Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-10-31
ECLI:NL:RBGEL:2024:9059
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,941 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/441758 / FA RK 24-3200
Datum uitspraak: 31 oktober 2024
beschikking voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[verzoekster] (hierna te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Koçak te Rotterdam,
tegen
[verweerder] (hierna te noemen: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.C.G.M. Joosten te Nijmegen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift, ingekomen op 1 oktober 2024.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 24 oktober 2024 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Ook was er een zittingvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) bij de mondelinge behandeling aanwezig.
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige kinderen.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisendheid aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een beknopte motivering.
De toevertrouwing van de kinderen
3.2.
De vrouw verzoekt de rechtbank de minderjarige kinderen van partijen aan haar toe te vertrouwen. De man stelt dat hij ook in staat is om de kinderen bij zich te hebben en voor hen te zorgen.
3.3.
De rechtbank zal, in lijn met het advies van de Raad, het verzoek van de vrouw toewijzen. Tussen partijen is niet in geschil dat de man, in het bijzijn van (een van) de kinderen, tegenover de vrouw fysiek geweld heeft gebruikt. Naar aanleiding van dat incident heeft de vrouw op 21 september 2024 samen met de kinderen de echtelijke woning verlaten. De kinderen verblijven sindsdien feitelijk bij de vrouw. Voor de kinderen is het belangrijk dat de rust terugkeert. Omdat in dit stadium van de echtscheidingsprocedure nog niet duidelijk is bij welke ouder de kinderen na de echtscheiding hun hoofdverblijfplaats zullen hebben, ligt het niet voor de hand om in de tussentijd de feitelijke situatie te wijzigen nu er geen signalen zijn dat het belang van de kinderen zich verzet tegen het feitelijke verblijf bij de vrouw. Dit neemt niet weg dat het in het belang van de kinderen is om het contact met de man zo spoedig mogelijk te herstellen en dat er ook weer fysieke omgang tussen de man en de kinderen komt. Partijen hebben geen verzoeken gedaan over een zorgregeling. Het is aan partijen om samen met de betrokken hulpverlening toe te werken naar contactherstel en afspraken te maken over de omgang.
Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
3.4.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [adres] , en mitsdien te bevelen dat deze woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden, met machtiging voor de vrouw om deze beschikking zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met hulp van politie en justitie.
3.5.
De man heeft mondeling verweer gevoerd. Hij is het met de vrouw eens dat partijen niet gezamenlijk in de woning kunnen verblijven vanwege de tussen hen bestaande spanningen. De man zou graag een ‘birdnesting’-regeling willen, waarbij de kinderen steeds in de woning blijven en partijen afwisselend voor de kinderen zorgen. De partij die voor de kinderen in de woning zorgt, heeft op dat moment het uitsluitend gebruik van de woning en de andere partij dient dan dus de woning te verlaten.
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat er zodanige spanningen tussen partijen bestaan, dat aan één van hen het recht dient te worden toegekend de woning met uitsluiting van de ander te bewonen.
3.7.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en licht dit als volgt toe.
Voor de kinderen is het van groot belang dat zij zo spoedig mogelijk terugkeren naar hun vertrouwde woonomgeving, school en sociale netwerk. Omdat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw ook het uitsluitend gebruik van de woning krijgt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de vrouw onbetwist naar voren heeft gebracht dat de vader van de man voldoende ruimte in zijn woning heeft om de man tijdelijk op te vangen, omdat de broer van de man daar eerder ook een periode met zijn kinderen heeft verbleven. Door de man is onvoldoende onderbouwd dat de verstandhouding met zijn vader dusdanig is verstoord dat de man daar niet tijdelijk zou kunnen verblijven.
3.8.
De rechtbank zal het gedeelte van het verzoek van de vrouw dat ziet op de ten uitvoer legging met behulp van de sterke arm afwijzen en oordeelt daartoe als volgt. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 822, eerste lid onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het hierna te geven bevel (aan de man om de woning te verlaten) zelf de titel tot ontruiming van de echtelijke woning met behulp van de sterke arm verschaft. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank
4.1.
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
aan de vrouw worden toevertrouwd;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van heden bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [adres] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
4.3.
verstaat dat deze voorzieningen gelden voor de duur van het geding;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.K.H. Wagemaker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2024.