Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2024-04-11
ECLI:NL:RBGEL:2024:9897
RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Zutphen Zaakgegevens: C/05/415607/FZ RK 23-603 (echtscheiding) enC/05/425561/FZ RK 23-2918 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) Datum uitspraak: 11 april 2024 beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen in de zaak van: [naam man] , wonende in [woonplaats] , verzoeker, hierna te noemen de man, advocaat: mr. H.J. Scholten in Doetinchem, tegen [naam vrouw] , wonende in [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen de vrouw, advocaat: mr. I.M.H. Bloemen in Elst. 1 Het verdere procesverloop 1.1. Dit verdere procesverloop blijkt uit: de tussenbeschikking van deze rechtbank van 12 januari 2024; de akte uitlating van de man naar aanleiding van de gewijzigde verzoeken van de vrouw, met bijlagen; de journaalberichten van mr. Scholten van 26 februari 2024, met bijlagen; de akte wijziging verzoeken en overlegging producties van de vrouw. 1.2. Bij de hiervoor genoemde tussenbeschikking is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op grond van artikel 843a Rv, zijn partijen verzocht zich uiterlijk tien dagen voor de nader te plannen mondelinge behandeling uit te laten zoals in randnummers 4.3 en 4.5 van die beschikking is overwogen en is iedere verdere beslissing in de procedure aangehouden. 1.3. Op 7 maart 2024 is de behandeling van zaak op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. 1.4. [het kind] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. 2 Gewijzigde verzoeken 2.1. De vrouw heeft haar verzoeken onder VI, VII en X gewijzigd/aangevuld. Zij verzoekt nu: VI. de woning gelegen aan de [adres 5] toe te delen aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde, met bepaling dat de vrouw gerechtigd is om ten aanzien van de door haar aan de man te betalen overbedelingsvordering (ter grootte van de helft van de overwaarde) een beroep op verrekening te doen met het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden; VII. te verklaren voor recht dat het volledige vermogen van de man tussen partijen overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW verrekend moet worden, bestaande uit in ieder geval (doch daartoe niet beperkt): het pand aan de [adres 1] ; het pand aan de [adres 2] ; de woning aan de [adres 4] ; de aandelen in [holding 1] BV en de in deze onderneming achtergebleven (niet-uitgekeerde) winsten bankrekeningen; Auto’s (Audi A6 kenteken [kentkennummer] , Triumph Stag, VW Kever, Mercedes, trekker Ferguson, Unimog) X. te bepalen dat een onafhankelijke deskundige de tussen partijen op grond van artikel 11 van de huwelijksvoorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW te verrekenen som dient vast te stellen, waaronder de waarde van het aandelenkapitaal en niet uitgekeerde ondernemingswinsten, met het verzoek de verrekening door de rechtbank vast te stellen overeenkomstig de door de deskundige te bepalen som, en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de door de rechtbank vastgestelde te verrekenen som. 2.2. De man heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de gewijzigde verzoeken van de vrouw . 2.3. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan. 3 De beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid 3.1. Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. 3.2. Ondanks het feit dat alleen een concept ouderschapsplan is overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen kunnen worden ontvangen in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding. Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken, is duidelijk geworden dat tussen partijen sprake is van een moeizame v De man heeft deze stelling pas eerst op de zitting ingenomen en heeft daarbij verder onvoldoende onderbouwd hoe artikel 12 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden zich verhoudt tot het toen geldende en geregelde wettelijk deelgenootschap in de tweede afdeling van titel 8 van boek 1 BW en de wetswijziging die in 2002 heeft plaatsgevonden en betrekking heeft op deze afdeling. 3.13. De rechtbank gaat aldus uit van het bewijsvermoeden dat in artikel 1:141, lid 3, BW is neergelegd. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en aannemelijk te maken dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan de weerlegging van het bewijsvermoeden van artikel 1:141, lid 3, BW zekere eisen mogen worden gesteld. In het geval dat de stelling dat bepaalde vermogensbestanddelen niet zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden door de verrekeningsgerechtigde voldoende is betwist, mag worden verwacht dat de verrekeningsplichtige afdoende onderbouwt hoe hij deze vermogensbestanddelen heeft verkregen. 3.14. Met inachtneming van het hiervoor geschetste toetsingskader, zal de rechtbank hierna per vermogensbestanddeel waarover partijen een (deel)beslissing wensen, beoordelen in hoeverre het vermogensbestanddeel naar het oordeel van de rechtbank tot het te verrekenen vermogen behoort. Aandelen van de man in [holding 1] B.V. 3.15. Partijen zijn het erover eens dat de aandelen van de man in [holding 1] B.V. op de peildatum, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, aanwezig waren. De vrouw beroept zich op het hiervoor uitgewerkte wettelijk bewijsvermoeden, zodat het vervolgens aan de man is om te stellen en aannemelijk te maken dat de aandelen in [holding 1] B.V. niet zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de man daarin niet is geslaagd en dat de aandelen in [holding 1] B.V. dus tot het te verrekenen vermogen behoren. 3.16. De man stelt dat de onderneming, die hij in 1994 is gestart met zijn vader in de vorm van een V.O.F., op 1 januari 2004 geruisloos is ingebracht in de besloten vennootschappen [holding 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. en dat de aandelen van zijn vader in de loop der jaren aan hem zijn overgedragen. Hiermee geeft de man echter geen inzicht in de wijze waarop de aandelen in [holding 1] B.V. zijn verkregen en hoe deze zijn gefinancierd. Bovendien heeft de man op de zitting desgevraagd verklaard dat zijn vader jaarlijks, via de accountant, een bedrag overgemaakt krijgt voor de overdracht van zijn aandelen aan de man. Ook op dit punt heeft de man geen inzicht gegeven in de wijze waarop hij deze jaarlijkse betalingen verricht, vanuit welke middelen en of deze al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoorden. Nu de man het wettelijk bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarde van de aandelen tussen partijen verrekend moet worden. Panden van de man aan de [adres 2 & 3] 3.17. Ten aanzien van deze vermogensbestanddelen zijn partijen het ook eens dat die op de peildatum aanwezig waren. Ook ten aanzien van deze panden geldt in de basis het voornoemde bewijsvermoeden, inhoudende dat de panden tot het te verrekenen vermogen behoren. 3.18. De man stelt dat de panden in 2011 zakelijk zijn aangekocht en in 2016 in privé aan hem zijn overgedragen. De koopsom van deze panden is door de man voldaan door middel van verrekening van twee vorderingen. Te weten een vordering in rekening-courant van de man op de [holding 1] B.V. en een vordering van de man wegens (gedeeltelijke) terugbetaling van het door hem op de aandelen gestorte bedrag blijkens een akte van statutenwijziging (kapitaalve De rechtbank heeft dan ook geen inzicht in de wijze waarop de geldlening tijdens het huwelijk (voor een deel) is afgelost. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat op de geldlening is afgelost door middel van de maandelijkse huurbetalingen, nu dit in ieder geval tussen partijen niet in geschil is. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden voor het begrip netto inkomen aangesloten bij het inkomensbegrip als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Op grond van artikel 3 en artikel 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behoren ook huurinkomsten, zijnde inkomsten uit vermogen, tot inkomen dat verrekend had moeten worden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook de woning van de man aan de [adres 4] tot het te verrekenen vermogen behoort. Eenmanszaak [bedrijf 2] van de vrouw 3.25. De man stelt dat deze eenmanszaak op de peildatum aanwezig was en in beginsel tot het te verrekenen vermogen behoort. De vrouw heeft dit op de zitting betwist. De man heeft vervolgens nagelaten zijn stelling nader te onderbouwen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat op de peildatum voornoemde eenmanszaak aanwezig was en tot het te verrekenen vermogen behoort. Slotsom 3.26. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, verklaart zij hierna voor recht dat de aandelen van de man in [holding 1] B.V., de panden van de man aan de [adres 2 & 3] en de woning van de man aan de [adres 4] tot het te verrekenen vermogen behoren. Verdeling echtelijke woning 3.27. De vrouw verzoekt om toedeling van de echtelijke woning aan de [adres 5] , met bepaling dat zij gerechtigd is om ten aanzien van de door haar aan de man te betalen overbedelingsvordering een beroep op verrekening te doen met het aan haar toekomende bedrag uit hoofde van de verrekening/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 3.28. Hoewel de man formeel geen verzoek in zijn petitum tot toedeling van de echtelijke woning aan hem heeft opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat uit zijn processtuk voldoende kan worden afgeleid dat hij dit verzoek heeft willen doen en dat de vrouw dit ook zo heeft kunnen begrijpen. 3.29. De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de echtelijke woning aanhouden. De beantwoording van de vraag welke partij in staat is om de toedeling van de echtelijke woning aan hem of haar te financieren, hangt immers samen met (de omvang van) verrekeningsvordering die op grond van de huwelijkse voorwaarden nog moet plaatsvinden. Het ligt voor de hand om de gehele afwikkeling van wat partijen over en weer te verrekenen en verdelen hebben tegelijk te laten plaatsvinden. Voortgang procedure 3.30. Zoals op de zitting is besproken, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om binnen twee weken na vandaag, in onderling overleg een deskundige in te schakelen die de aandelen van de man in [holding 1] B.V. moet taxeren. Indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, zal de rechtbank overgaan tot een deskundigenbenoeming voor de waardering van de aandelen. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in onderling overleg de woning aan de [adres 4] en de panden aan de [adres 2 & 3] zullen laten taxeren. 3.31. Voor zover partijen in een later stadium willen dat de rechtbank de (volledige) verrekening vaststelt op grond van de huwelijkse voorwaarden, verwacht de rechtbank dat ieder van partijen een vermogensopstelling aan de rechtbank zullen toesturen, met onderliggende bewijsstukken. 3.32. Iedere verdere beslissing houdt de rechtbank aan tot 25 april 2024 pro forma. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] ; 4.2. bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [het kind] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] bij de vrouw; 4.3. bepaalt dat de man, met ingang van vandaag, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 692 per maand aan de vrouw moet betalen, telkens