geval echter zou splitsing van de EKO in twee dan wel drie afzonderlijke EKO’s moeten plaatsvinden wat tot een ingrijpende wijziging zou leiden. Het zou hier bovendien gaan om een complexe herberekening. Een deel van de contante bedragen die op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gestort, zijn afkomstig uit de contant ontvangen (legale) omzet van [bedrijf 2] vof (hierna: [bedrijf 2] ). [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vennoten van [bedrijf 2] . Bij een splitsing van de EKO moet worden bepaald welk deel van die omzet aan welke vennoot moet worden toegerekend. Ook moet worden bepaald aan wie de kasstortingen moeten worden toegerekend die zijn gedaan op de bankrekening van [bedrijf 2] , die eveneens in de EKO zijn meegenomen. Aan de complexiteit van een herberekening draagt verder bij dat er onduidelijkheid is over de hoogte van de omzet van [bedrijf 2] , waaronder de met verkoop van voertuigen gegenereerde omzet, waarover hierna meer. Naar het oordeel van de rechtbank geldt als uitgangspunt dat het niet aan haar is om een dergelijke complexe herberekening te maken en aldus de door het Openbaar Ministerie aangedragen EKO ingrijpend te wijzigen. Het Openbaar Ministerie heeft bovendien voldoende gelegenheid gehad om tot een aangepaste berekening te komen en is daar door de rechtbank zelfs nadrukkelijk toe uitgenodigd. Daar komt bij dat als de rechtbank al een dergelijke herberekening zou maken, deze geen onderwerp is geweest van het partijdebat, zodat het gebruik voor het bewijs van het resultaat daarvan, te weten een ingrijpend aangepaste EKO, in strijd zou zijn met de goede procesorde. Om de voormelde redenen ziet de rechtbank in dit geval af van het maken van een herberekening (en een aangepaste EKO). Daarbij is nog van belang dat de rechtbank ook niet over de benodigde gegevens beschikt om een dergelijke herberekening op een juiste manier uit te voeren (de hiervoor benoemde onduidelijkheid over de gegenereerde omzet). Daarover overweegt de rechtbank het volgende. De verdediging heeft in het voorbereidend onderzoek gesteld dat sprake was van legale contante inkomsten uit de handel in voertuigen door [bedrijf 2] . Daaruit - en uit contant ontvangen huurinkomsten - zou het bezit van contanten volgens de verdediging verklaard kunnen worden. Uit het op verzoek van de rechtbank opgemaakte aanvullende dossier, waarin de contante geldstroom in de vrachtwagenhandel is geanalyseerd, valt af te leiden dat van handel in voertuigen sprake was. De volledige omvang van de inkomsten uit die handel zijn daaruit echter niet te destilleren. De politie stelt vast dat er tijdens de onderzoeksperiode voertuigen zijn verkocht, waarvan in die periode geen inkoop is te zien. Daaraan wordt de conclusie verbonden dat de voertuigen zijn ingekocht met crimineel geld. Die conclusie is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer juist. Het kan immers zo zijn dat deze voertuigen al vóór de aanvang van de onderzoeksperiode zijn ingekocht en tot de voorraad van [bedrijf 2] behoorden. Of dit het geval was, had aan de hand van de bij de boekhouder in beslag genomen digitale administratie (de auditfiles) kunnen worden onderzocht, namelijk door na te gaan of er van een voorraad sprake was. Dat is niet gebeurd. Verder zijn alle gegevens van de Douane Nederland gevorderd die zien op de export van voertuigen door [bedrijf 2] gedurende de onderzoeksperiode (p. AVD-37). Uit deze gegevens blijkt dat er vier voertuigen zijn geëxporteerd. Slechts drie daarvan komen voor in de auditfiles van [bedrijf 2] . De verkoop van één van de voertuigen komt dus niet voor in de administr Het voorhanden hebben van genoemd voorwerp is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie juncto artikel 55 lid 3 a van de Wet Wapens en Munitie. Het onder A.03.04.002 inbeslaggenomen goed betreft een patroonmagazijn. Dit patroonmagazijn heeft een capaciteit van maximaal 6 patronen, is zwart van kleur en is vermoedelijk bestemd voor patronen met een kaliber van 9 x 17. Met patroonmagazijn wordt bedoeld een voorwerp om meerdere patronen te bundelen teneinde het vervoer en/of laden te vergemakkelijken, maar dat geen integraal onderdeel is van het wapen. Dit voorwerp beïnvloedt het functioneren van het wapen, omdat het na het laden in het bundelen van de patronen voor het wapen voorziet en verschilt van de patronenhouder in het feit dat een patroonmagazijn is voorzien van enig aanbreng- of toevoermechanisme. Artikel 3, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie stelt dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Punt 1.2.3 van de Circulaire Wapens en Munitie 2005 stelt dat de hierna genoemde onderdelen in ieder geval worden aangemerkt als onderdelen waarop de Wet Wapens en Munitie van toepassing is, omdat; deze onontbeerlijk zijn voor het functioneren als vuurwapen, deze in sterke mate de werking van het vuurwapen mede bepalen, deze de werking van het vuurwapen kunnen wijzigen, deze het vuurwapen identificeren, hetzij door ingeslagen nummers hetzij door bij het afvuren sporen achter te laten op de patroonhuls of de kogel. Het betreft dan met name de loop, het patroonmagazijn en de onderdelen die bestemd zijn om een vuurwapen (vol)automatisch te doen schieten en daarnaast specifiek voor geweren ook nog de bascule, het staartstuk en de grendel of afsluiter en specifiek voor pistolen de kast (ofwel het frame) en de slede en specifiek voor revolvers de kast (frame) en de cilinder. Derhalve is dit patroonmagazijn een vuurwapen in de zin van art. 1, onder 3, gelet op art. 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het voorhanden hebben van een dergelijk patroonmagazijn is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 juncto artikel 55 lid 3a van de Wet Wapens en Munitie. Bij de inbeslagname van de patroonhouder zaten vier volmantelpatronen van het kaliber 9mm luger (A03.04.002). Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Het gaat om munitie die niet valt onder de categorie II. Het voorhanden hebben van dergelijke munitie is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 juncto artikel 55 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie. Wetenschap verdachte De rechtbank stelt vast dat de onder feit 1 ten laste gelegde busjes pepperspray en de onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde patroonhouder en munitie in de woning van verdachte zijn aangetroffen en dat het op grond van de Wet Wapens en Munitie verboden is om deze goederen voorhanden te hebben. Voorhanden hebben verondersteld dat verdachte het wapen of de munitie min of meer bewust aanwezig heeft gehad. De aanduiding van een meerdere of mindere mate van bewustheid geeft aan dat verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie ervan. Daarnaast moet voor het aanwezig hebben een verdachte feitelijke macht over het wapen of munitie kunnen uitoefenen. Naar algemene ervaringsregels mag worden aangenomen dat de bewoner van een woning bekend is met wat zich zoal in die woning bevindt. De woning werd op dat moment alleen nog door verdachte en haar kinderen – en niet meer door [medeverdachte 1] – bewoond. De busjes pepperspray, de patroonhouder en de munitie waren niet verstopt, maar bevonden zich in een keukenkastje. Dat betreft een toegankelijke plek in de woning die doorgaans veelvuldig wordt gebruikt. Dat verdachte nooit in De geldboete dient bij gebreke van betaling te worden vervangen door 20 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf bepleit, gelet op het tijdsverloop in deze zaak, het feit dat verdachte aan het werk is en dat zij de zorg voor haar vader draagt. De door de officier van justitie gevorderde straf staat niet in verhouding tot de mate van betrokkenheid van verdachte bij de feiten en dient na zoveel tijd ook geen strafrechtelijk doel meer. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft in haar woning twee busjes pepperspray, een patroonmagazijn en vier volmantelpatronen voorhanden gehad. De goederen werden aangetroffen in een keukenkastje, waar ook haar inwonende kinderen toegang toe hadden. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat verdachte voornemens was deze goederen ook daadwerkelijk te gebruiken (of deze in het verleden heeft gebruikt), staat vast dat het ongecontroleerde bezit van deze goederen gevaarlijk is. De rechtbank verwijt verdachte onvoldoende stil te hebben gestaan bij de risico’s van de aanwezigheid van de goederen in haar woning en de strenge regels die er - juist vanwege die risico’s - zijn. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het voorhanden hebben van de genoemde wapens en munitie wordt de oplegging van geldboetes van verschillende hoogten als uitgangspunt gehanteerd. De rechtbank vindt deze oriëntatiepunten op zichzelf passend. Zij constateert echter dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens aanzienlijk is overschreden. Verdachte is op 29 juni 2020 aangehouden en was dus vanaf dat moment bekend met de verdenking. Sindsdien zijn ruim vijf jaren verstreken. Deze forse overschrijding, die niet aan verdachte kan worden toegerekend, moet naar het oordeel van de rechtbank een matiging van de op te leggen straf als gevolg hebben. Gezien het voorgaande, acht de rechtbank passend een geldboete van € 750,00, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. 9 De beoordeling van het beslag Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 05/226891-22 is beslag gelegd op de volgende goederen: een horloge van het merk Chopard met omschrijving 2169434; een horloge van het merk Cartier met omschrijving 2169428. De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de horloges verbeurd moeten worden verklaard, aangezien deze zijn verkregen met van misdrijf afkomstig geld. De verdediging heeft bepleit dat de horloges moeten worden teruggegeven aan verdachte, aangezien zij deze horloges al ver voor de ten laste gelegde periode heeft verkregen en deze van emotionele waarde voor haar zijn. Beoordeling door de rechtbank Verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen. Bovendien waren de horloges niet als voorwerp van witwassen ten laste gelegd. De rechtbank zal daarom de teruggave gelasten van de horloges aan verdachte, zij het dat conservatoir beslag nog aan teruggave in de weg kan staan. 10 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 23, 24 c en 57 van het Wetboek van Strafrecht; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde onder parketnummer 05/171152-22; verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05/180048-22, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt