Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-12-16
ECLI:NL:RBGEL:2024:9072
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,789 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-149235-24
Datum uitspraak : 16 december 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. R.T.A. Slof, advocaat in Cuijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 december 2024.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2017 en 1 juli 2019te Nijmegen en/of te Gennep, in elk geval in Nederland,met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nogniet had bereikt en/of die toen aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheidvan verdachte was toevertrouwd,buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te wetenhet op en/of onder de kleding betasten van de (binnenzijde van de) bovenbenenen/of de heupen en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de (onder)buik en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de (onder)rug en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of de tepels en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de billen,waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 1] (telkens) (onder meer) de woorden heefttoegevoegd: “Wat ik nu bij je ga doen, vind je vast wel fijn” en/of “Ik vind dit fijn”en/of “We gaan dit ergens anders doen, anders wordt oma jaloers” en/of “Ik moet erecht mee stoppen, want ik wordt er bloedje geil van”, althans (telkens) woorden vangelijke aard en/of strekking;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2013 en 6 december 2018 te Nijmegen en/of te Gennep, in elk geval in Nederland,met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt en/of die toen aan de zorg en/of opleiding en/ofwaakzaamheid van verdachte was toevertrouwd,buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te wetenhet op en/of onder de kleding betasten van de (binnenzijde van de) bovenbenen
en/of de heupen en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de (onder)buik en/of de liezen en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de (onder)rug en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of de tepels en/ofhet op en/of onder de kleding betasten van de billen en/ofhet kussen in de nek/hals, althans het duwen/drukken van zijn, verdachtes’ mondtegen de nek/hals,waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (telkens) (onder meer) de woorden heefttoegevoegd: “Dit ga je later fijn en heel lekker vinden” en/of “Ik moet er echt mee stoppen, wantik wordt er bloedje geil van”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.
2De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Ten aanzien van het bewijs heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar zijn en dat de aangiftes worden ondersteund door getuigenverklaringen van personen die dit al voordat het naar buiten komt gehoord hebben en waarvan één getuige ook een gedragsverandering en emotie heeft waargenomen.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.
Overwegingen
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken, zoals onderhavige, bewijstechnisch lastige zaken kunnen zijn. Kenmerkend is veelal de aanwezigheid van slechts twee personen bij de verweten ontuchtige handelingen: de persoon die stelt slachtoffer te zijn geweest en de verdachte. Daarbij staan de verklaringen van deze personen vaak lijnrecht tegenover elkaar, waarbij er geen andere personen zijn die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen.
Bij de waardering van het bewijs en de beoordeling van de tenlastelegging is van belang dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige waargenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het steunbewijs hoeft bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van een aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Indien een verklaring van een getuige (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van een aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 1
Verdachte ontkent het tenlastegelegde en op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er naast de aangifte één getuige is, mevrouw [getuige 1] (oma moederszijde van aangeefster), die van aangeefster heeft gehoord wat haar zou zijn overkomen.
De rechtbank stelt vast dat voornoemde getuige de verklaring van aangeefster heeft gehoord.
Zij heeft weliswaar een gedragsverandering waargenomen, maar dit was niet op het moment dat het strafbare feit plaatsvond of vlak daarna. Daarmee kan die waarneming niet voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde. Gelet hierop kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen.
Nu er onvoldoende betrouwbaar steunbewijs voorhanden is, zal de rechtbank verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2
Verdachte ontkent het tenlastegelegde en op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er naast de aangifte twee getuigen zijn, [slachtoffer 1] en [getuige 2] , die van aangeefster hebben gehoord wat haar zou zijn overkomen.
Opgemerkt dient te worden dat [slachtoffer 1] en aangeefster nichtjes van elkaar zijn en dat zij voorafgaand aan de aangifte van [slachtoffer 2] met elkaar hebben gesproken over het tenlastegelegde.
[slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard over een gebeurtenis toen zij een keer bij haar oma en verdachte sliep samen met haar nicht (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 2] ). Zij verklaart dat zij heeft gezien dat verdachte over het been van haar nicht heeft gewreven.
De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. De verklaring van [slachtoffer 1] betreft weliswaar een eigen zelfstandige waarneming, maar is onvoldoende specifiek en onduidelijk in de tijd. Daarnaast kan de rechtbank niet uitsluiten dat de verklaring van [slachtoffer 1] is beïnvloed, doordat de twee nichtjes met elkaar hierover gesproken hebben. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet als zelfstandig bewijsmiddel of als steunbewijs kan worden gebruikt.
Getuige [getuige 2] is de ex-partner van de vader van aangeefster en zij heeft aangegeven dat haar geheugen een zeef is en zij veel niet meer precies weet. Daar komt nog bij dat de verklaringen van voornoemde getuige [getuige 2] geen zelfstandige eigen waarneming ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvond of vlak daarna bevatten. Voorgaande constateringen brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat de verklaring van [getuige 2] geen steun kan bieden aan de aangifte van [slachtoffer 2] .
Daarmee kunnen de waarnemingen van deze getuigen niet voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde. Gelet hierop kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen.
Nu er onvoldoende betrouwbaar steunbewijs voorhanden is, zal de rechtbank verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijspreken.
Beoordeling
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 248,11 aan materiële schade en € 7.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] (t.a.v. feit 2)
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 856,50 aan materiële schade en € 6.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.W. van de Sande (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en
mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2024.
mr. C.E.W. van de Sande en mr. R.M.H. Pennings zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.