Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-12-06
ECLI:NL:RBGEL:2024:9803
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,338 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2822
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: [naam gemachtigde])
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een bewonersvergunning.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 juli 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 december 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. Het beroep is daar geregistreerd onder zaaknummer UTR 23/593. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep op 15 januari 2024 verwezen naar de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland heeft het beroep voortgezet onder zaaknummer ARN 24/2822.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Namens het college heeft niemand aan de zitting deelgenomen.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres woont in een appartementencomplex in [plaats]. Achter dit gebouw bevindt zich een parkeergarage met parkeerdek. Deze parkeergarage is bij de bouw van het appartementencomplex gerealiseerd door de woningcorporatie en was tot 2021 eigendom van de gemeente. In 2021 heeft de gemeente de parkeergarage verkocht aan het bedrijf [bedrijf].
2.1.
Het college heeft de aanvraag om een bewonersvergunning afgewezen, omdat de woning van eiseres geregistreerd staat als een woning met een voorziening voor parkeren op eigen terrein (een zogenoemde POET-registratie). Eiseres heeft volgens het college de mogelijkheid om tegen een gereduceerd tarief een abonnement af te sluiten voor de parkeergarage achter haar appartementencomplex. Zij komt daarom niet in aanmerking voor een bewonersvergunning.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een bewonersvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep is gegrond. Het college heeft niet goed uitgelegd waarom hij de aanvraag om een bewonersvergunning heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht het college stellen dat eiseres kan parkeren op eigen terrein?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat het college niet mocht stellen dat zij kan parkeren op eigen terrein. Eiseres vindt dat zij haar auto vóór de verkoop van de parkeergarage op eigen terrein kon parkeren, maar dat dit nu niet meer zo is. Door de verkoop van de parkeergarage aan [bedrijf] zijn de prijzen voor de parkeerplaatsen in de parkeergarage sterk gestegen. Eiseres betaalde eerst € 40 per maand voor een parkeerplaats, maar zou nu € 240 per maand moeten betalen. Eiseres kan dat niet betalen. Daarnaast heeft [bedrijf] de huur van alle parkeerplaatsen per 1 april 2023 opgezegd en aan de bewoners laten weten dat zij alleen mochten blijven parkeren als zij het nieuwe tarief zouden betalen. Eiseres heeft daarbij als bewoner niet de mogelijkheid om – zoals het college stelt – een parkeerplaats te huren tegen een goedkoper tarief. De parkeergarage is ook niet meer uitsluitend voor bewoners van dat blok, want iedereen kan een plek huren.
5.1.
Het college wijst een aanvraag om een bewonersvergunning af als de bewoner kan parkeren op eigen terrein. Dat is (onder andere) het geval als de bewoner beschikt of kan beschikken over een parkeerplaats door huur of koop, of als de bewoner aanspraak kan maken op een parkeerplaats omdat deze voor de woning van de bewoner is bedoeld of een voormalige parkeerplaats op eigen terrein die mede door toedoen van de bewoner een andere bestemming heeft gekregen.
5.2.
De beroepsgrond van eiseres slaagt. De rechtbank vindt allereerst dat het college niet goed heeft uitgelegd welke juridische situatie nu precies op eiseres van toepassing is. Verder vindt de rechtbank dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de stelling van eiseres dat zij de nieuwe huurprijs voor de parkeerplaatsen niet kan betalen. De rechtbank legt dat hierna uit.
5.2.1.
De Parkeerverordening 2021 noemt, zoals onder 5.1 omschreven, verschillende gevallen waarin sprake is van een mogelijkheid om op eigen terrein te parkeren. Uit het bestreden besluit blijkt alleen niet welk van die gevallen voor eiseres geldt. Het college heeft in het bestreden besluit wel opgeschreven dat “artikel 2 sub B” op de situatie van eiseres van toepassing is, maar dat is slechts de juridische reden om de aanvraag voor de bewonersvergunning af te wijzen (in dit geval: dat eiseres kan parkeren op eigen terrein). Het college legt daarmee niet uit welk geval uit de Parkeerverordening 2021 op eiseres van toepassing is, en dus niet wat precies de reden is dat hij vindt dat eiseres kan parkeren op eigen terrein. Daarom is het bestreden besluit op dit punt, zoals dat juridisch heet, onvoldoende gemotiveerd.
5.2.2.
Daarnaast heeft eiseres in haar bezwaar opgeschreven dat zij de nieuwe huurprijs van de parkeerplaats niet kan betalen. Het college heeft daarop gereageerd dat eiseres wellicht via de afdeling ‘Bijzondere bijstand’ van de gemeente Amersfoort om hulp kan vragen. De rechtbank vindt dat onvoldoende. Het college had als reactie op het bezwaar van eiseres ten minste moeten uitleggen waarom hij vindt dat eiseres – ook al kan zij de nieuwe huurprijs niet betalen – tóch op eigen terrein kan parkeren. Door alleen te verwijzen naar de (theoretische) mogelijkheid om bijzondere bijstand te vragen heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke situatie van eiseres. Het bestreden besluit is dus ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
5.3.
Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.
Is de afwijzing van de aanvraag in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
6. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit al omdat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank hoeft de beroepsgrond van eiseres over het gelijkheidsbeginsel daarom niet te bespreken.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank moet in dit geval kijken of zij het verschil van mening tussen eiseres en het college over de bewonersvergunning zo veel mogelijk in deze procedure kan oplossen, zodat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen. De rechtbank ziet daar geen mogelijkheden voor. De rechtbank kan de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand laten, omdat het college de motivering van het bestreden besluit niet in het verweerschrift of op de zitting heeft verbeterd. De rechtbank kan ook niet beslissen dat eiseres alsnog een bewonersvergunning krijgt (het zogenoemde ‘zelf in de zaak voorzien’), omdat de rechtbank onvoldoende informatie heeft om die beslissing te nemen. Tot slot zal de rechtbank het college ook niet in de gelegenheid stellen om de motivering van het bestreden besluit alsnog te verbeteren (de zogenoemde ‘bestuurlijke lus’), omdat de rechtbank dat niet op zitting met het college heeft kunnen bespreken. Het is daarom niet duidelijk of het college van die gelegenheid gebruik zal maken. De rechtbank zal het college daarom opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen en het college daarvoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak geven.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres in principe een vergoeding voor haar proceskosten. Eiseres heeft alleen geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Het college moet daarom alleen het betaalde griffierecht aan eiseres terugbetalen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland gedaan op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Eiseres wijst hierbij op een Marktplaats-advertentie van [bedrijf].
Dat staat in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit Uitgifte Parkeervergunningen 2022 van de gemeente Amersfoort, zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit.
Dat staat in artikel 1, onder t, van de Parkeerverordening 2021 van de gemeente Amersfoort, zoals die gold op het moment van het bestreden besluit.
De rechtbank gaat ervan uit dat het college doelt op de bepaling genoemd in voetnoot 3.
Dat staat in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2822
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: [naam gemachtigde])
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een bewonersvergunning.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 juli 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 december 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. Het beroep is daar geregistreerd onder zaaknummer UTR 23/593. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep op 15 januari 2024 verwezen naar de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland heeft het beroep voortgezet onder zaaknummer ARN 24/2822.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Namens het college heeft niemand aan de zitting deelgenomen.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres woont in een appartementencomplex in [plaats]. Achter dit gebouw bevindt zich een parkeergarage met parkeerdek. Deze parkeergarage is bij de bouw van het appartementencomplex gerealiseerd door de woningcorporatie en was tot 2021 eigendom van de gemeente. In 2021 heeft de gemeente de parkeergarage verkocht aan het bedrijf [bedrijf].
2.1.
Het college heeft de aanvraag om een bewonersvergunning afgewezen, omdat de woning van eiseres geregistreerd staat als een woning met een voorziening voor parkeren op eigen terrein (een zogenoemde POET-registratie). Eiseres heeft volgens het college de mogelijkheid om tegen een gereduceerd tarief een abonnement af te sluiten voor de parkeergarage achter haar appartementencomplex. Zij komt daarom niet in aanmerking voor een bewonersvergunning.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een bewonersvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep is gegrond. Het college heeft niet goed uitgelegd waarom hij de aanvraag om een bewonersvergunning heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht het college stellen dat eiseres kan parkeren op eigen terrein?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat het college niet mocht stellen dat zij kan parkeren op eigen terrein. Eiseres vindt dat zij haar auto vóór de verkoop van de parkeergarage op eigen terrein kon parkeren, maar dat dit nu niet meer zo is. Door de verkoop van de parkeergarage aan [bedrijf] zijn de prijzen voor de parkeerplaatsen in de parkeergarage sterk gestegen. Eiseres betaalde eerst € 40 per maand voor een parkeerplaats, maar zou nu € 240 per maand moeten betalen. Eiseres kan dat niet betalen. Daarnaast heeft [bedrijf] de huur van alle parkeerplaatsen per 1 april 2023 opgezegd en aan de bewoners laten weten dat zij alleen mochten blijven parkeren als zij het nieuwe tarief zouden betalen. Eiseres heeft daarbij als bewoner niet de mogelijkheid om – zoals het college stelt – een parkeerplaats te huren tegen een goedkoper tarief. De parkeergarage is ook niet meer uitsluitend voor bewoners van dat blok, want iedereen kan een plek huren.
5.1.
Het college wijst een aanvraag om een bewonersvergunning af als de bewoner kan parkeren op eigen terrein. Dat is (onder andere) het geval als de bewoner beschikt of kan beschikken over een parkeerplaats door huur of koop, of als de bewoner aanspraak kan maken op een parkeerplaats omdat deze voor de woning van de bewoner is bedoeld of een voormalige parkeerplaats op eigen terrein die mede door toedoen van de bewoner een andere bestemming heeft gekregen.
5.2.
De beroepsgrond van eiseres slaagt. De rechtbank vindt allereerst dat het college niet goed heeft uitgelegd welke juridische situatie nu precies op eiseres van toepassing is. Verder vindt de rechtbank dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de stelling van eiseres dat zij de nieuwe huurprijs voor de parkeerplaatsen niet kan betalen. De rechtbank legt dat hierna uit.
5.2.1.
De Parkeerverordening 2021 noemt, zoals onder 5.1 omschreven, verschillende gevallen waarin sprake is van een mogelijkheid om op eigen terrein te parkeren. Uit het bestreden besluit blijkt alleen niet welk van die gevallen voor eiseres geldt. Het college heeft in het bestreden besluit wel opgeschreven dat “artikel 2 sub B” op de situatie van eiseres van toepassing is, maar dat is slechts de juridische reden om de aanvraag voor de bewonersvergunning af te wijzen (in dit geval: dat eiseres kan parkeren op eigen terrein). Het college legt daarmee niet uit welk geval uit de Parkeerverordening 2021 op eiseres van toepassing is, en dus niet wat precies de reden is dat hij vindt dat eiseres kan parkeren op eigen terrein. Daarom is het bestreden besluit op dit punt, zoals dat juridisch heet, onvoldoende gemotiveerd.
5.2.2.
Daarnaast heeft eiseres in haar bezwaar opgeschreven dat zij de nieuwe huurprijs van de parkeerplaats niet kan betalen. Het college heeft daarop gereageerd dat eiseres wellicht via de afdeling ‘Bijzondere bijstand’ van de gemeente Amersfoort om hulp kan vragen. De rechtbank vindt dat onvoldoende. Het college had als reactie op het bezwaar van eiseres ten minste moeten uitleggen waarom hij vindt dat eiseres – ook al kan zij de nieuwe huurprijs niet betalen – tóch op eigen terrein kan parkeren. Door alleen te verwijzen naar de (theoretische) mogelijkheid om bijzondere bijstand te vragen heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke situatie van eiseres. Het bestreden besluit is dus ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
5.3.
Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.
Is de afwijzing van de aanvraag in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
6. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit al omdat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank hoeft de beroepsgrond van eiseres over het gelijkheidsbeginsel daarom niet te bespreken.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank moet in dit geval kijken of zij het verschil van mening tussen eiseres en het college over de bewonersvergunning zo veel mogelijk in deze procedure kan oplossen, zodat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen. De rechtbank ziet daar geen mogelijkheden voor. De rechtbank kan de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand laten, omdat het college de motivering van het bestreden besluit niet in het verweerschrift of op de zitting heeft verbeterd. De rechtbank kan ook niet beslissen dat eiseres alsnog een bewonersvergunning krijgt (het zogenoemde ‘zelf in de zaak voorzien’), omdat de rechtbank onvoldoende informatie heeft om die beslissing te nemen. Tot slot zal de rechtbank het college ook niet in de gelegenheid stellen om de motivering van het bestreden besluit alsnog te verbeteren (de zogenoemde ‘bestuurlijke lus’), omdat de rechtbank dat niet op zitting met het college heeft kunnen bespreken. Het is daarom niet duidelijk of het college van die gelegenheid gebruik zal maken. De rechtbank zal het college daarom opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen en het college daarvoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak geven.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres in principe een vergoeding voor haar proceskosten. Eiseres heeft alleen geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Het college moet daarom alleen het betaalde griffierecht aan eiseres terugbetalen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland gedaan op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Eiseres wijst hierbij op een Marktplaats-advertentie van [bedrijf].
Dat staat in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit Uitgifte Parkeervergunningen 2022 van de gemeente Amersfoort, zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit.
Dat staat in artikel 1, onder t, van de Parkeerverordening 2021 van de gemeente Amersfoort, zoals die gold op het moment van het bestreden besluit.
De rechtbank gaat ervan uit dat het college doelt op de bepaling genoemd in voetnoot 3.
Dat staat in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht.