Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-08-21
ECLI:NL:RBGEL:2024:8766
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,619 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2024:8766 text/xml public 2026-04-16T10:09:20 2024-12-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2024-08-21 AWB 24_1874 8:54 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:8766 text/html public 2026-04-16T10:03:26 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2024:8766 Rechtbank Gelderland , 21-08-2024 / AWB 24_1874 8:54 Wet WOZ. Art. 8:54 Awb uitspraak in 1 van 254 samenhangende zaken. Beroep ingesteld namens 254 belanghebbenden, allen vertegenwoordigd door 1 gemachtigde, Previcus. Heffingsambtenaar besliste op de bezwaren van alle 254 belanghebbenden in 1 geschrift met per belanghebbende een aparte bijlage. Volgens gemachtigde is dit geen geldige uitspraak op bezwaar en is daarom een dwangsom verschuldigd. Rechtbank oordeelt dat de beslissing een geldige uitspraak op bezwaar is en dat dus geen dwangsom is verschuldigd. De uitspraak is wel onjuist, omdat per belanghebbende een uitspraak moet worden gedaan. Geen toepassing van art. 6:22 Awb en geen mogelijkheid gegeven om besluit te herstellen door alsnog te splitsen. Vernietiging en terugwijzing. Proceskostenvergoeding vastgesteld op 15 euro per zaak. Samenhangende zaken leiden tot een bedrag van 5,17 euro per zaak, wat met toepassing van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht wordt verhoogd tot 15 euro. RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/1874 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van het samenwerkingsverband Meerinzicht , de heffingsambtenaar, Inleiding In maart 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende namens 254 belanghebbenden beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de waardebeschikkingen voor 254 objecten gelegen in de gemeenten Harderwijk, Ermelo en Zeewolde. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen: het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar en; de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024. 3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Samenvatting 4. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat het beroep niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 kennelijk gegrond is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2023 bij aanslagbiljet vastgesteld op € 497.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende onder meer de aanslag onroerendezaakbelastingen (aanslag ozb) van de gemeente Harderwijk voor het kalenderjaar 2023 opgelegd (de aanslag). 6. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling en de aanslag. Beroep niet tijdig beslissen 7. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 1 maart 2024 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar. Vervolgens heeft belanghebbende op 20 maart 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Volgens belanghebbende kan de brief van 7 februari 2024 niet als een uitspraak op bezwaar aangemerkt worden. Daar komt bij dat deze brief niet op de juiste manier bekend is gemaakt, zodat verweerder geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan. 8. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij bij brief van 7 februari 2024 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. 9. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 7 februari 2024 kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking. De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Daarin heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook bij het onderwerp ‘Uitspraak bezwaren’ vermeld en daarbij een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Bovenal is in de brief onder het tussenkopje “Besluit bovengenoemde objecten” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen ozb worden gehandhaafd. De vraag of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, met andere woorden of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag òf de beschikking genomen is. 10. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar met de verzending aan de gemachtigde van belanghebbende op de juiste wijze bekend is gemaakt, zodat de heffingsambtenaar rechtsgeldig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat de gemachtigde de uitspraak niet heeft doorgezonden aan belanghebbende omdat in de uitspraak gegevens over andere belastingplichtigen zijn vermeld, maakt die conclusie niet anders, aangezien maatgevend is of de gemachtigde de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. De gemachtigde heeft niet betwist dat hij de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. 11. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar bij brief van 7 februari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen nietontvankelijk zal verklaren. 12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, aangezien de ingebrekestelling is gedaan èn het beroep niet tijdig beslissen is ingediend, na de uitspraak op bezwaar. Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 13. Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat de heffingsambtenaar niet in één geschrift uitspraak kan doen op bezwaren van meer belanghebbenden. 14. De heffingsambtenaar stelt zich op het primaire standpunt dat met de toezending van de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 aan de vereisten is voldaan. Immers de beslissing is bekendgemaakt door toezending aan belanghebbende waarbij per onroerende zaak een adviesformulier is bijgevoegd waarop alle essentialia zijn opgenomen (betreffende de onroerende zaak, het zaaknummer en het beschikkingsjaar). De heffingsambtenaar heeft weliswaar één brief gebruikt voor het doen van uitspraak op bezwaar van verschillende belanghebbenden, maar wel van één gevolmachtigde. Zolang de beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht en de beslissing berust op een deugdelijke motivering, en het voldoende kenbaar ten aanzien van wie de uitspraak op bezwaar is gedaan, is het naar mening van de heffingsambtenaar niet van belang in welke vorm de brieven worden verzonden. Een uitspraak op een bezwaarschrift is vormvrij. De heffingsambtenaar heeft vanuit een immens grote werkdruk ervoor gekozen de uitspraken op bezwaar welke ongegrond waren bevonden, op een dergelijke wijze te versturen. Elk ongegronde uitspraak op bezwaar beschikt echter over een deugdelijke motivering opgenomen in de bijlagen van de taxateur en het besluit was kenbaar voor elke belanghebbende. Daarnaast is het ook mogelijk voor belanghebbende om een beroep in te dienen. Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat aan de uitspraak op bezwaar een gebrek kleeft, verzoekt de heffingsambtenaar de rechtbank om artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Belanghebbende is daardoor niet benadeeld. Indien de rechtbank artikel 6:22 van de Awb niet toepast, vraagt de heffingsambtenaar de rechtbank om het vormverzuim te kunnen herstellen door het splitsen van de uitspraken op bezwaar. 15.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2024:8766 text/xml public 2026-04-16T10:09:20 2024-12-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2024-08-21 AWB 24_1874 8:54 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:8766 text/html public 2026-04-16T10:03:26 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2024:8766 Rechtbank Gelderland , 21-08-2024 / AWB 24_1874 8:54 Wet WOZ. Art. 8:54 Awb uitspraak in 1 van 254 samenhangende zaken. Beroep ingesteld namens 254 belanghebbenden, allen vertegenwoordigd door 1 gemachtigde, Previcus. Heffingsambtenaar besliste op de bezwaren van alle 254 belanghebbenden in 1 geschrift met per belanghebbende een aparte bijlage. Volgens gemachtigde is dit geen geldige uitspraak op bezwaar en is daarom een dwangsom verschuldigd. Rechtbank oordeelt dat de beslissing een geldige uitspraak op bezwaar is en dat dus geen dwangsom is verschuldigd. De uitspraak is wel onjuist, omdat per belanghebbende een uitspraak moet worden gedaan. Geen toepassing van art. 6:22 Awb en geen mogelijkheid gegeven om besluit te herstellen door alsnog te splitsen. Vernietiging en terugwijzing. Proceskostenvergoeding vastgesteld op 15 euro per zaak. Samenhangende zaken leiden tot een bedrag van 5,17 euro per zaak, wat met toepassing van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht wordt verhoogd tot 15 euro. RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/1874 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van het samenwerkingsverband Meerinzicht , de heffingsambtenaar, Inleiding In maart 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende namens 254 belanghebbenden beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de waardebeschikkingen voor 254 objecten gelegen in de gemeenten Harderwijk, Ermelo en Zeewolde. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen: het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar en; de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024. 3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Samenvatting 4. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat het beroep niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 kennelijk gegrond is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2023 bij aanslagbiljet vastgesteld op € 497.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende onder meer de aanslag onroerendezaakbelastingen (aanslag ozb) van de gemeente Harderwijk voor het kalenderjaar 2023 opgelegd (de aanslag). 6. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling en de aanslag. Beroep niet tijdig beslissen 7. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 1 maart 2024 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar. Vervolgens heeft belanghebbende op 20 maart 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Volgens belanghebbende kan de brief van 7 februari 2024 niet als een uitspraak op bezwaar aangemerkt worden. Daar komt bij dat deze brief niet op de juiste manier bekend is gemaakt, zodat verweerder geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan. 8. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij bij brief van 7 februari 2024 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. 9. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 7 februari 2024 kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking. De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Daarin heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook bij het onderwerp ‘Uitspraak bezwaren’ vermeld en daarbij een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Bovenal is in de brief onder het tussenkopje “Besluit bovengenoemde objecten” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen ozb worden gehandhaafd. De vraag of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, met andere woorden of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag òf de beschikking genomen is. 10. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar met de verzending aan de gemachtigde van belanghebbende op de juiste wijze bekend is gemaakt, zodat de heffingsambtenaar rechtsgeldig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat de gemachtigde de uitspraak niet heeft doorgezonden aan belanghebbende omdat in de uitspraak gegevens over andere belastingplichtigen zijn vermeld, maakt die conclusie niet anders, aangezien maatgevend is of de gemachtigde de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. De gemachtigde heeft niet betwist dat hij de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. 11. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar bij brief van 7 februari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen nietontvankelijk zal verklaren. 12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, aangezien de ingebrekestelling is gedaan èn het beroep niet tijdig beslissen is ingediend, na de uitspraak op bezwaar. Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 13. Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat de heffingsambtenaar niet in één geschrift uitspraak kan doen op bezwaren van meer belanghebbenden. 14. De heffingsambtenaar stelt zich op het primaire standpunt dat met de toezending van de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 aan de vereisten is voldaan. Immers de beslissing is bekendgemaakt door toezending aan belanghebbende waarbij per onroerende zaak een adviesformulier is bijgevoegd waarop alle essentialia zijn opgenomen (betreffende de onroerende zaak, het zaaknummer en het beschikkingsjaar). De heffingsambtenaar heeft weliswaar één brief gebruikt voor het doen van uitspraak op bezwaar van verschillende belanghebbenden, maar wel van één gevolmachtigde. Zolang de beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht en de beslissing berust op een deugdelijke motivering, en het voldoende kenbaar ten aanzien van wie de uitspraak op bezwaar is gedaan, is het naar mening van de heffingsambtenaar niet van belang in welke vorm de brieven worden verzonden. Een uitspraak op een bezwaarschrift is vormvrij. De heffingsambtenaar heeft vanuit een immens grote werkdruk ervoor gekozen de uitspraken op bezwaar welke ongegrond waren bevonden, op een dergelijke wijze te versturen. Elk ongegronde uitspraak op bezwaar beschikt echter over een deugdelijke motivering opgenomen in de bijlagen van de taxateur en het besluit was kenbaar voor elke belanghebbende. Daarnaast is het ook mogelijk voor belanghebbende om een beroep in te dienen. Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat aan de uitspraak op bezwaar een gebrek kleeft, verzoekt de heffingsambtenaar de rechtbank om artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Belanghebbende is daardoor niet benadeeld. Indien de rechtbank artikel 6:22 van de Awb niet toepast, vraagt de heffingsambtenaar de rechtbank om het vormverzuim te kunnen herstellen door het splitsen van de uitspraken op bezwaar. 15.
Volledig
De rechtbank overweegt dat artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), bepaalt dat op een bezwaar en een beroep tegen beschikkingen, onder meer de artikel 24a, 25, vierde lid en 26b, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van overeenkomstige toepassing zijn. 16. Degene die bezwaar heeft tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift. De heffingsambtenaar kan, als bezwaar is gemaakt tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, de uitspraken op bezwaar opnemen in één geschrift. Degene die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak op bezwaar, kan dat doen bij één beroepschrift. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 24a van de AWR is uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat een bezwaarschrift niet door meer belanghebbenden gezamenlijk kan worden ingediend. Dit volgt ook uit de tekst van het artikel zelf. Daarin is immers bepaald dat "hij die bezwaar heeft, (...) bezwaar kan maken". Uit de formulering van de wettelijke bepalingen, alsmede de parlementaire toelichting daarop, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet mogelijk is om op bezwaarschriften, door verschillende belanghebbenden ingediend, bij één uitspraak te beslissen. De heffingsambtenaar heeft dat echter wel gedaan. 17. De rechtbank ziet geen grond voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb aangezien niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet benadeeld is door het gebrek. De uitspraak op bezwaar is gedaan in een geschrift samen met de uitspraken op bezwaar van meer dan 200 andere belanghebbenden. De motivering van de uitspraak op bezwaar is zeer summier voor zover deze gaat over de bezwaren van belanghebbende. In de motivering van de uitspraak op bezwaar, noch in de bijlagen, wordt namelijk concreet gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende. De heffingsambtenaar dient in een uitspraak op bezwaar deugdelijk te motiveren waarom het bezwaar niet gegrond is. 18. De rechtbank ziet evenmin grond om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen om de uitspraak op bezwaar te splitsen. In dat geval zou de heffingsambtenaar namelijk twee keer een uitspraak op bezwaar doen en de Hoge Raad heeft bepaald dat dat niet is toegestaan, zonder dat de rechter de eerste uitspraak op bezwaar heeft vernietigd. 19. De uitspraak op bezwaar dient derhalve te worden vernietigd. 20. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen alsnog afzonderlijk uitspraak te doen op de bezwaren van belanghebbende. 21. De rechtbank zal een termijn van tien weken stellen voor het doen van de nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank vindt deze termijn passend gelet op alle betrokken belangen. De rechtbank acht dit een redelijke termijn, waarbinnen het voor de heffingsambtenaar haalbaar moet zijn om in alle dossiers individuele uitspraken op bezwaar te doen. Proceskosten 22. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 22. De rechtbank overweegt dat sprake is van een groot aantal zaken, te weten 254, waarin dezelfde rechtsvragen spelen en waardoor die zaken vrijwel identiek zijn. De gemachtigde heeft in elke zaak dezelfde proceshandelingen verricht en stukken ingediend waarvan de inhoud vrijwel identiek is. De gemachtigde heeft alleen de namen en de adresgegevens aangepast in elk beroepschrift en voor het overige - en in de nadere stukken - dezelfde standpunten naar voren gebracht. Alle zaken zijn dus aan te merken als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht en omdat het er meer dan vier zijn is de wegingsfactor 1,5. De rechtbank acht aannemelijk dat een strikte toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) leidt tot een vergoeding onder de werkelijke kosten per zaak (namelijk € 1.312,50/254 = € 5,17). De rechtbank oordeelt dan ook dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de berekende forfaitaire vergoedingen voor proceskosten volgens het Bbp. 24. De rechtbank stelt de vergoeding voor proceskosten in elk van de 254 zaken vast op € 15. Daarmee bedraagt de totale vergoeding in alle zaken tezamen voor de proceskosten in beroep van € 3.810 en de rechtbank acht dit een redelijke vergoeding voor de in alle beroepen tezamen gemaakte proceskosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 24. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 26. Op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm moet de uitbetaling van de in deze procedure toegekende bedragen op de bankrekening van belanghebbende plaatsvinden, ongeacht of de belanghebbende in een (doorlopende) machtiging met zijn gemachtigde heeft afgesproken dat de gemachtigde is gerechtigd tot bepaalde vergoedingen (verbod vervreemding en verpanding). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep inzake het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024; draagt de heffingsambtenaar op om binnen tien weken na de dag van de verzending van deze uitspraak, uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de heffingsambtenaar in de vergoeding van de proceskosten van € 15, te betalen aan belanghebbende; draagt de heffingsambtenaar op om het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr.M.I. Knol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771. Artikel 24a van de AWR. Artikel 25, vierde lid, van de AWR. Artikel 26b, eerste lid, van de AWR. Kamerstukken II 1997/98, 25175, nr. 5. Vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2796 en Gerechtshof Arnhem 24 januari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF4582. Artikel 3:46 van de Awb. Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Volledig
De rechtbank overweegt dat artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), bepaalt dat op een bezwaar en een beroep tegen beschikkingen, onder meer de artikel 24a, 25, vierde lid en 26b, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van overeenkomstige toepassing zijn. 16. Degene die bezwaar heeft tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift. De heffingsambtenaar kan, als bezwaar is gemaakt tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, de uitspraken op bezwaar opnemen in één geschrift. Degene die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak op bezwaar, kan dat doen bij één beroepschrift. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 24a van de AWR is uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat een bezwaarschrift niet door meer belanghebbenden gezamenlijk kan worden ingediend. Dit volgt ook uit de tekst van het artikel zelf. Daarin is immers bepaald dat "hij die bezwaar heeft, (...) bezwaar kan maken". Uit de formulering van de wettelijke bepalingen, alsmede de parlementaire toelichting daarop, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet mogelijk is om op bezwaarschriften, door verschillende belanghebbenden ingediend, bij één uitspraak te beslissen. De heffingsambtenaar heeft dat echter wel gedaan. 17. De rechtbank ziet geen grond voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb aangezien niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet benadeeld is door het gebrek. De uitspraak op bezwaar is gedaan in een geschrift samen met de uitspraken op bezwaar van meer dan 200 andere belanghebbenden. De motivering van de uitspraak op bezwaar is zeer summier voor zover deze gaat over de bezwaren van belanghebbende. In de motivering van de uitspraak op bezwaar, noch in de bijlagen, wordt namelijk concreet gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende. De heffingsambtenaar dient in een uitspraak op bezwaar deugdelijk te motiveren waarom het bezwaar niet gegrond is. 18. De rechtbank ziet evenmin grond om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen om de uitspraak op bezwaar te splitsen. In dat geval zou de heffingsambtenaar namelijk twee keer een uitspraak op bezwaar doen en de Hoge Raad heeft bepaald dat dat niet is toegestaan, zonder dat de rechter de eerste uitspraak op bezwaar heeft vernietigd. 19. De uitspraak op bezwaar dient derhalve te worden vernietigd. 20. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen alsnog afzonderlijk uitspraak te doen op de bezwaren van belanghebbende. 21. De rechtbank zal een termijn van tien weken stellen voor het doen van de nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank vindt deze termijn passend gelet op alle betrokken belangen. De rechtbank acht dit een redelijke termijn, waarbinnen het voor de heffingsambtenaar haalbaar moet zijn om in alle dossiers individuele uitspraken op bezwaar te doen. Proceskosten 22. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 22. De rechtbank overweegt dat sprake is van een groot aantal zaken, te weten 254, waarin dezelfde rechtsvragen spelen en waardoor die zaken vrijwel identiek zijn. De gemachtigde heeft in elke zaak dezelfde proceshandelingen verricht en stukken ingediend waarvan de inhoud vrijwel identiek is. De gemachtigde heeft alleen de namen en de adresgegevens aangepast in elk beroepschrift en voor het overige - en in de nadere stukken - dezelfde standpunten naar voren gebracht. Alle zaken zijn dus aan te merken als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht en omdat het er meer dan vier zijn is de wegingsfactor 1,5. De rechtbank acht aannemelijk dat een strikte toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) leidt tot een vergoeding onder de werkelijke kosten per zaak (namelijk € 1.312,50/254 = € 5,17). De rechtbank oordeelt dan ook dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de berekende forfaitaire vergoedingen voor proceskosten volgens het Bbp. 24. De rechtbank stelt de vergoeding voor proceskosten in elk van de 254 zaken vast op € 15. Daarmee bedraagt de totale vergoeding in alle zaken tezamen voor de proceskosten in beroep van € 3.810 en de rechtbank acht dit een redelijke vergoeding voor de in alle beroepen tezamen gemaakte proceskosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 24. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 26. Op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm moet de uitbetaling van de in deze procedure toegekende bedragen op de bankrekening van belanghebbende plaatsvinden, ongeacht of de belanghebbende in een (doorlopende) machtiging met zijn gemachtigde heeft afgesproken dat de gemachtigde is gerechtigd tot bepaalde vergoedingen (verbod vervreemding en verpanding). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep inzake het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024; draagt de heffingsambtenaar op om binnen tien weken na de dag van de verzending van deze uitspraak, uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de heffingsambtenaar in de vergoeding van de proceskosten van € 15, te betalen aan belanghebbende; draagt de heffingsambtenaar op om het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr.M.I. Knol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771. Artikel 24a van de AWR. Artikel 25, vierde lid, van de AWR. Artikel 26b, eerste lid, van de AWR. Kamerstukken II 1997/98, 25175, nr. 5. Vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2796 en Gerechtshof Arnhem 24 januari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF4582. Artikel 3:46 van de Awb. Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.