Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-09-27
ECLI:NL:RBGEL:2024:7514
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,158 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11079431 \ CV EXPL 24-1398
Vonnis van 27 september 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T.A.E. van Tuijl,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft op 23 augustus 2023 aan [eiseres] gevraagd of [eiseres] werkzaamheden in de woning van zijn moeder kon uitvoeren. Het betrof werk aan de afvoer en de waterleiding in de keuken. [eiseres] heeft hier als volgt op gereageerd:
“(…)
Uw duidelijke mail is bij ons binnengekomen.
De werkzaamheden die u omschrijft worden op basis van regie uitgevoerd.
Dit wil zeggen dat wij de tijd berekenen dat de monteur (…) naar u toe rijdt, bij u bezig is en zich weer melden op het kantoor.
En natuurlijk het materiaal.
Een monteur komt op € 81,- per uur inclusief BTW (…)”
2.2.
[gedaagde] heeft gereageerd met “(…) Ik ga ervan uit dat de uren dan mee vallen, onder de vloer moet niks gebeuren en er is maar ruimte voor 1 persoon om te werken. (…)”
2.3.
Op 5 september 2023 heeft de monteur de werkzaamheden verricht. [eiseres] heeft een factuur aan [gedaagde] gestuurd, op 28 september 2023, van € 970,03 inclusief btw (€ 801,68 exclusief btw), met een betalingstermijn van 14 dagen. De factuur vermeldt materialen en zeven uur werk van de monteur.
2.4.
Omdat [gedaagde] aangaf de factuur hoog te vinden in verhouding tot het verrichte werk, heeft [eiseres] op 14 november 2024 laten weten twee uur van de gewerkte tijd in mindering te brengen op de factuur. De factuur bedroeg daardoor nog € 808,01 inclusief btw. [gedaagde] heeft hiervan een bedrag van € 256,50 voldaan.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 672,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 551,51 vanaf 28 september 2023, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht en [gedaagde] zijn deel van de overeenkomst niet nakomt. Hij betaalt namelijk niet volledig voor de werkzaamheden. Er staat nog (808,01-256,50=) € 551,51 open. Daarnaast vordert [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten van € 121,20, omdat zij [gedaagde] heeft moeten aanmanen. Tot slot wordt wettelijke handelsrente gevorderd, omdat [gedaagde] te laat betaalt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten die [gedaagde] heeft moeten maken voor juridisch advies, te weten € 385,00.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Uren monteur
4.1.
[gedaagde] betwist dat de monteur vijf tot zeven uur werkzaamheden heeft verricht. Volgens hem heeft de klus hooguit drie uur en tien minuten geduurd. Pauzes, ten onrechte heen en weer rijden voor materiaal en een storing verhelpen die de monteur zelf had veroorzaakt mogen volgens hem niet in rekening worden gebracht. De drie uur en tien minuten zijn door hem betaald.
4.2.
Volgens het tijdpad dat [gedaagde] heeft geschetst, is de monteur om 7.50 uur bij het huis van zijn moeder aangekomen en waren de werkzaamheden om 15.02 uur afgerond. Dat betreft grofweg een periode van zeven uur. [gedaagde] is echter van mening dat niet al die uren in rekening gebracht kunnen worden en [eiseres] is het daarmee eens, omdat zij uren heeft gecrediteerd. Partijen twisten vooral over de pauzes die de monteur heeft genomen. Anders dan [gedaagde] meent kunnen reguliere kleine pauzes, om iets te drinken of het toilet te bezoeken, bij hem in rekening gebracht worden. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat reistijd en het “bezig zijn” van de monteur betaald moet worden. Dat “bezig zijn” hebben ze niet gedefinieerd, maar als gekeken wordt naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan hun afspraak mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, dan vallen pauzes onder “bezig zijn.” Dat geldt ook voor de tijd die de monteur nodig had om uit te vragen en precies te bekijken welk werk verricht moest worden. Ook dat valt onder “bezig zijn.” [gedaagde] erkent ook dat voorbereiding van belang is. Niet valt in te zien waarom die tijd dan niet in rekening mag worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de tijd die de monteur nodig heeft om op te ruimen. Al bij al betekent dit dat, volgens het eigen tijdpad van [gedaagde] , de tijd vanaf 7.40 uur (tien minuten reistijd tot 7.50 uur) tot ongeveer 13.45 uur (vertrek van de monteur voordat de storing geconstateerd werd) als “bezig zijn” gezien kan worden. Daarvan is vijf uur in rekening gebracht. Die uren moeten dus betaald worden (5x € 81,00 = € 405,00). [gedaagde] heeft hiervan al € 256,50 betaald en moet daarom nog € 148,50 inclusief btw betalen.
Materialen
4.3.
Volgens [gedaagde] zijn de kosten voor de materialen die [eiseres] op de factuur heeft vermeld te hoog. Zij maakt er een onredelijke winst op. Daarom hoeft [gedaagde] de hoge prijzen niet te betalen. Daarnaast zijn de wasmachinekraan en de gaskraan ten onrechte gefactureerd en heeft [eiseres] oude materialen, die van de moeder van [gedaagde] waren, ten onrechte afgevoerd. Deze oude materialen vertegenwoordigden nog een waarde van € 106,93. Dat bedrag moet dus in mindering worden gebracht op de factuur, aldus [gedaagde] .
4.4.
[gedaagde] heeft op deze wijze gemotiveerd betwist dat de kosten, die [eiseres] voor door haar gebruikte materialen in rekening heeft gebracht, correct zijn. Hij heeft uitdraaien van de betreffende materialen, inclusief de prijs die volgens hem correct is, overgelegd. Hij erkent dat [eiseres] winst mag maken, maar binnen grenzen. [eiseres] heeft vervolgens geen onderbouwing gegeven van de door haar gemaakte materiaalkosten. Ze heeft geen onderliggende facturen van haar leverancier(s) overgelegd en ook niet uitgelegd wat haar winstmarge is en/of hoe de prijzen tot stand zijn gekomen. Ze heeft enkel aangegeven dat ze materialen met een Kiwa of Giveg keurmerk gebruikt en dat er prijsstijgingen zijn geweest bij de groothandel. Dat is onvoldoende. Daarom zal uit worden gegaan van de door [gedaagde] aangegeven prijzen voor de materialen. Uit productie 3 bij CvA blijkt dat dan wordt uitgekomen op een bedrag van € 196,57 inclusief btw aan materialen. Dit bedrag is inclusief de wasmachinekraan. Anders dan [gedaagde] meent is deze kraan naar het oordeel van de kantonrechter niet ten onrechte vervangen. Het is aan [eiseres] , als professional, om te bepalen hoe zij haar opdracht uitvoert. Zij is verplicht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen, dus als zij inschat dat om lekkage te voorkomen een kraan wordt vervangen, is dat aan haar. Voor de gaskraan geldt dat bij repliek duidelijk is geworden dat enkel een eindkoppeling van een gasleiding is gebruikt en gefactureerd en [gedaagde] heeft daar ook een bedrag aan gekoppeld, dus daarvoor moet ook betaald worden.
4.5.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] van mening is dat hij € 106,93 van [eiseres] moet ontvangen vanwege “gestolen materialen”. Hij heeft wederom uitdraaien van internet overgelegd waaruit de prijs van de betreffende materialen blijkt. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Niet valt in te zien waarom de moeder van [gedaagde] , toen de monteur bezig was met zijn opruimwerkzaamheden, niet heeft aangegeven de materialen te willen behouden. Volgens [gedaagde] duurde het afvoeren een half uur, dus er was tijd voor een gesprek(je). Daarnaast geldt dat [eiseres] , toen zij erachter kwam dat [gedaagde] de materialen terug wilde, aan [gedaagde] de mogelijkheid heeft geboden (soortgelijke) materialen bij haar af te komen halen. Van die mogelijkheid heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt. Het bedrag van € 106,93 zal dus niet worden verrekend met wat [gedaagde] nog aan [eiseres] moet betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.6.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd op 5 februari 2024 die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding komt op grond van artikel 6:96 lid 6 BW echter niet volledig voor toewijzing in aanmerking, omdat [gedaagde] de vordering gedeeltelijk heeft voldaan binnen de in de aanmaning gestelde betalingstermijn van 14 dagen (na ontvangst). Hij heeft namelijk op 19 februari 2024 € 178,20 betaald. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat de aanmaning op 17 januari 2023 is verstuurd, maar de overgelegde aanmaning dateert van 19 februari 2024 dus dat neemt de kantonrechter als uitgangspunt. Daarnaast geldt dat de aanmaning zag op de totale factuur en in deze procedure niet het volledige factuurbedrag, met aftrek van betalingen, is toegewezen. Daarom is [gedaagde] aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 51,76 exclusief btw verschuldigd, volgens het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Dit bedrag is gebaseerd op de hoofdsom van € 345,07 (€ 148,50 + € 196,57) waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld.
4.7.
[eiseres] vordert wettelijke handelsrente, maar omdat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zal wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) worden toegewezen. Deze rente wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat [eiseres] onvoldoende onderbouwd heeft dat de rente vanaf een eerdere datum verschuldigd was.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 396,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 345,07, met ingang van 17 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] bepaald op een bedrag van € 448,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.
560 / 40141