Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-12-13
ECLI:NL:RBGEL:2024:9868
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,976 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11257085 \ CV EXPL 24-2425
Vonnis van 13 december 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [eiser 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,3. [eiser 3],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [gezamenlijke eisers] , of ieder afzonderlijk: [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,
gemachtigde: mr. L.H. Toonen,
tegen
[gedaagde 1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek
- de akte van [gezamenlijke eisers]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben zich in februari/maart 2024 onafhankelijk van elkaar via de website [naam website] ingeschreven voor de online training [naam training] .
2.2.
[gezamenlijke eisers] hebben voor deze training geld overgemaakt op de bankrekening van ‘ [naam] via [gedaagde 1] ’: [eiser 1] op 9 maart 2024 een bedrag van € 5.995,--, [eiser 2] op 27 februari 2024 een bedrag van € 4.495,-- en [eiser 3] op 29 februari een bedrag van € 4.495,--.
2.3.
[gezamenlijke eisers] waren niet tevreden over de kwaliteit van de training en hebben dit ieder afzonderlijk per e-mail van 5 april 2024 via het e-mailadres [e-mailadres] aan [naam 2] en [naam 3] laten weten, met de mededeling dat zij zich afmeldden voor de training, met het verzoek tot terugbetaling van het cursusgeld.
2.4.
[eiser 1] heeft geen terugbetaling van het cursusgeld ontvangen. [eiser 2] en [eiser 3] hebben wel ieder een bedrag van € 1.502,50 terug ontvangen vanaf een bankrekening ten name van [gedaagde 1]
2.5.
[gezamenlijke eisers] hebben een gemachtigde ingeschakeld, die [gedaagde 1] op 30 april 2024 (namens [eiser 1] ), op 7 juni 2024 (namens [eiser 2] ) en op 14 juni 2024 (namens [eiser 3] ) heeft aangeschreven en gesommeerd tot terugbetaling van het (resterende) cursusgeld met een beroep op vernietiging van de overeenkomst per 5 april 2024.
[gedaagde 1] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
3De vordering
3.1.
[gezamenlijke eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam 2] & [naam 3] te veroordelen:
I. om aan [eiser 1] € 5.995,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;
II. om aan [eiser 2] € 2.993,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;
III. om aan [eiser 3] € 2.993,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;
IV. om aan [eiser 1] € 674,75 exclusief btw te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
V. om aan [eiser 2] € 424,30 exclusief btw te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
VI. om aan [eiser 3] € 424,30 exclusief btw te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
VII. in de proceskosten van [gezamenlijke eisers] , inclusief nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis tot de datum van volledige betaling.
3.2.
[gezamenlijke eisers] leggen primair aan hun vorderingen ten grondslag dat zij de training op grond van artikel 7:408 lid 1 BW hebben mogen opzeggen en dat het cursusgeld door de opzegging onverschuldigd is betaald dan wel dat [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt. Zij stellen ook dat zij hebben gedwaald bij de totstandkoming van de overeenkomst. Zij hadden op basis van de uitingen van [naam 2] en [naam 3] veel hogere verwachtingen van de training, zodat wil en verklaring niet overeenkomen en geen overeenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair stellen zij dat sprake is van een wanprestatie van [naam 2] en [naam 3] . Het niveau van de aangeboden training was veel te laag en onprofessioneel en uit de mails van [naam 2] en [naam 3] kon worden opgemaakt dat zij blijvend tekort zouden schieten in de nakoming van de overeenkomst. Zij hebben de opdrachtovereenkomst rechtsgeldig kunnen beëindigen, aldus [gezamenlijke eisers] , en zij vorderen het cursusgeld terug als schadevergoeding op grond van artikel 6:74 lid 1 BW.
3.3.
[gedaagde 1] verzoekt in haar reactie op de dagvaarding om [gezamenlijke eisers] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Zij stelt dat [gezamenlijke eisers] geen trainingen hebben gekocht van [gedaagde 1] maar van het bedrijf met de naam ‘ [naam] ’, gevestigd in [vestigingsplaats] en met KvK nummer [kvk-nummer] . Dit blijkt volgens haar duidelijk uit de informatie op de website, uit de algemene voorwaarden, uit de facturatie en uit de e-mailcorrespondentie. Dat op de bankafschriften van [gezamenlijke eisers] staat dat de betaling is gedaan aan ‘ [naam] via [gedaagde 1] ’ komt omdat dit een subrekening is van [gedaagde 1] bij Knab, aldus [gedaagde 1] . [gezamenlijke eisers] hebben volgens haar de verkeerde partij gedagvaard.
3.4.
[gezamenlijke eisers] verzetten zich tegen de verzochte niet-ontvankelijk verklaring. Zij voeren (bij repliek) aan dat [gedaagde 1] de verwarring over de aan te spreken partij zelf heeft gecreëerd. Zij voeren daartoe verschillende argumenten aan. Op de website [naam website] , via welke website zij de training hebben gekocht, staat op verschillende plekken het KvK nummer [kvk-nummer] van [gedaagde 1] genoemd. Kort na de dagvaarding heeft [gedaagde 1] dit nummer op de website op enkele plekken gewijzigd in KvK-nummer [kvk-nummer] van [naam] te [vestigingsplaats] . Achter beide bedrijven zitten dezelfde personen namelijk het echtpaar [naam 2] en [naam 3] . De handelsnaam van [gedaagde 1] is ook ‘ [naam] ’, hetgeen de verwarring bevordert. De trainingen worden in en vanuit Nederland gegeven. De algemene voorwaarden vermelden dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is, waarmee volgens [gezamenlijke eisers] wordt benadrukt dat er in Nederland gecontracteerd wordt. De facturen vanuit [naam] zijn pas verstuurd na de totstandkoming van de overeenkomst, zodat voor hen op het moment van het tot stand komen van de overeenkomst en ten tijde van de betaling niet duidelijk was dat zij niet met een Nederlandse partij contracteerden. De betaalde bedragen zijn afgeschreven van ‘ [naam] via [gedaagde 1] ’ en de al gedane terugbetalingen aan [eiser 2] en [eiser 3] zijn gedaan vanuit [gedaagde 1] , aldus ten slotte [gezamenlijke eisers] , zodat zij van [gedaagde 1] (terug)betaling van het cursusgeld kunnen vorderen en wél kunnen worden ontvangen in hun vordering op grond van onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking. Zij zijn, voor zover nodig, bereid om te onderzoeken of de [vestigingsplaats] vennootschap vrijwillig zal verschijnen. Indien dit niet het geval is, verzoeken zij om proceseconomische reden een nieuwe roldatum voor dagvaarding / oproeping van die vennootschap ex artikel 118 Rv.
3.5.
[gedaagde 1] blijft (bij dupliek) bij haar standpunt dat [gezamenlijke eisers] niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. Zij betwist dat er onduidelijkheid kan bestaan over de contractspartij van de online training. De planning van het online kennismakingsgesprek voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft volledig in de huisstijl van [naam] plaatsgevonden. De website is ook geheel in deze huisstijl vormgegeven. Het verkeerde KvK-nummer op de contactpagina was een vergissing van de websitebouwer, maar het juiste KvK-nummer staat op dezelfde contactpagina, maar dan een centimeter lager, en ook in de toepasselijke algemene voorwaarden, die op verschillende plaatsen op de website zijn terug te vinden en, na aanklikken, zijn te lezen. Het juiste KvK-nummer en de juiste bedrijfsnaam staan ook op de facturen, zo voert [gedaagde 1] ten slotte aan. [gedaagde 1] is geen partij in deze zaak en heeft niets met de vorderingen te maken, is haar conclusie.
3.6.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde 1] voert alleen een niet-ontvankelijkheidsverweer.
Ontvankelijkheid
4.2.
Voor zover [gedaagde 1] heeft bedoeld om vóór alle (andere) verweren een – incidentele – vordering tot niet-ontvankelijkverklaring in te stellen, met de bedoeling om eerst een beslissing over de ontvankelijkheid te krijgen en daarna pas, alleen indien het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt afgewezen, inhoudelijk verweer te voeren op de gestelde dwaling bij het sluiten van de overeenkomst of tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, overweegt de kantonrechter het volgende.
4.3.
[gedaagde 1] stelt dat [gezamenlijke eisers] geen contract zijn aangegaan met [gedaagde 1] . Mede gelet op het verweer dat [gezamenlijke eisers] hiertegen hebben gevoerd en het feit dat [gezamenlijke eisers] zich beroepen op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, is een inhoudelijk oordeel nodig over de vraag tussen welke partijen een overeenkomst is gesloten. Het feit dat [gedaagde 1] zelf ook ‘ [naam] ’ als handelsnaam heeft ingeschreven en gebruikt, in samenhang met het feit dat zij op haar website ook het KvK-nummer van [gedaagde 1] (heeft) gebruikt én het feit dat [gedaagde 1] aan [eiser 2] en [eiser 3] ieder een bedrag van € 1.502,50 heeft terugbetaald, maakt dat haar niet-ontvankelijkheidsverweer, naar het oordeel van de kantonrechter, niet slaagt, in elk geval niet voor zover de vordering is gebaseerd op onverschuldigde betaling / ongerechtvaardigde verrijking. Of al dan niet met [gedaagde 1] is gecontracteerd, zal nader moeten worden beoordeeld. Het verzoek tot het direct niet-ontvankelijk verklaren van [gezamenlijke eisers] in hun vorderingen wordt dan ook afgewezen.
Oproeping op grond van artikel 118 Rv
4.4.
Artikel 118 Rv geeft (procedurele) regels voor de oproeping van derden als partij in een procedure. Voor oproeping van een derde kan aanleiding bestaan als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, op basis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling of op basis van de juridische verhouding tussen (één van) partijen en die derde.
4.5.
Gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding of dat een wettelijke bepaling de oproeping van [naam] te [vestigingsplaats] voorschrijft.
4.6.
In het kader van de juridische verhouding tussen (één van) partijen en de derde(n) is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:485) het volgende heeft overwogen (r.o. 3.1.3):
“Voor het geven van die gelegenheid (aanvulling kantonrechter: tot oproeping van een derde) zal aanleiding kunnen bestaan indien sprake is van samenhangende vorderingen (…) en de proceseconomie gediend is met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure. De rechter kan ook ambtshalve overgaan tot het bieden van die gelegenheid indien een zodanige vordering (…) is ingesteld. (…)”
De Hoge Raad heeft verder in zijn arrest van 5 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:177) het volgende overwogen:
“De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter die – naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve – vaststelt dat niet alle partijen bij de te vernietigen rechtshandeling in het geding zijn betrokken, gelegenheid moet geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn.”.
4.7.
[gezamenlijke eisers] baseren hun vorderingen onder meer op dwaling bij het aangaan van de overeenkomst en op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Omdat naar het oordeel van de kantonrechter door toedoen van [gedaagde 1] onduidelijk is of [gezamenlijke eisers] de overeenkomst met [gedaagde 1] of met [naam] te [vestigingsplaats] hebben gesloten, en beide partijen dezelfde bestuurders / eigenaren hebben, is naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op hiervoor genoemde overwegingen van de Hoge Raad, mogelijk sprake van samenhang tussen de (grondslagen van de) vorderingen en is de proceseconomie gediend met beoordeling, indien nodig, van ook de subsidiaire grondslag van de vorderingen in deze procedure. Dit betekent dat er aanleiding is om [gezamenlijke eisers] toe te staan om [naam] te [vestigingsplaats] als partij in het geding op te roepen.
4.8.
Het verzoek de derde partij in het geding te mogen oproepen zal dus worden toegewezen. [gezamenlijke eisers] zullen in de gelegenheid worden gesteld [naam] te [vestigingsplaats] op te roepen als partij in het geding. Die oproeping dient plaats te vinden met inachtneming van de in artikel 118 Rv en artikel 55 Rv genoemde voorschriften voor [vestigingsplaats] , waarbij op grond van artikel 115 Rv een termijn van drie maanden tussen het moment van betekenen en de eerste behandeldatum bij de rechtbank in acht moet worden genomen. Afhankelijk van het al dan niet verschijnen van [naam] te [vestigingsplaats] zal de kantonrechter dan het vervolg van de procedure bepalen.
4.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
staat [gezamenlijke eisers] toe om met inachtneming van het bepaalde in artikel 118 Rv, [naam] te [vestigingsplaats] op te roepen om uiterlijk op vrijdag 11 april 2025 in deze procedure te verschijnen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
13 december 2024.
560\636