Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-02-13
ECLI:NL:RBGEL:2024:712
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,264 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/4221
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats 1] , eiseres
(gemachtigde: S.G. Azimullah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats 2] , werknemer
(gemachtigde: mr. O. Sahin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan [derde-partij] (werknemer) met ingang van 12 oktober 2020 (datum in geding).
1.1.
Het UWV heeft deze uitkering met het besluit van 15 april 2021 toegekend. Met het bestreden besluit van 3 augustus 2021 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de toekenning van de uitkering gebleven.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Werknemer heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres S.G. Azimullah en [eiseres] , alsmede de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van werknemer.
Totstandkoming van het besluit
2. Werknemer heeft sinds 1 mei 2006 bij eiseres gewerkt als internationaal vrachtwagenchauffeur gedurende gemiddeld 40 uur per week. Op 15 oktober 2018 is hij voor dit werk uitgevallen.
2.1.
Aan het bestreden besluit liggen de volgende medische onderzoeken ten grondslag. In het kader van de WIA-beoordeling heeft de primaire verzekeringsarts (primaire va) E. van der Meulen een onderzoek ingesteld en werknemer (via zijn zoon) telefonisch gesproken op 4 december 2020. Volgens Van der Meulen heeft werknemer vanwege bedlegerigheid geen benutbare mogelijkheden (GBM) op de datum in geding, maar is deze situatie niet duurzaam.
In bezwaar heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep (va b&b) M. Postma op 12 juli 2021 dossieronderzoek verricht, gerapporteerd en zich achter de conclusies van de primaire va geschaard.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan werknemer. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met eiseres. Om te voorkomen dat deze alsnog kennis neemt van zijn medische gegevens wordt in het navolgende daarom, in overeenstemming met de wens van werknemer, indien mogelijk, alleen in algemene termen over zijn gezondheidssituatie gesproken.
4. Het beroep slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
5. Eiseres stelt dat aan de medische adviezen van het UWV geen feitelijk medisch onderzoek door de primaire va en de va b&b vooraf is gegaan. De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat werknemer ten onrechte niet op een fysiek spreekuur is gezien en lichamelijk is onderzocht. Volgens eiseres voldoet het medisch onderzoeksverslag niet aan de kwaliteitseisen van artikel 4 en meer in het bijzonder het eerste lid, onderdeel c en het tweede lid van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (SB).
5.1.
Uit de dossierstukken blijkt dat de primaire va telefonisch met (de zoon van) werknemer heeft gesproken en dat de va b&b dossieronderzoek heeft verricht. Door het UWV is niet weersproken dat geen fysiek spreekuurcontact heeft plaatsgehad.
5.2.
Uit de rechtspraak volgt dat, waar in de primaire fase geen spreekuurcontact is geweest met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de bezwaarfase een betrokkene tijdens een spreekuurcontact door een verzekeringsarts bezwaar en beroep moet worden gezien. De rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) stelt niet de voorwaarde dat er tijdens het spreekuurcontact een lichamelijk onderzoek moet worden verricht. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak (rechtsoverweging 5.3.) volgt dat als er geen lichamelijk onderzoek is verricht, dit nog niet betekent dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was.
Zoals de CRvB heeft overwogen in de uitspraak van 16 maart 2023, zal een spreekuur meestal in fysieke vorm plaatsvinden, maar ook een spreekuur dat telefonisch of met behulp van een beeldverbinding is verricht, kan een spreekuurcontact zijn zoals bedoeld in de uitspraak van 23 juni 2021. Bij een spreekuur dat via een telefoon/beeldverbinding plaatsvindt, geldt onverkort dat het onderzoek zorgvuldig moet zijn.
Zo nodig zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dat geval moeten (kunnen) motiveren waarom van een fysiek (lichamelijk en/of psychisch) onderzoek kon worden afgezien, zeker als op dat gebied gronden zijn aangevoerd.
Uit de hiervoor genoemde rechtspraak volgt dat aan twee voorwaarden moet worden voldaan, namelijk dat het telefonisch verrichte spreekuur voldoende zorgvuldig is en dat de va b&b voldoende heeft gemotiveerd waarom is afgezien van het verrichten van een lichamelijk onderzoek. De rechtbank zal beoordelen of aan deze voorwaarden is voldaan.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het door de primaire va Van der Meulen verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is. Uit het rapport van Vermeulen blijkt voldoende dat het verrichten van lichamelijk onderzoek geen toegevoegde waarde zal hebben en alleen kan worden verricht als dat realiter ook mogelijk is. Tijdens het telefonische spreekuur heeft Van der Meulen gesproken met werknemer, waarbij, gelet op de taalbarrière, de zoon van werknemer vertaalde. Van der Meulen heeft recente informatie van de huisarts, de neuroloog, de revalidatieartsen de fysiotherapeut opgevraagd, ontvangen en gemotiveerd in de beoordeling betrokken. Van der Meulen heeft het door revalidatiearts Cremers op 30 juli 2020 verrichte lichamelijk onderzoek beschreven. Omdat dit lichamelijk onderzoek vrij kort voor de datum in geding is verricht ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de primaire va aspecten van de gezondheidstoestand van werknemer heeft gemist. Va b&b Frenay heeft er is een rapport van 25 juli 2023 op gewezen dat er sprake was van een consistent verhaal, wat consistent was met de gegevens van de behandelaars, die ook een consistent beeld van werknemer beschreven. De rechtbank voegt hieraan toe dat de bedlegerigheid van werknemer in meerdere verslagen van de behandelaars wordt beschreven en dat werknemer kort voor de datum in geding per ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank oordeel dat een fysiek spreekuurcontact geen reële mogelijkheid was en reeds om die reden geen toegevoegde waarde had. Daarom acht de rechtbank het afzien van een − fysiek − spreekuurcontact niet onzorgvuldig. De grond van eiseres dat niet voldaan is aan de kwaliteitseisen van het SB slaagt dan ook niet.
5.4.
De rechtbank leest in de rapporten van de va b&b geen motivering waarom in dit geval is afgezien van een fysiek spreekuurcontact, terwijl eiseres hiertegen zowel in bezwaar als in beroep gronden heeft aangevoerd. Dit betekent dat het bestreden besluit niet tot stand is gekomen overeenkomstig de vereisten die de rechtspraak stelt (zie hiervoor onder 5.2.). Het UWV heeft geen volledige heroverweging op de grondslag van het bezwaar verricht, zoals artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft. Er is dan ook sprake van een motiveringsgebrek in de zin van artikel 7:12 van de Awb. Omdat het, mede gelet op wat onder 5.2 en 5.3 is vermeld aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld, zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van het motiveringsgebrek passeren.
Het stappenplan beoordelingskader duurzaamheid arbeidsbeperkingen
6. Volgens eiseres hebben de verzekeringsartsen ten onrechte niet het stappenplan behorend bij het Beoordelingskader duurzaamheid van arbeidsbeperkingen gevolgd.
6.1.
De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat het niet zetten van alle stappen van het beoordelingskader niet in strijd is te achten met de eisen die zijn te stellen aan een besluitvorming als dit in een concreet geval heeft geleid tot een besluit dat is voorzien van een deugdelijke motivering. Het beoordelingskader is een hulpmiddel ten behoeve van een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming.
Van der Meulen schrijft dat de toestand van werknemer is te veranderen met graded activity, zoals uit de informatie van de behandelaars blijkt.
Va b&b schrijft in haar rapport van 1 november 2021 dat er geen sprake is van evidente fysieke dan wel psychische aandoeningen, dus geen evidente schade, zodat er geen enkele reden is om blijvende beperkingen aan te nemen. De bedrijfsarts gaf ook al aan dat herstel voor het eigen werk verwacht wordt met de juiste behandelaanpak. Met deze aanpak moet werknemer binnen één jaar weer in staat zijn tot normaal functioneren en zeker voor werk als lange afstandchauffeur, omdat hij dan ook weg is uit het onderhoudend thuissysteem.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen hiermee voldoende hebben gemotiveerd dat op de datum in geding geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De omstandigheid dat aan werknemer inmiddels door het UWV alsnog per 4 april 2023 een IVA-uitkering wordt verstrekt, kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien dat niet met zich brengt dat de door de va b&b aangegeven verwachting die ten tijde in dit geding van belang bestond, voor onjuist moet worden gehouden.
Geen benutbare mogelijkheden (GBM)
7. Eiseres stelt dat de verzekeringsartsen ten onrechte uit zijn gegaan van een situatie van GBM.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om te bepalen dat het UWV eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden en om het UWV in de proceskosten van eiseres te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van artikel 1 onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Van andere kosten is niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 360 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.750 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
J. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 20 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1760, r.o. 5.1.
ECLI:NL:CRVB:2023:486.
ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
Uitspraak van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:104, r.o. 4.3.5.
Uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
Uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1158, r.o.4.6.
ECLI:NL:CRVB:2014:2519.
Uitspraak van 3 januari 2024, ECLI:NL:2024:24.