Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-11-06
ECLI:NL:RBGEL:2024:7951
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7823
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. T. Segers),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigden: mr. S.O. Visch en mr. W.J. Poot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de voorwaardelijke intrekking van de aanwijzing van eiseres als certificerende instelling.
1.1.
Bij het besluit van 23 november 2021 heeft de minister de aanwijzing van eiseres als certificerende instelling voorwaardelijk ingetrokken. Met het bestreden besluit van 8 september 2023 heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het besluit van 23 november 2021 herroepen.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en G. [persoon B] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon C] namens de minister en de gemachtigden van de minister.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is door de minister bij besluit van 6 april 2020 aangewezen als certificerende instelling voor het afgeven van certificaten als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, en van 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Deze aanwijzing gold voor de periode van 16 april 2020 tot en met 5 februari 2021. Bij besluit van 26 februari 2021 heeft de minister eiseres opnieuw aangewezen als certificerende instelling voor een periode tot 1 februari 2022.
In 2019 heeft eiseres van de Raad voor Accreditatie (RvA) een tijdelijke accreditatie met beperkende voorwaarden gekregen. In 2020 is de tijdelijke accreditatie verlengd met een jaar, zonder beperkende voorwaarden.
2.1.
Begin 2021 heeft de Inspectie SZW, thans de Nederlandse Arbeidsinspectie, (hierna voor beiden: de Arbeidsinspectie), meerdere signalen ontvangen over de onafhankelijkheid van eiseres. Naar aanleiding hiervan is op 6 februari 2021 een onderzoek gestart naar de naleving van wet- en regelgeving door eiseres. Bij brief van 16 april 2021 heeft de Arbeidsinspectie de RvA daarvan op de hoogte gesteld.
2.2.
Door de RvA is op 15 en 16 juni 2021 een kantooronderzoek bij eiseres uitgevoerd. Daarbij zijn in totaal vier afwijkingen van de categorie B vastgesteld. Drie van de vier zijn na de eerste ronde van vervolgbeoordeling opgeheven. Voor de vierde afwijking, die betrekking heeft op de specifieke eisen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid, is een tweede ronde noodzakelijk geweest. Op verzoek van de RvA heeft eiseres op 17 augustus 2021 een plan van aanpak opgesteld. De RvA heeft vervolgens de afwijking ingetrokken en aan eiseres een accreditatie verleend voor de periode van 19 oktober 2023 tot 1 februari 2028.
2.3.
De Inspectie SZW heeft een eigen onderzoek ingesteld en is tot de conclusie gekomen dat eiseres onvoldoende onafhankelijk is. Alle verkregen informatie wijst erop dat de heer G. [persoon B] (hierna: [persoon B]) zeggenschap kan uitoefenen en uitoefent binnen eiseres en [naam bedrijf 1] B.V. (hierna: [naam bedrijf 1]). Beide organisaties leunen sterk op het in de markt zetten c.q. houden van RIR-protocollen en hebben daarmee een gemeenschappelijk financieel belang. Daarom bestaat er twijfel aan de integriteit en onafhankelijkheid van eiseres en haar medewerkers. Vervolgens heeft de Inspectie SZW bij brief van 15 juli 2021, namens de minister, aan eiseres meegedeeld dat het voornemen bestaat om de aanwijzing van eiseres als certificerende instelling voor vier weken te schorsen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend en het hiervoor genoemde plan van aanpak van 17 augustus 2021 toegestuurd dat is opgesteld en ingediend naar aanleiding van de door de RvA geconstateerde afwijking en dat ertoe heeft geleid dat de afwijking door de RvA is ingetrokken.
2.4.
Bij het besluit van 23 november 2021 heeft de minister de aanwijzing van eiseres als certificerende instelling op grond van artikel 1, tweede lid, sub c van de Beleidsregel maatregelenbeleid, voorwaardelijk ingetrokken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd, dat eiseres niet langer voldoet aan het bepaalde in artikel 1.5b, eerste lid, aanhef en onder c, e en h, van het Arbobesluit. De voorwaarden zijn in het besluit nader geformuleerd. De minister heeft daarbij bepaald dat eiseres binnen vier maanden aan deze voorwaarden moet voldoen om te voorkomen dat de aanwijzing wordt ingetrokken.
2.5.
Het door eiseres hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gegrond verklaard. De minister heeft voorwaarde twee herroepen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de voorwaardelijke intrekking van de aanwijzing van eiseres als certificerende instelling. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van belangenverstrengeling ten tijde van het besluit van 23 november 2021?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij ten tijde van het besluit van 23 november 2021, en in ieder geval ten tijde van het bestreden besluit, heeft voldaan aan de vereisten uit artikel 1.5b, eerste lid, onderdelen c, e en h van het Arbobesluit, zodat van een overtreding geen sprake is. Daartoe voert eiseres aan dat de minister moet bewijzen dat zij niet voldeed aan die vereisten, omdat uit de door de RvA afgegeven accreditatie immers een vermoeden volgt dat eiseres handelde in overeenstemming met die vereisten. De minister moet dat vermoeden weerleggen. Eiseres voert verder aan dat de werkzaamheden in [naam bedrijf 1] feitelijk zijn beëindigd en dat [naam bedrijf 1] ten tijde van het besluit van 23 november 2021 volledig onafhankelijk was van eiseres. Tot slot voert eiseres aan dat, met de liquidatie van [naam bedrijf 1], [persoon B] logischerwijs geen activiteiten meer kan verrichten voor eiseres en [naam bedrijf 1].
5.1
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat bij eiseres sprake is van ongeoorloofde belangenverstrengeling. De minister heeft zich in dit verband kunnen baseren op het door de Arbeidsinspectie uitgevoerde onderzoek. Daaruit kan het volgende worden afgeleid:
a. [persoon B] is op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst bij eiseres en oefent vier taken uit:
i. het zijn van (senior) Lead Auditor;
ii. het zijn van reviewer;
iii. het meewerken aan het verbeteren van het primaire proces van eiseres; en
iv. het voorbereiden van eiseres op het behalen van nieuwe accreditaties en certificatieschema's.
Uit eigen waarneming (reactie op meldingen of vragen, kennismakingsgesprekken en telefoongesprekken) is vastgesteld dat [persoon B] een centrale rol vervult binnen eiseres, zowel op strategisch/tactisch als op uitvoerend niveau.
b. [persoon B] verricht ook werkzaamheden voor certificaathouders van eiseres en voor certificaathouders van andere certificerende instellingen. Daarvan zijn diverse voorbeelden opgenomen in de brief van 15 juli 2021 en is verwezen naar de verklaring van een asbestinvesteerder (de heer [persoon D]) afgelegd op 15 januari 2021 tegenover een inspecteur van de Arbeidsinspectie.
c. [persoon B] is daarnaast betrokken bij [naam bedrijf 1] via [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2]), waarmee hij - in de hoedanigheid van directeur-groot aandeelhouder - inkomsten genereert. [naam bedrijf 1] verkoopt protocollen (hierna: RIR-protocollen) aan certificaathouders die alternatieve werkmethoden willen hanteren. Eiseres en [naam bedrijf 1] hebben binnen het asbeststelsel vergelijkbare doelen en hebben er beiden belang bij dat de RIR-protocollen binnen de asbestsector worden aanvaard. Ze zijn zo nauw met elkaar verbonden - mede gelet op de betrokkenheid en visie van [persoon B] – dat er een (financiële) afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen eiseres en [naam bedrijf 1]. Daardoor is het voor eiseres niet (goed) mogelijk om een kritisch oordeel te geven over de wijze waarop asbestverwijderaars werken met RIR-protocollen. Het samenstel van deze drie bevindingen heeft de Arbeidsinspectie tot de conclusie gebracht dat eiseres onvoldoende onafhankelijk opereerde.
De conclusie dat sprake is van belangenverstrengeling wordt met het onderzoek van de Arbeidsinspectie naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Het standpunt van eiseres, dat uit de verleende accreditatie door de RvA kan worden afgeleid dat eiseres aan de vereisten voldoet, volgt de rechtbank niet. De minister heeft toegelicht dat hij een eigen onderzoeksplicht heeft om te beoordelen of een certificerende instelling voldoet en blijft voldoen aan de vereisten van artikel 1.5b Arbobesluit en dat het door hem uitgevoerde onderzoek ook veel breder is dan het door de RvA uitgevoerde onderzoek. Dat [naam bedrijf 1] ten tijde van de besluitvorming al geliquideerd is en [persoon B] logischerwijs dus geen activiteiten meer kan verrichten voor eiseres en [naam bedrijf 1], acht de rechtbank (zie hierna r.o. 6.1) niet aannemelijk.
Is sprake van belangenverstrengeling ten tijde van het bestreden besluit?
6. Eiseres heeft in bezwaar, al dan niet op verzoek van de minister, diverse stukken overgelegd, en gereageerd op de brief van de Arbeidsinspectie waarbij vragen zijn gesteld en gegevens zijn gevorderd. Daaruit blijkt, volgens eiseres, dat [persoon B] zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] heeft beëindigd, dat [naam bedrijf 1] feitelijk geliquideerd is en haar activiteiten heeft overgedragen aan een consortium. Er vinden geen activiteiten meer plaats in [naam bedrijf 1]. In beroep heeft eiseres aangiften omzetbelasting overgelegd en een door [persoon B] ingevuld formulier waarmee de Kamer van Koophandel wordt verzocht de ontbinding van [naam bedrijf 1] in te schrijven in het Handelsregister. Ten tijde van het bestreden besluit was er dus zeker geen sprake meer van belangenverstrengeling.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de door eiseres in bezwaar overlegde e-mail van de accountant van [naam bedrijf 1] en de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2022 blijkt niet op welke wijze en op welk moment de feitelijke werkzaamheden in [naam bedrijf 1] door [persoon B] zijn beëindigd. Dat uit de aangifte omzetbelasting blijkt dat [naam bedrijf 1] in het tweede kwartaal van 2022 geen omzet heeft opgegeven, betekent niet dat de feitelijke werkzaamheden van [naam bedrijf 1] ook daadwerkelijk zijn beëindigd. Bovendien is dat slechts een opgave over het tweede kwartaal van 2022 en zegt dat niets over de periode daarvoor en daarna. De minister heeft bovendien vastgesteld dat uit het Handelsregister blijkt dat [naam bedrijf 1] pas op 13 november 2023 is ontbonden en op 18 november 2023 is uitgeschreven. Als bestuurder van [naam bedrijf 1] stond laatstelijk [naam bedrijf 2] geregistreerd en als bewaarder van boeken en bescheiden na ontbinding is [persoon B] in het Handelregister ingeschreven. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [naam bedrijf 1] pas na het bestreden besluit is geliquideerd en dat [persoon B] tot kort voor de liquidatie nog betrokken is geweest bij [naam bedrijf 1]. Daarbij komt dat [persoon B] enig aandeelhouder en bestuurder is van [naam bedrijf 2].
Heeft de minister voorwaarden kunnen verbinden aan de intrekking?
7. Na herroeping van één van de voorwaarden met het bestreden besluit moet de rechtbank beoordelen of de minister de volgende voorwaarden aan de intrekking heeft kunnen verbinden:
1. Uiteindelijk belanghebbenden (aandeelhouders), bestuurders, directieleden of medewerkers van eiseres zijn niet als uiteindelijk belanghebbende, bestuurder, directielid of medewerker betrokken bij [naam bedrijf 1] of het consortium dat de taken van [naam bedrijf 1] overneemt;
2. Eiseres legt voor een periode van vier maanden al haar conceptbesluiten met betrekking tot klachten over haar certificaathouders die betrokken zijn bij validatie ter review voor aan de minister, alvorens haar besluit te effectueren. Dit geldt ook voor conceptbesluiten die voortkomen uit eigen onderzoek of onderzoek van andere certificerende instellingen.
3. Bij het voorleggen van de concept besluiten dient eiseres in ieder geval aan te geven hoe rekening is gehouden met de uitleg die de Inspectie SZW op haar website geeft over het uitvoeren van blootstellingsonderzoeken.
8.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Voor het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor de aan haar in dit verband verleende rechtsbijstand. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 437,50 (1 punt voor het indienen van het schadevergoedingsverzoek, met een waarde van € 875 per punt en een wegingsfactor van 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000 aan eiseres;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Arbeidsomstandighedenbesluit
Artikel 1.5b Criteria voor aanwijzing van certificerende instellingen
1. Als certificerende instelling kan worden aangewezen de instelling die voldoet aan de volgende voorwaarden:
…
c. zij, haar hoogste leidinggevenden en haar medewerkers die de certificatietaken verrichten, oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de certificatietaken waarvoor zij is aangewezen, kunnen schaden;
…
e. zij en haar medewerkers voeren de certificatieactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste vakbekwaamheid op het specifieke werkveld en zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun certificatieactiviteiten kunnen beïnvloeden;
…
h. de onpartijdigheid van de certificerende instellingen, hun hoogste leidinggevenden en hun beoordelingspersoneel wordt gewaarborgd;
…
Artikel 1.5d Aanwijzing
1. De instelling, bedoeld in artikel 1.5b, eerste lid, dient de aanvraag tot aanwijzing in bij Onze Minister.
2. De instelling toont door middel van een accreditatie aan dat zij voldoet aan de criteria, bedoeld in de artikelen 1.5b en 1.5c.
3. In afwijking van het tweede lid kan voor een bij ministeriële regeling aan te wijzen werkveld tijdelijk worden bepaald dat geen accreditatie wordt vereist om aan te tonen dat de instelling voldoet aan de criteria, genoemd in het tweede lid.
4. De kosten van de beoordeling of een instelling kan worden aangewezen in de gevallen, bedoeld in het derde lid, zijn voor rekening van de aanvragende instelling.
5. Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 1.5e Weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een aanwijzing
1. Een aanwijzing als certificerende instelling wordt geweigerd indien de aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.5b en 1.5c.
2. Een aanwijzing van een certificerende instelling kan worden geschorst, ten nadele van de certificerende instelling worden gewijzigd of worden ingetrokken:
a. op grond van door de certificerende instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan haar bekend was of kon zijn;
b. indien een certificerende instelling niet meer voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.5b en 1.5c;
c. indien een certificerende instelling haar wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet meer naar behoren uitvoert; of
d. indien de accreditatie van de certificerende instelling is ingetrokken.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:3667.
Beoordeling
Eiseres betoogt allereerst dat voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijke intrekking niet dwingend mogen worden geformuleerd. De voorwaardelijke intrekking is immers een herstelsanctie en een daaraan verbonden last mag, volgens vaste jurisprudentie, niet dwingend voorgeschreven zijn. Het is aan de overtreder om te bepalen hoe hij aan de overtreding een einde wil maken. De minister is met het opleggen van deze voorwaarden verder gegaan dan hem vrijstaat.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres miskent dat geen sprake is van een herstelsanctie als bedoeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een last onder dwangsom in de zin van artikel 5:31d van de Awb, zodat de verwijzing van eiseres naar de vaste jurisprudentie over de formulering van herstelsancties niet opgaat. Verder geldt dat de minister de bevoegdheid heeft te besluiten tot een onvoorwaardelijke intrekking. Gelet hierop is het, op basis van het rechtsadagium “wie het meerdere mag, mag ook het mindere”, in beginsel toegestaan om voorwaardelijk in te trekken onder het stellen van dwingende voorwaarden.
Voorwaarde één is inderdaad stellig geformuleerd, maar deze moet wel worden gezien in het licht van de veiligheid in de asbestsector. Zoals door de minister in het verweerschrift is gesteld, brengt het verwijderen van asbest uit de fysieke leefomgeving grote potentiële risico’s met zich voor werknemers, omstanders en burgers. Daarom is de uitvoering van aan asbest gerelateerde werkzaamheden in de regel voorbehouden aan gecertificeerde bedrijven. De minister heeft ook certificatie van vakbekwaamheid verplicht gesteld voor personen die asbest verwijderen en personen die op locatie toezicht houden op de asbestverwijdering. Voor een adequate uitoefening hiervan, is het van doorslaggevend belang dat certificerende instellingen onafhankelijk en onpartijdig zijn ten opzichte van de door hen te beoordelen personen, processen of systemen.
De minister heeft in het verweerschrift in dit verband ook terecht verwezen naar het bepaalde in artikel 1.5e, tweede lid, van het Arbobesluit. Daarin is immers aan de minister de bevoegdheid gegeven om een aanwijzing van een certificerende maatregel ten nadele van de certificerende instelling te wijzigen. Daarvan is in dit geval sprake.
Zijn de voorwaarden in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
9. Eiseres betoogt dat alle voorwaarden in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal hierna per voorwaarde de beroepsgronden bespreken.
Voorwaarde één
9.1.
Eiseres stelt dat zij ten tijde van het besluit van 23 november 2021 deze voorwaarde al heeft nageleefd. Ook voert zij aan dat de voorwaarde te verstrekkend is, omdat bijvoorbeeld aandeelhouders dan geen stemrechtloze aandelen zouden mogen hebben in zowel het bedrijf van eiseres als [naam bedrijf 1] en medewerkers geen administratieve werkzaamheden zouden mogen uitvoeren voor beide. Tot slot betoogt eiseres dat de voorwaarde niet aan een termijn is gebonden.
9.1.1.
De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 5.1. waarin zij het standpunt van eiseres, dat ten tijde van het besluit van 23 november 2021 voorwaarde één al werd nageleefd, heeft verworpen. Dat deze voorwaarde te verstrekkend zou zijn, volgt de rechtbank evenmin. De minister wijst er terecht op, dat het hebben van stemrechtloze aandelen in [naam bedrijf 1] door (middellijk) aandeelhouders of feitelijk leidinggevenden van eiseres, maakt dat eiseres als organisatie niet vrij is van elke druk en/of beïnvloeding, met name van financiële aard, die het oordeel van eiseres of de resultaten van haar activiteiten kunnen beïnvloeden. Stemrechtloze aandelen geven immers nog altijd recht op financiële prestaties in de vorm van bijvoorbeeld dividenduitkeringen, zodat er een duidelijke financiële prikkel bestaat bij aandeelhouders of feitelijk leidinggevenden van eiseres die dergelijke aandelen in [naam bedrijf 1] bezitten. Indien medewerkers administratieve werkzaamheden zouden uitvoeren voor zowel eiseres als [naam bedrijf 1] is, naar het oordeel, van de rechtbank de onafhankelijkheid van eiseres niet voldoende gewaarborgd, omdat hiermee de schijn van partijdigheid ten opzichte van [naam bedrijf 1] zou kunnen worden gewekt. Dat de voorwaarde in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat er geen termijn aan is verbonden, volgt de rechtbank evenmin. Zoals de minister terecht stelt, zijn de verplichtingen van artikel 1.5b, eerste lid, aanhef en onderdelen c, e en h, van het Arbobesluit doorlopende verplichtingen, waaraan eiseres altijd moet voldoen.
Voorwaarde twee
9.2
Eiseres betoogt dat voorwaarde twee niets te maken heeft met het voldoen aan de vereisten uit artikel 1.5b, eerste lid, aanhef en onderdelen c, e en h, van het Arbobesluit.
9.2.1.
De rechtbank kan de minister volgen in zijn standpunt dat het opnemen van deze voorwaarde geschikt en noodzakelijk is om controle op het naleven van voorwaarde één (de belangrijkste van de opgelegde voorwaarden) mogelijk te maken.
Voorwaarde drie
9.3.
Wat betreft voorwaarde drie is het eiseres niet duidelijk naar welke webpagina de voorwaarde verwijst en wat eiseres met de informatie op de webpagina moet doen. Deze voorwaarde heeft daarom ook geen betrekking op de vereisten uit de genoemde onderdelen van artikel 1.5b, eerste lid, van het Arbobesluit.
9.3.1.
De minister heeft in het bestreden besluit onder Ad 2) verwezen naar de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (NLA). Deze website vermeldt informatie over blootstellingsonderzoeken, zoals de minister heeft aangegeven. Eiseres heeft niet gemotiveerd onderbouwd, ook niet op de zitting, waarom dat anders zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat voorwaarde drie niet zo onduidelijk is dat de minister deze om die reden niet heeft kunnen opnemen in het bestreden besluit.
De beroepsgronden slagen niet.
Hoe beslist de rechtbank op het verzoek om schadevergoeding?
10. Eiseres heeft op grond van artikel 6 van het EVRM verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep.
10.1.
De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de procesgang, de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van betrokkene van belang, zoals dat ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. De redelijke termijn voor een procedure in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar. De hiervoor genoemde omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
10.2.
De behandeling van de totale procedure heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres op 27 december 2021 tot aan deze uitspraak bijna twee jaar en tien maanden geduurd.