Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-11-27
ECLI:NL:RBGEL:2024:9888
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bodemzaak
11,526 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2024:9888 text/xml public 2026-05-11T16:12:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2024-11-27 10467804 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:9888 text/html public 2026-05-11T16:11:19 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2024:9888 Rechtbank Gelderland , 27-11-2024 / 10467804 Eiser heeft bewijs geleverd dat hij recht heeft op inschaling in loongroep 4. Op basis van de cao dient werkgever het vakantiegeld, betaling van de vakantiedagen, feestdagem en roostervrije tijd alsnog te voldoen. Werknemer is niet geslaagd om bewijs te leveren dat hij recht heeft op betaling van overwerk. Reiskosten zijn gedeeltelijk voldaan door de uitgifte van tankbonnen. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 10467804 \ CV EXPL 23-2885 Vonnis van 27 november 2024 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] ( [land] ), eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. J.W.M. Soentjens, tegen HOLLAND WOOD B.V. , te Pannerden, gedaagde partij, hierna te noemen: Holland Wood, gemachtigde: mr. M.H.M. Deppenbroek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 maart 2024; - de akte van depot aan de zijde van Holland Wood met een overzicht en een 105-tal tankbonnen met daaraan gehecht een kassabon; - het proces-verbaal van 4 juli 2024 van het getuigenverhoor aan de zijde van [de eiser] ; - de conclusie na getuigenverhoor van [de eiser] ; - de conclusie na getuigenverhoor van Holland Wood. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De aanvullende feiten 2.1. In de laatste op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao (2021-2022) staat (aanvullende op het voormelde tussenvonnis) het volgende: “Artikel 19 Feestdagen 1. Op Nieuwjaarsdag, Paasmaandag, Hemelvaartsdag, Pinkstermaandag, de beide Kerstdagen, Koningsdag en in lustrumjaren 5 mei ter viering van de Nationale Bevrijdingsdag (2010, 2015 enz.), wordt niet gewerkt, tenzij sprake is van overwerk als bedoeld in artikel 21, onverminderd het bepaalde in lid 5 van dat artikel. (…) Artikel 20 Vergoeding feestdagen 1. Indien op de feestdagen, als genoemd in artikel 19, door de werknemer niet wordt gewerkt, ontvangt hij het inkomen, dat hij verdiend zou hebben wanneer deze feestdagen werkdagen zouden zijn geweest. Met dien verstande dat met incidenteel overwerk geen rekening wordt gehouden.” 3 De verdere beoordeling 3.1. De kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 6 maart 2024. In dit tussenvonnis is [de eiser] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij vanaf 2018 recht heeft op inschaling in loongroep 4 en dat hij overuren heeft gemaakt, zoals hij heeft gevorderd, en in wiens opdracht hij die uren heeft gemaakt. Holland Wood is bij hetzelfde tussenvonnis in de gelegenheid gesteld te bewijzen tot welk bedrag per jaar gebruik is gemaakt van de persoonlijk aan [de eiser] verstrekte tankbonnen en of zij daarmee voldaan heeft aan het bepaalde in artikel 13 van de toepasselijke cao. 3.2. [de eiser] heeft zichzelf en [getuige] (hierna: [getuige] ) als getuigen doen horen. Holland Wood heeft akte van depot genomen, waarbij diverse tankbonnen met daaraan gehecht een kassabon zijn verstrekt. 3.3. [de eiser] heeft onder meer verklaard: “U vraagt mij wat voor werk ik deed bij Holland Wood. Ik deed productiewerk. Verder verbouwde en repareerde ik machines. Ik bestuurde de heftruck; ik laadde pallets in en uit de aanhangers. Ik stelde handmatig pallets samen van verschillende onderdelen. Ook bestuurde ik een robot die ik met een computer moest programmeren. Als er onderdelen defect waren dan verving ik deze en ik werkte aan de zaag. Dan moest ik gegevens invoeren van hoe hoog en hoe breed. Eigenlijk deed ik alle mogelijke werkzaamheden die hoorden bij de fabriek. Wat ik ook deed, was dat ik de taken van de teamleiders overnam als zij er niet waren. Dit gebeurde meestal 2 à 3 keer per jaar als zij vrij waren. Dit was dan vaak wel een periode van 2 à 3 maanden, omdat zij in die periode teruggingen naar Polen. (…) Als ik een leidinggevende verving dan zag mijn dag er zo uit. Ik moest mij ‘s ochtends melden en dan kreeg ik de documentatie over de materialen waar wij mee moesten werken en welke pallets er moesten worden gemaakt. Vervolgens moest ik dan de mensen indelen en overdag had ik ondertussen contact met kantoor over of de productie goed loopt. Ik was dan niet zelf bezig met de productie, maar ik was dit aan het begeleiden. Daarnaast laadde ik dan pallets in en uit met de heftruck. (…) Ik heb de werkzaamheden die ik hiervoor beschreef vanaf 2018 zo verricht, alleen de leidinggevende taken ben ik pas in 2020 gaan doen. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, maar ik weet wel dat het was voordat ik opnieuw in dienst kwam bij Holland Wood in oktober 2020. (…) De gebruikelijke uren dat er gewerkt werd bij Holland Wood waren van 07.30 uur tot 16.30 uur. Daarnaast kon je overuren draaien vanaf 05.00 uur ‘s ochtends of vanaf 16.30 tot 19.00 uur. Daarnaast werkte ik op zaterdag, dat was van 07.30 of 08.00 uur tot 12.30 of 13.30 uur. Ik werkte 6 dagen per week. Ik werkte zoveel als ik nodig had om over genoeg geld te kunnen beschikken. Soms werkte ik 3 à 4 keer per week 2 uur ‘s avonds of 2 uur ’s ochtends extra en soms deed ik dat 2 keer per week. (…) U vraagt mij of het verplicht was om over te werken. Dat hangt ervan af hoe je dat bekijkt. Ik was niet verplicht om dat te doen, maar met een laag salaris voel je je wel verplicht om extra overuren te draaien om aan een fatsoenlijk salaris te komen. (…) U vraagt mij naar de reiskosten. Eén keer per week kregen wij tankbonnen ter waarde van € 22,50 of € 27,50; dat weet ik niet meer precies. Op zaterdag konden wij deze tankbonnen ophalen op kantoor. Wij moesten daarmee tanken bij het door de werkgever uitgekozen tankstation. De prijzen waren daar hoger dan in [land] . Het kon zo € 0,20 per liter schelen. Ik kon met mijn tankbonnen niet mijn hele reis bekostigen. Ik reisde ofwel vanuit [woonplaats] ofwel vanuit [plaatsnaam] naar Pannerden.” 3.4. [getuige] heeft onder meer verklaard: “U vraagt mij of ik heb gewerkt bij Holland Wood. Ja, dat klopt. Ik heb daar gewerkt vanaf november 2018. Ik deed daar het volgende. Ik werkte aan een machine die pallets aan elkaar aan het timmeren was. Ik moest de pallets daar ook afhalen en ze opstapelen. Ik werkte ook met een luchtdrukpistool, waarmee pallets in elkaar werden gezet. Verder werkte ik met een zaag om hout te zagen en tot slot moest de machine waarmee de pallets in elkaar werden getimmerd ook soms omgebouwd worden. Ik heb daar tot en met mei 2023 gewerkt. Ik ken meneer [de eiser] van het werk. Hij deed bij Holland Wood hetzelfde werk als ik. Daarnaast deed hij nog een aantal andere dingen, bijvoorbeeld er moesten bepaalde blokken afgebrand worden met een machine. Ook reed hij met de heftruck en haalde daarmee pallets van de machine. Dat was anders dan wat ik deed, omdat ik dat handmatig deed en hij deed dat met de heftruck. Hij werkte ook met een robot. Als alle leidinggevenden met vakantie waren dan verving meneer [de eiser] hen. Dit kwam niet vaak voor. Ook vervulde hij hun taken als zij er even niet waren of met iets anders bezig waren en dan bedoel ik met die taken dat hij de pallets van de machine afhaalde met de heftruck. Op uw vraag of de taken van meneer [de eiser] nog veranderd zijn in de periode dat ik bij Holland Wood werkte, antwoord ik dat het werk vaak veranderde, omdat je de ene keer met de ene machine werkte en de andere keer met een andere machine. Hij heeft wel vanaf het moment dat ik daar begon met werken de taken van leidinggevenden vervuld als zij dat niet konden. Ik weet niet in welke loongroep ik was ingeschaald bij Holland Wood. Ik weet het ook niet van andere medewerkers. Normaal gesproken waren de werktijden bij Holland Wood van 07.30 uur tot 16.30 uur, maar er waren heel veel mensen die overuren maakten. Sommigen begonnen al eerder vanaf 05.00 uur en anderen werkten langer door tot 19.00 uur. Ik werkte meestal vanaf 07.30 uur tot 19.00 uur.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2024:9888 text/xml public 2026-05-11T16:12:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2024-11-27 10467804 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:9888 text/html public 2026-05-11T16:11:19 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2024:9888 Rechtbank Gelderland , 27-11-2024 / 10467804 Eiser heeft bewijs geleverd dat hij recht heeft op inschaling in loongroep 4. Op basis van de cao dient werkgever het vakantiegeld, betaling van de vakantiedagen, feestdagem en roostervrije tijd alsnog te voldoen. Werknemer is niet geslaagd om bewijs te leveren dat hij recht heeft op betaling van overwerk. Reiskosten zijn gedeeltelijk voldaan door de uitgifte van tankbonnen. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 10467804 \ CV EXPL 23-2885 Vonnis van 27 november 2024 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] ( [land] ), eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. J.W.M. Soentjens, tegen HOLLAND WOOD B.V. , te Pannerden, gedaagde partij, hierna te noemen: Holland Wood, gemachtigde: mr. M.H.M. Deppenbroek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 maart 2024; - de akte van depot aan de zijde van Holland Wood met een overzicht en een 105-tal tankbonnen met daaraan gehecht een kassabon; - het proces-verbaal van 4 juli 2024 van het getuigenverhoor aan de zijde van [de eiser] ; - de conclusie na getuigenverhoor van [de eiser] ; - de conclusie na getuigenverhoor van Holland Wood. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De aanvullende feiten 2.1. In de laatste op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao (2021-2022) staat (aanvullende op het voormelde tussenvonnis) het volgende: “Artikel 19 Feestdagen 1. Op Nieuwjaarsdag, Paasmaandag, Hemelvaartsdag, Pinkstermaandag, de beide Kerstdagen, Koningsdag en in lustrumjaren 5 mei ter viering van de Nationale Bevrijdingsdag (2010, 2015 enz.), wordt niet gewerkt, tenzij sprake is van overwerk als bedoeld in artikel 21, onverminderd het bepaalde in lid 5 van dat artikel. (…) Artikel 20 Vergoeding feestdagen 1. Indien op de feestdagen, als genoemd in artikel 19, door de werknemer niet wordt gewerkt, ontvangt hij het inkomen, dat hij verdiend zou hebben wanneer deze feestdagen werkdagen zouden zijn geweest. Met dien verstande dat met incidenteel overwerk geen rekening wordt gehouden.” 3 De verdere beoordeling 3.1. De kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 6 maart 2024. In dit tussenvonnis is [de eiser] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij vanaf 2018 recht heeft op inschaling in loongroep 4 en dat hij overuren heeft gemaakt, zoals hij heeft gevorderd, en in wiens opdracht hij die uren heeft gemaakt. Holland Wood is bij hetzelfde tussenvonnis in de gelegenheid gesteld te bewijzen tot welk bedrag per jaar gebruik is gemaakt van de persoonlijk aan [de eiser] verstrekte tankbonnen en of zij daarmee voldaan heeft aan het bepaalde in artikel 13 van de toepasselijke cao. 3.2. [de eiser] heeft zichzelf en [getuige] (hierna: [getuige] ) als getuigen doen horen. Holland Wood heeft akte van depot genomen, waarbij diverse tankbonnen met daaraan gehecht een kassabon zijn verstrekt. 3.3. [de eiser] heeft onder meer verklaard: “U vraagt mij wat voor werk ik deed bij Holland Wood. Ik deed productiewerk. Verder verbouwde en repareerde ik machines. Ik bestuurde de heftruck; ik laadde pallets in en uit de aanhangers. Ik stelde handmatig pallets samen van verschillende onderdelen. Ook bestuurde ik een robot die ik met een computer moest programmeren. Als er onderdelen defect waren dan verving ik deze en ik werkte aan de zaag. Dan moest ik gegevens invoeren van hoe hoog en hoe breed. Eigenlijk deed ik alle mogelijke werkzaamheden die hoorden bij de fabriek. Wat ik ook deed, was dat ik de taken van de teamleiders overnam als zij er niet waren. Dit gebeurde meestal 2 à 3 keer per jaar als zij vrij waren. Dit was dan vaak wel een periode van 2 à 3 maanden, omdat zij in die periode teruggingen naar Polen. (…) Als ik een leidinggevende verving dan zag mijn dag er zo uit. Ik moest mij ‘s ochtends melden en dan kreeg ik de documentatie over de materialen waar wij mee moesten werken en welke pallets er moesten worden gemaakt. Vervolgens moest ik dan de mensen indelen en overdag had ik ondertussen contact met kantoor over of de productie goed loopt. Ik was dan niet zelf bezig met de productie, maar ik was dit aan het begeleiden. Daarnaast laadde ik dan pallets in en uit met de heftruck. (…) Ik heb de werkzaamheden die ik hiervoor beschreef vanaf 2018 zo verricht, alleen de leidinggevende taken ben ik pas in 2020 gaan doen. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, maar ik weet wel dat het was voordat ik opnieuw in dienst kwam bij Holland Wood in oktober 2020. (…) De gebruikelijke uren dat er gewerkt werd bij Holland Wood waren van 07.30 uur tot 16.30 uur. Daarnaast kon je overuren draaien vanaf 05.00 uur ‘s ochtends of vanaf 16.30 tot 19.00 uur. Daarnaast werkte ik op zaterdag, dat was van 07.30 of 08.00 uur tot 12.30 of 13.30 uur. Ik werkte 6 dagen per week. Ik werkte zoveel als ik nodig had om over genoeg geld te kunnen beschikken. Soms werkte ik 3 à 4 keer per week 2 uur ‘s avonds of 2 uur ’s ochtends extra en soms deed ik dat 2 keer per week. (…) U vraagt mij of het verplicht was om over te werken. Dat hangt ervan af hoe je dat bekijkt. Ik was niet verplicht om dat te doen, maar met een laag salaris voel je je wel verplicht om extra overuren te draaien om aan een fatsoenlijk salaris te komen. (…) U vraagt mij naar de reiskosten. Eén keer per week kregen wij tankbonnen ter waarde van € 22,50 of € 27,50; dat weet ik niet meer precies. Op zaterdag konden wij deze tankbonnen ophalen op kantoor. Wij moesten daarmee tanken bij het door de werkgever uitgekozen tankstation. De prijzen waren daar hoger dan in [land] . Het kon zo € 0,20 per liter schelen. Ik kon met mijn tankbonnen niet mijn hele reis bekostigen. Ik reisde ofwel vanuit [woonplaats] ofwel vanuit [plaatsnaam] naar Pannerden.” 3.4. [getuige] heeft onder meer verklaard: “U vraagt mij of ik heb gewerkt bij Holland Wood. Ja, dat klopt. Ik heb daar gewerkt vanaf november 2018. Ik deed daar het volgende. Ik werkte aan een machine die pallets aan elkaar aan het timmeren was. Ik moest de pallets daar ook afhalen en ze opstapelen. Ik werkte ook met een luchtdrukpistool, waarmee pallets in elkaar werden gezet. Verder werkte ik met een zaag om hout te zagen en tot slot moest de machine waarmee de pallets in elkaar werden getimmerd ook soms omgebouwd worden. Ik heb daar tot en met mei 2023 gewerkt. Ik ken meneer [de eiser] van het werk. Hij deed bij Holland Wood hetzelfde werk als ik. Daarnaast deed hij nog een aantal andere dingen, bijvoorbeeld er moesten bepaalde blokken afgebrand worden met een machine. Ook reed hij met de heftruck en haalde daarmee pallets van de machine. Dat was anders dan wat ik deed, omdat ik dat handmatig deed en hij deed dat met de heftruck. Hij werkte ook met een robot. Als alle leidinggevenden met vakantie waren dan verving meneer [de eiser] hen. Dit kwam niet vaak voor. Ook vervulde hij hun taken als zij er even niet waren of met iets anders bezig waren en dan bedoel ik met die taken dat hij de pallets van de machine afhaalde met de heftruck. Op uw vraag of de taken van meneer [de eiser] nog veranderd zijn in de periode dat ik bij Holland Wood werkte, antwoord ik dat het werk vaak veranderde, omdat je de ene keer met de ene machine werkte en de andere keer met een andere machine. Hij heeft wel vanaf het moment dat ik daar begon met werken de taken van leidinggevenden vervuld als zij dat niet konden. Ik weet niet in welke loongroep ik was ingeschaald bij Holland Wood. Ik weet het ook niet van andere medewerkers. Normaal gesproken waren de werktijden bij Holland Wood van 07.30 uur tot 16.30 uur, maar er waren heel veel mensen die overuren maakten. Sommigen begonnen al eerder vanaf 05.00 uur en anderen werkten langer door tot 19.00 uur. Ik werkte meestal vanaf 07.30 uur tot 19.00 uur.
Volledig
Ik wilde zelf de overuren maken, omdat ik meer wilde verdienen. In de praktijk ging het zo dat degenen die langer wilden blijven dat konden doen. Dat gebeurde gewoon en dat hoefde niet te worden ingeroosterd. Dit was anders met de mensen die om 05.00 uur ‘s ochtends wilden beginnen. Dat gebeurde wel met een rooster. Ik werkte meestal 6 dagen in de week, namelijk ook op zaterdag. Ik deed dat zoals ik al zei, om meer geld te verdienen. Niet iedereen werkte zo. Het was wel zo dat met name de Poolse werknemers overwerkten. Nederlandse werknemers die werkten soms wel op zaterdag, maar zij werkten nooit doordeweeks voor 07.30 uur of na 16.30 uur. Ik draaide ook wel eens nachtdiensten. Ik begon dan om 16.30 uur en ik stopte om 05.00 uur ‘s ochtends. Dat kwam wel eens twee keer per jaar voor, maar dan wel drie maanden lang. (…) Op zich gebeurde er niets als iemand geen overuren wilde maken. Het was wel zo dat als iemand niet bereid was om tot 19.00 uur te werken, hij ook niet vanaf 05.00 uur werd ingepland. U vraagt mij of Poolse werknemers geacht werden om over te werken. Dit moest niet, maar aangezien er weinig werd betaald voor Poolse werknemers deden zij dat wel veel. (…) Toen werkte ik 6 dagen, zoals ik dat meestal deed. Het werkte zo dat als een werknemer 40 uur werkte dat hij dan ook een lager salaris ontving. Holland Wood wist dat ik overuren maakte. Er was een clicksysteem met kaarten. Dit was een prikklok. Er waren twee kaarten die moesten wij gebruiken, omdat wij te veel uren draaiden. U vraagt mij of ik verplicht was om over te werken. Neen, dat was ik niet, maar ik wilde wel meer verdienen. (…) U vraagt mij of wij reiskosten vergoed kregen. Wij kregen tankbonnen, maar dat gold alleen voor degenen die auto’s hadden. Wij kregen deze bonnen meestal aan het einde van de week. Bewijsopdracht 1: werkzaamheden verricht op basis waarvan [de eiser] recht heeft op inschaling in loongroep 4 3.5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat verklaring van [de eiser] als partijgetuigenverklaring wordt aangemerkt en dat volgens het bepaalde in artikel 164 lid 2 van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) deze verklaring over door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Volgens vaste rechtspraak is hiervan alleen sprake indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. 3.6. Uit de verklaringen van zowel [getuige] als [de eiser] volgt dat [de eiser] het merendeel van de tijd werkzaamheden heeft verricht die onder loongroep 4 vallen. Immers, [getuige] heeft verklaard dat [de eiser] , net als hij, in 2018 (en de jaren daarna) zelfstandig werkte met de machine die pallets aan elkaar timmerde, met een luchtdrukpistool en een zaag werkte en de machine, waarmee de pallets in elkaar werden gezet, ombouwde. Daarnaast verrichte [de eiser] meer/andere werkzaamheden dan [getuige] , zoals blokken afbranden, heftruck rijden, het instellen van de robot en vervulde hij de taken van de leidinggevende als zij dat niet konden. Er is geen reden om de verklaring van [getuige] in twijfel te trekken. Bovendien heeft [de eiser] hierover hetzelfde verklaard. De verklaringen zijn gedetailleerd en sluiten aan op de overgelegde (schriftelijke) bewijsstukken. Holland Wood heeft hiertegenover niets ingebracht. Bij deze stand van zaken had het op haar weg gelegen om haar verweer nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat voldoende aannemelijk is geworden dat [de eiser] deze werkzaamheden zelfstandig heeft verricht. Uit artikel 9 van de toepasselijke cao volgt dat een werknemer in loongroep 4 zijn werkzaamheden zelfstandig uitvoert op basis van eigen interpretatie van de richtlijnen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar hier sprake van. Daarbij betrekt de kantonrechter dat [de eiser] al op 24 maart 2014 bij Holland Wood in dienst is getreden. Daardoor beschikte hij over een ruime theoretische vakkennis en heeft hij uitgebreide praktijkervaring opgedaan bij Holland Wood. Verder staat, in tegenstelling tot wat Holland Wood heeft betoogd, vast dat [de eiser] met ingewikkelde machines gewerkt heeft, dan wel dat dat sprake was van een hoge mate van manuele bekwaamheid, zelfstandigheid en materiaal gevoel. Dit volgt ook wel uit het feit dat [de eiser] in 2020 tot het einde van zijn dienstverband bij Holland Wood bij afwezigheid van leidinggevenden deze verving. Of dit nu structureel of incidenteel is geweest, doet daar – in tegenstelling tot wat Holland Wood heeft betoogd – niet aan af. Het zegt iets over de zelfstandigheid van [de eiser] en zijn kennis van de machines en de werkwijze bij Holland Wood. Dit betekent dat [de eiser] vanaf 2018, conform de cao, in loongroep 4 ingedeeld had moeten worden. [de eiser] is dus geslaagd in het hem opgedragen bewijs. 3.7. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de vraag welk bedrag aan achterstallig loon moet worden toegewezen. Omdat Holland Wood de hoogte van het verschuldigde bruto-uurloon in de periode 2018 tot en met 2022 niet (gemotiveerd) heeft betwist gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. De kantonrechter wijst dus een bedrag van in totaal € 8.482,56 bruto (€ 2.478,00 bruto in 2018, € 2.360,00 bruto in 2019, € 1.554,57 bruto in 2020, € 2.089,99 bruto in 2021 en € 491,26 bruto in 2022) aan achterstallig salaris toe. Vakantietoeslag, vakantiedagen, feestdagen en roostervrije tijd 3.8. Holland Wood heeft betoogd dat partijen een all-in loon zijn overeengekomen en dat daarin als component een vergoeding van de vakantietoeslag en betaling van de vakantiedagen zit. De kantonrechter gaat hier aan voorbij. De toepasselijke cao is een minimum-cao. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst, waarin een all-in uurloon van 10,00 euro per uur is overeengekomen, is strijdig met de cao, omdat dit onder het minimum uitkomt. Holland Wood zal, gelet op het bepaalde in artikel 15, 19, 20 en 25 van de cao het vakantiegeld, de betaling van de vakantiedagen, de feestdagen en roostervrije tijd alsnog moeten voldoen. Immers, daarin is bepaald dat een werknemer recht heeft op vakantiedagen met behoud van loon en vakantietoeslag. Verder is in artikel 15 van de cao bepaald dat een werknemer recht heeft op roostervrije tijd met behoud van loon en dient het loon van de werknemer, krachtens het bepaalde in artikelen 19 en 20 van de cao, gedurende de feestdagen doorbetaald te worden. Omdat Holland Wood de hoogte van de gevorderde bedragen (uitgaande van loongroep 4) niet (gemotiveerd) heeft weersproken, wijst de kantonrechter deze bedragen toe. Dit betekent dat voor 2018 een bedrag van in totaal € 6.911,73 bruto (bestaande uit € 2.380,73 bruto aan vakantietoeslag, € 2.408,00 bruto aan vakantiedagen, € 627,00 bruto aan vergoeding voor de feestdagen en € 1.496,00 bruto aan roostervrije tijd), in 2019 een bedrag van in totaal € 6.698,82 bruto (bestaande uit € 2.148,86 bruto aan vakantietoeslag, € 2.466,00 bruto aan vakantiedagen, € 591,00 bruto aan feestdagen en € 1.492,96 aan roostervrije tijd) in 2020 een bedrag van in totaal € 6.780,74 bruto (bestaande uit € 1.985,14 bruto aan vakantietoeslag, € 2.524,00 bruto aan vakantiedagen, € 706,72 bruto aan feestdagen en € 1.564,88 bruto aan roostervrije tijd ), in 2021 een bedrag van in totaal € 6.836,21 (bestaande uit € 2.184,29 bruto aan vakantietoeslag, € 2.556,00 bruto aan vakantiedagen, € 511,20 bruto aan feestdagen en € 1.584,72 bruto aan roostervrije tijd) en in 2022 een bedrag van in totaal € 3.149,36 bruto (bestaande uit € 651,20 bruto aan vakantietoeslag, € 809,48 bruto aan vakantiedagen € 103,96 bruto aan feestdagen en € 1.584,72 bruto aan roostervrije tijd) wordt toegewezen. Tot slot heeft Holland Wood geen verweer gevoerd tegen de eenmalige cao-uitkering van € 100,00 bruto die in maart 2022 zou moeten zijn uitbetaald. Aangevoerd noch gebleken is dat dit bedrag door Holland Wood is betaald, zodat ook dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Wettelijke verhoging 3.9.
Volledig
Ik wilde zelf de overuren maken, omdat ik meer wilde verdienen. In de praktijk ging het zo dat degenen die langer wilden blijven dat konden doen. Dat gebeurde gewoon en dat hoefde niet te worden ingeroosterd. Dit was anders met de mensen die om 05.00 uur ‘s ochtends wilden beginnen. Dat gebeurde wel met een rooster. Ik werkte meestal 6 dagen in de week, namelijk ook op zaterdag. Ik deed dat zoals ik al zei, om meer geld te verdienen. Niet iedereen werkte zo. Het was wel zo dat met name de Poolse werknemers overwerkten. Nederlandse werknemers die werkten soms wel op zaterdag, maar zij werkten nooit doordeweeks voor 07.30 uur of na 16.30 uur. Ik draaide ook wel eens nachtdiensten. Ik begon dan om 16.30 uur en ik stopte om 05.00 uur ‘s ochtends. Dat kwam wel eens twee keer per jaar voor, maar dan wel drie maanden lang. (…) Op zich gebeurde er niets als iemand geen overuren wilde maken. Het was wel zo dat als iemand niet bereid was om tot 19.00 uur te werken, hij ook niet vanaf 05.00 uur werd ingepland. U vraagt mij of Poolse werknemers geacht werden om over te werken. Dit moest niet, maar aangezien er weinig werd betaald voor Poolse werknemers deden zij dat wel veel. (…) Toen werkte ik 6 dagen, zoals ik dat meestal deed. Het werkte zo dat als een werknemer 40 uur werkte dat hij dan ook een lager salaris ontving. Holland Wood wist dat ik overuren maakte. Er was een clicksysteem met kaarten. Dit was een prikklok. Er waren twee kaarten die moesten wij gebruiken, omdat wij te veel uren draaiden. U vraagt mij of ik verplicht was om over te werken. Neen, dat was ik niet, maar ik wilde wel meer verdienen. (…) U vraagt mij of wij reiskosten vergoed kregen. Wij kregen tankbonnen, maar dat gold alleen voor degenen die auto’s hadden. Wij kregen deze bonnen meestal aan het einde van de week. Bewijsopdracht 1: werkzaamheden verricht op basis waarvan [de eiser] recht heeft op inschaling in loongroep 4 3.5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat verklaring van [de eiser] als partijgetuigenverklaring wordt aangemerkt en dat volgens het bepaalde in artikel 164 lid 2 van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) deze verklaring over door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Volgens vaste rechtspraak is hiervan alleen sprake indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. 3.6. Uit de verklaringen van zowel [getuige] als [de eiser] volgt dat [de eiser] het merendeel van de tijd werkzaamheden heeft verricht die onder loongroep 4 vallen. Immers, [getuige] heeft verklaard dat [de eiser] , net als hij, in 2018 (en de jaren daarna) zelfstandig werkte met de machine die pallets aan elkaar timmerde, met een luchtdrukpistool en een zaag werkte en de machine, waarmee de pallets in elkaar werden gezet, ombouwde. Daarnaast verrichte [de eiser] meer/andere werkzaamheden dan [getuige] , zoals blokken afbranden, heftruck rijden, het instellen van de robot en vervulde hij de taken van de leidinggevende als zij dat niet konden. Er is geen reden om de verklaring van [getuige] in twijfel te trekken. Bovendien heeft [de eiser] hierover hetzelfde verklaard. De verklaringen zijn gedetailleerd en sluiten aan op de overgelegde (schriftelijke) bewijsstukken. Holland Wood heeft hiertegenover niets ingebracht. Bij deze stand van zaken had het op haar weg gelegen om haar verweer nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat voldoende aannemelijk is geworden dat [de eiser] deze werkzaamheden zelfstandig heeft verricht. Uit artikel 9 van de toepasselijke cao volgt dat een werknemer in loongroep 4 zijn werkzaamheden zelfstandig uitvoert op basis van eigen interpretatie van de richtlijnen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar hier sprake van. Daarbij betrekt de kantonrechter dat [de eiser] al op 24 maart 2014 bij Holland Wood in dienst is getreden. Daardoor beschikte hij over een ruime theoretische vakkennis en heeft hij uitgebreide praktijkervaring opgedaan bij Holland Wood. Verder staat, in tegenstelling tot wat Holland Wood heeft betoogd, vast dat [de eiser] met ingewikkelde machines gewerkt heeft, dan wel dat dat sprake was van een hoge mate van manuele bekwaamheid, zelfstandigheid en materiaal gevoel. Dit volgt ook wel uit het feit dat [de eiser] in 2020 tot het einde van zijn dienstverband bij Holland Wood bij afwezigheid van leidinggevenden deze verving. Of dit nu structureel of incidenteel is geweest, doet daar – in tegenstelling tot wat Holland Wood heeft betoogd – niet aan af. Het zegt iets over de zelfstandigheid van [de eiser] en zijn kennis van de machines en de werkwijze bij Holland Wood. Dit betekent dat [de eiser] vanaf 2018, conform de cao, in loongroep 4 ingedeeld had moeten worden. [de eiser] is dus geslaagd in het hem opgedragen bewijs. 3.7. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de vraag welk bedrag aan achterstallig loon moet worden toegewezen. Omdat Holland Wood de hoogte van het verschuldigde bruto-uurloon in de periode 2018 tot en met 2022 niet (gemotiveerd) heeft betwist gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. De kantonrechter wijst dus een bedrag van in totaal € 8.482,56 bruto (€ 2.478,00 bruto in 2018, € 2.360,00 bruto in 2019, € 1.554,57 bruto in 2020, € 2.089,99 bruto in 2021 en € 491,26 bruto in 2022) aan achterstallig salaris toe. Vakantietoeslag, vakantiedagen, feestdagen en roostervrije tijd 3.8. Holland Wood heeft betoogd dat partijen een all-in loon zijn overeengekomen en dat daarin als component een vergoeding van de vakantietoeslag en betaling van de vakantiedagen zit. De kantonrechter gaat hier aan voorbij. De toepasselijke cao is een minimum-cao. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst, waarin een all-in uurloon van 10,00 euro per uur is overeengekomen, is strijdig met de cao, omdat dit onder het minimum uitkomt. Holland Wood zal, gelet op het bepaalde in artikel 15, 19, 20 en 25 van de cao het vakantiegeld, de betaling van de vakantiedagen, de feestdagen en roostervrije tijd alsnog moeten voldoen. Immers, daarin is bepaald dat een werknemer recht heeft op vakantiedagen met behoud van loon en vakantietoeslag. Verder is in artikel 15 van de cao bepaald dat een werknemer recht heeft op roostervrije tijd met behoud van loon en dient het loon van de werknemer, krachtens het bepaalde in artikelen 19 en 20 van de cao, gedurende de feestdagen doorbetaald te worden. Omdat Holland Wood de hoogte van de gevorderde bedragen (uitgaande van loongroep 4) niet (gemotiveerd) heeft weersproken, wijst de kantonrechter deze bedragen toe. Dit betekent dat voor 2018 een bedrag van in totaal € 6.911,73 bruto (bestaande uit € 2.380,73 bruto aan vakantietoeslag, € 2.408,00 bruto aan vakantiedagen, € 627,00 bruto aan vergoeding voor de feestdagen en € 1.496,00 bruto aan roostervrije tijd), in 2019 een bedrag van in totaal € 6.698,82 bruto (bestaande uit € 2.148,86 bruto aan vakantietoeslag, € 2.466,00 bruto aan vakantiedagen, € 591,00 bruto aan feestdagen en € 1.492,96 aan roostervrije tijd) in 2020 een bedrag van in totaal € 6.780,74 bruto (bestaande uit € 1.985,14 bruto aan vakantietoeslag, € 2.524,00 bruto aan vakantiedagen, € 706,72 bruto aan feestdagen en € 1.564,88 bruto aan roostervrije tijd ), in 2021 een bedrag van in totaal € 6.836,21 (bestaande uit € 2.184,29 bruto aan vakantietoeslag, € 2.556,00 bruto aan vakantiedagen, € 511,20 bruto aan feestdagen en € 1.584,72 bruto aan roostervrije tijd) en in 2022 een bedrag van in totaal € 3.149,36 bruto (bestaande uit € 651,20 bruto aan vakantietoeslag, € 809,48 bruto aan vakantiedagen € 103,96 bruto aan feestdagen en € 1.584,72 bruto aan roostervrije tijd) wordt toegewezen. Tot slot heeft Holland Wood geen verweer gevoerd tegen de eenmalige cao-uitkering van € 100,00 bruto die in maart 2022 zou moeten zijn uitbetaald. Aangevoerd noch gebleken is dat dit bedrag door Holland Wood is betaald, zodat ook dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Wettelijke verhoging 3.9.
Volledig
De kantonrechter ziet aanleiding om een verhoging van maximaal 50% toe te wijzen over de nabetaling van het loon, de vakantietoeslag en de doorbetaling van de vakantiedagen, feestdagen en roostervrije tijd over de periode 2018 tot en met 2022, omdat Holland Wood, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 7:625 en 7:628 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de artikelen 7:639 en 7:641 BW, niet binnen de geldende termijn heeft betaald, terwijl zij beter had moeten weten. Bewijsopdracht 2: overwerk 3.10. In het tussenvonnis is [de eiser] verder opgedragen te bewijzen dat hij overuren heeft gemaakt zoals hij heeft gevorderd en in wiens opdracht hij deze uren verricht heeft. In dat kader heeft [de eiser] zichzelf en [getuige] als getuigen doen horen. 3.11. Uit artikel 21 van de cao volgt dat de werkgever in bijzondere omstandigheden gerechtigd is overwerk te laten verrichten. Dit kan echter alleen met instemming van de meerderheid van de bij het overwerk betrokken werknemers. De werknemer is dan gehouden het overwerk te verrichten. Gesteld noch gebleken is dat van zo’n situatie sprake is geweest. Integendeel, uit de verklaringen van [getuige] en [de eiser] volgt dat het werken buiten de reguliere werktijden op vrijwillige basis was. Hoewel voorstelbaar is, tegen de achtergrond dat [de eiser] jarenlang te weinig salaris heeft ontvangen, dat door Poolse werknemers meer uren werden gemaakt om een bepaald inkomensniveau te halen, heeft [de eiser] zijn stelling dat het daarmee een verplicht karakter heeft gekregen onvoldoende onderbouwd. Holland Wood heeft daar immers tegenover gesteld dat het bij een groot aantal Poolse werknemers gebruikelijk was om een periode veel te werken, om vervolgens een paar maanden naar Polen te gaan en niet te werken. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat deze werknemers geen vrijheid hadden om de extra uren niet te maken. Tot slot volgt uit de verklaringen van [getuige] en [de eiser] niet hoeveel zij zouden hebben overgewerkt. Al met al is [de eiser] er niet in geslaagd om het opgedragen bewijs te leveren. Bewijsopdracht 3: reiskostenvergoeding 3.12. Zoals al in het tussenvonnis is overwogen, is het verstrekken en gebruiken van tankbonnen in beginsel aan te merken als vergoeding van reiskosten op basis van de cao. Het betreft immers een minimum cao en dit betekent dat partijen daarvan af kunnen wijken, zolang [de eiser] maar ontvangt waarop hij krachtens de cao recht heeft. In het tussenvonnis is Holland Wood daarom opgedragen te bewijzen tot welk bedrag per jaar gebruik is gemaakt van de persoonlijk aan [de eiser] verstrekte tankbonnen en of zij daarmee voldaan heeft aan het bepaalde in artikel 13 van de cao. 3.13. Holland Wood heeft ter onderbouwing daarvan een 105-tal tankbonnen, alsmede een overzicht daarvan verstrekt. [de eiser] heeft erkend dat hij tankbonnen heeft ontvangen. De kantonrechter gaat ervan uit dat de overgelegde tankbonnen, omdat het kenteken van de auto van [de eiser] daarop vermeld staat, door [de eiser] zijn gebruikt, dan wel zijn verkocht. Verder stelt de kantonrechter vast dat uit artikel 13 lid 1 van de cao volgt dat de regeling uit artikel 13 van de cao niet van toepassing is, als de werknemer op eigen initiatief verhuist naar een woonplaats verder gelegen van de werkplaats. Wel behoudt de werknemer dan het recht op vergoeding dat hij reeds kreeg. Dit betekent dat [de eiser] tot 4 september 2020 in beginsel recht heeft op een vergoeding van € 121,00 per maand en vanaf 12 oktober 2020 op een vergoeding van € 160,00 per maand. Immers, [de eiser] is op die datum opnieuw in dienst getreden bij Holland Wood. Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat hij toen woonachtig was op de [adres] in [woonplaats] en op 25,3 kilometer van de werkplek woonde. Volgens de toepasselijke cao heeft hij bij een afstand van 21 kilometer of meer recht op € 160,00 per maand. 3.13.1. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Holland Wood, mede gelet op het voorgaande, voor 2018 en 2019 voldaan aan het bepaalde in artikel 13 van de cao. Immers, naast de bedragen van de tankbonnen (in 2018 € 1.237,50 en 2019 € 1.154,50) heeft [de eiser] ook nog een bedrag van € 842,00 (in 2018) en € 457,00 (2019) aan reiskostenvergoeding ontvangen. Voor 2020 geldt dat [de eiser] , mede gelet op artikelen 13 en 15 van de cao, tot 4 september 2020 recht heeft op € 5,58 per gewerkte dag en vanaf 12 oktober 2020 op € 7,38 per gewerkte dag. In totaal heeft [de eiser] in 2020 recht op € 1.363,86 ( 173 maal € 5,58 per gewerkte dag en 54 maal € 7,38 per gewerkte dag) aan reiskosten. Holland Wood heeft een bedrag van € 711,00 (€ 277,00 aan reiskostenvergoeding en € 434,00 aan tankbonnen) aan reiskostenvergoeding betaald. [de eiser] heeft daarom voor 2020 nog recht op een bedrag van € 652,86 (€ 1.363,86 minus € 711,00) aan reiskostenvergoeding. Voor 2021 heeft hij nog recht op een bedrag van € 1.677,96 (243 maal € 7,38 per gewerkte dag minus 108,00 aan tankbonnen) en voor 2022 heeft hij nog recht op een bedrag van € 287,90 (80 maal € 7,38 minus 302,50 aan tankbonnen) aan reiskostenvergoeding. Samenvattend wijst de kantonrechter een bedrag van € 2.676,86 netto aan reiskostenvergoeding toe. Wettelijke rente 3.14. Ook de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het achterstallig loon, de wettelijke verhoging en reiskosten zijn toewijsbaar, zoals hierna bepaald. 3.15. Holland Wood is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 132,42 - griffierecht € 693,00 - salaris gemachtigde € 2.445,00 (3,00 punten × € 815,00) - taxe [getuige] € 40,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.445,42 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. veroordeelt Holland Wood om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 38.959,42 bruto aan achterstallig loon en € 2.676,86 netto aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van maximaal 50% over het achterstallig loon van € 38.959,42 bruto, 4.2. veroordeelt Holland Wood om aan [de eiser] te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de onder rechtsoverweging 4.1. genoemde bedragen vanaf 24 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, 4.3. veroordeelt Holland Wood in de proceskosten van € 3.445,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Holland Wood niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2024. 43576\415
Volledig
De kantonrechter ziet aanleiding om een verhoging van maximaal 50% toe te wijzen over de nabetaling van het loon, de vakantietoeslag en de doorbetaling van de vakantiedagen, feestdagen en roostervrije tijd over de periode 2018 tot en met 2022, omdat Holland Wood, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 7:625 en 7:628 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de artikelen 7:639 en 7:641 BW, niet binnen de geldende termijn heeft betaald, terwijl zij beter had moeten weten. Bewijsopdracht 2: overwerk 3.10. In het tussenvonnis is [de eiser] verder opgedragen te bewijzen dat hij overuren heeft gemaakt zoals hij heeft gevorderd en in wiens opdracht hij deze uren verricht heeft. In dat kader heeft [de eiser] zichzelf en [getuige] als getuigen doen horen. 3.11. Uit artikel 21 van de cao volgt dat de werkgever in bijzondere omstandigheden gerechtigd is overwerk te laten verrichten. Dit kan echter alleen met instemming van de meerderheid van de bij het overwerk betrokken werknemers. De werknemer is dan gehouden het overwerk te verrichten. Gesteld noch gebleken is dat van zo’n situatie sprake is geweest. Integendeel, uit de verklaringen van [getuige] en [de eiser] volgt dat het werken buiten de reguliere werktijden op vrijwillige basis was. Hoewel voorstelbaar is, tegen de achtergrond dat [de eiser] jarenlang te weinig salaris heeft ontvangen, dat door Poolse werknemers meer uren werden gemaakt om een bepaald inkomensniveau te halen, heeft [de eiser] zijn stelling dat het daarmee een verplicht karakter heeft gekregen onvoldoende onderbouwd. Holland Wood heeft daar immers tegenover gesteld dat het bij een groot aantal Poolse werknemers gebruikelijk was om een periode veel te werken, om vervolgens een paar maanden naar Polen te gaan en niet te werken. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat deze werknemers geen vrijheid hadden om de extra uren niet te maken. Tot slot volgt uit de verklaringen van [getuige] en [de eiser] niet hoeveel zij zouden hebben overgewerkt. Al met al is [de eiser] er niet in geslaagd om het opgedragen bewijs te leveren. Bewijsopdracht 3: reiskostenvergoeding 3.12. Zoals al in het tussenvonnis is overwogen, is het verstrekken en gebruiken van tankbonnen in beginsel aan te merken als vergoeding van reiskosten op basis van de cao. Het betreft immers een minimum cao en dit betekent dat partijen daarvan af kunnen wijken, zolang [de eiser] maar ontvangt waarop hij krachtens de cao recht heeft. In het tussenvonnis is Holland Wood daarom opgedragen te bewijzen tot welk bedrag per jaar gebruik is gemaakt van de persoonlijk aan [de eiser] verstrekte tankbonnen en of zij daarmee voldaan heeft aan het bepaalde in artikel 13 van de cao. 3.13. Holland Wood heeft ter onderbouwing daarvan een 105-tal tankbonnen, alsmede een overzicht daarvan verstrekt. [de eiser] heeft erkend dat hij tankbonnen heeft ontvangen. De kantonrechter gaat ervan uit dat de overgelegde tankbonnen, omdat het kenteken van de auto van [de eiser] daarop vermeld staat, door [de eiser] zijn gebruikt, dan wel zijn verkocht. Verder stelt de kantonrechter vast dat uit artikel 13 lid 1 van de cao volgt dat de regeling uit artikel 13 van de cao niet van toepassing is, als de werknemer op eigen initiatief verhuist naar een woonplaats verder gelegen van de werkplaats. Wel behoudt de werknemer dan het recht op vergoeding dat hij reeds kreeg. Dit betekent dat [de eiser] tot 4 september 2020 in beginsel recht heeft op een vergoeding van € 121,00 per maand en vanaf 12 oktober 2020 op een vergoeding van € 160,00 per maand. Immers, [de eiser] is op die datum opnieuw in dienst getreden bij Holland Wood. Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat hij toen woonachtig was op de [adres] in [woonplaats] en op 25,3 kilometer van de werkplek woonde. Volgens de toepasselijke cao heeft hij bij een afstand van 21 kilometer of meer recht op € 160,00 per maand. 3.13.1. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Holland Wood, mede gelet op het voorgaande, voor 2018 en 2019 voldaan aan het bepaalde in artikel 13 van de cao. Immers, naast de bedragen van de tankbonnen (in 2018 € 1.237,50 en 2019 € 1.154,50) heeft [de eiser] ook nog een bedrag van € 842,00 (in 2018) en € 457,00 (2019) aan reiskostenvergoeding ontvangen. Voor 2020 geldt dat [de eiser] , mede gelet op artikelen 13 en 15 van de cao, tot 4 september 2020 recht heeft op € 5,58 per gewerkte dag en vanaf 12 oktober 2020 op € 7,38 per gewerkte dag. In totaal heeft [de eiser] in 2020 recht op € 1.363,86 ( 173 maal € 5,58 per gewerkte dag en 54 maal € 7,38 per gewerkte dag) aan reiskosten. Holland Wood heeft een bedrag van € 711,00 (€ 277,00 aan reiskostenvergoeding en € 434,00 aan tankbonnen) aan reiskostenvergoeding betaald. [de eiser] heeft daarom voor 2020 nog recht op een bedrag van € 652,86 (€ 1.363,86 minus € 711,00) aan reiskostenvergoeding. Voor 2021 heeft hij nog recht op een bedrag van € 1.677,96 (243 maal € 7,38 per gewerkte dag minus 108,00 aan tankbonnen) en voor 2022 heeft hij nog recht op een bedrag van € 287,90 (80 maal € 7,38 minus 302,50 aan tankbonnen) aan reiskostenvergoeding. Samenvattend wijst de kantonrechter een bedrag van € 2.676,86 netto aan reiskostenvergoeding toe. Wettelijke rente 3.14. Ook de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het achterstallig loon, de wettelijke verhoging en reiskosten zijn toewijsbaar, zoals hierna bepaald. 3.15. Holland Wood is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 132,42 - griffierecht € 693,00 - salaris gemachtigde € 2.445,00 (3,00 punten × € 815,00) - taxe [getuige] € 40,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.445,42 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. veroordeelt Holland Wood om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 38.959,42 bruto aan achterstallig loon en € 2.676,86 netto aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van maximaal 50% over het achterstallig loon van € 38.959,42 bruto, 4.2. veroordeelt Holland Wood om aan [de eiser] te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de onder rechtsoverweging 4.1. genoemde bedragen vanaf 24 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, 4.3. veroordeelt Holland Wood in de proceskosten van € 3.445,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Holland Wood niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2024. 43576\415