Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-10-18
ECLI:NL:RBGEL:2024:7069
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,227 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/2332
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.P. Hoegee)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, het college
(gemachtigde: mr. M. Verhulst).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van het college om aan hem een omgevingsvergunning te verlenen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 15 maart 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij die weigering gebleven. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser heeft op 13 april 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een “bijgebouw, poolhouse” bij zijn woning aan [locatie 1] in [plaats] . Het bouwwerk voldoet niet aan het bestemmingsplan, omdat dat buiten het bouwvlak ligt en de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken overschrijdt. Het college heeft eiser daarom op 27 juni 2022 in de gelegenheid gesteld om het bouwplan aan te passen. Eiser heeft het bouwplan toen niet aangepast.
2.2.
In de tussentijd is de beslistermijn twee keer opgeschort op verzoek van eiser tot 27 augustus 2022 en 1 oktober 2022 voor extra tijd om het plan aan te passen en voor overleg met het college. Omdat eiser daar niet meer op zou zijn teruggekomen, heeft het college de omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘strijdig gebruik’ geweigerd op 30 september 2022.
2.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering. Met het bestreden besluit van 15 maart 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de weigering gebleven.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de weigering van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de weigering in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Eiser heeft nog procesbelang
4. Het college heeft in het verweerschrift twijfel opgeworpen over het procesbelang van eiser bij het gelegaliseerd krijgen van het aangevraagde bouwplan. Het bijgebouw is namelijk inmiddels feitelijk nog verder buiten het bouwvlak gerealiseerd dan aangevraagd, zodat ook bij een gegrond beroep legalisatie op basis van de huidige aanvraag niet meer mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet betekent dat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel over het al dan niet terecht weigeren van de omgevingsvergunning voor het bouwen buiten het bouwvlak.
De geweigerde omgevingsvergunning
5.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bouwplan (in ieder geval) in strijd is met het bestemmingsplan ‘Pieckelaan – Lagunesingel’, omdat het bouwwerk (grotendeels) buiten het bouwvlak ligt:
5.2.
Verder is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan vanwege overschrijding van het maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (50 m2). Een bestaande schuur is namelijk 12 m2 en het aangevraagde gebouw is 67,2 m2. Weliswaar heeft het college aangegeven bereid te zijn om op dit punt van het bestemmingsplan af te wijken, maar dat wil het college alleen als dat binnen het bouwvlak gebeurt. Voor de overschrijding van het bouwvlak heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd.
Heeft het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen weigeren?
Goede ruimtelijke ordening?
6.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het ruimtelijk niet aanvaardbaar is om te bouwen vóór de bebouwingsgrenzen van de voorgevels. Aan de weigering ligt een (intern) advies van de afdeling Ruimtelijke ordening ten grondslag, waarin onder andere wordt overwogen:
“(…) Het bijgebouw wordt op circa 6,04 m van de noordelijke perceelsgrens gerealiseerd en valt daarmee deels buiten het bouwvlak. Het bouwen van het bijbehorend bouwwerk buiten het bouwvlak is stedenbouwkundig niet wenselijk bevonden, aangezien hiermee zowel de voorgevelrooilijn van de woningen aan [locatie 2] en [locatie 3] wordt overschreden, alsmede de zijgevel van de hoekwoning aan [locatie 1] . Met het overschrijden van deze rooilijnen wordt afgeweken van de omliggende bebouwing en daardoor veranderd [sic] het ritme in het straatbeeld. Aangezien het een hoeksituatie betreft, is dit vanaf de straatzijde van [locatie 4] [sic]duidelijk zichtbaar. De rooilijnen zijn met de ligging van het bouwvlak vastgelegd in het bestemmingsplan. Het bouwen buiten het bouwvlak wordt daarom niet wenselijk bevonden.
Wij adviseren daarom om geen medewerking te verlenen aan dit initiatief. We adviseren de initiatiefnemer het plan aan te passen zodat binnen het bouwvlak wordt gebouwd. Dit is mogelijk door het geplande gebouw circa 1,26 m richting het zuiden te verplaatsen.”
6.2.
Eiser stelt dat het college er ten onrechte, op basis van het advies van de Afdeling Ruimtelijke Ordening, van uitgaat dat er stedenbouwkundige bezwaren bestaan tegen het bouwplan.
Ten eerste is dat advies niet opgesteld door een stedenbouwkundige, zodat de omgevingsvergunning niet om stedenbouwkundige redenen kan worden geweigerd.
Ten tweede zijn er in het bestemmingsplan “herziening Oude Reekstraat-Wolfbossensingel” geen rooilijnen, maar bouwvlakken. Uit de planregels volgt niet dat de voorgevels in de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak moeten staan.
Ten derde zijn er ook feitelijk geen strakke rooilijnen. Dat is goed te zien doordat [locatie 5] dichter op de weg ligt dan de andere woningen aan die straat.
Ten vierde heeft de welstandscommissie wel positief geadviseerd over het bouwplan en ook beoordeeld of het plan in de omgeving past. De regio-architect van het Gelders Genootschap adviseert namelijk dat het plan goed mogelijk is, onder andere gelet op het platte dak en de groene omranding.
Ten vijfde was er ten tijde van de verkoop van de kavel van de gemeente aan eiser nog een veel ruimer bouwvlak, te zien op de kavelkaart.
Ten zesde gaat het college er ten onrechte aan voorbij dat de haag het zicht onttrekt aan het bouwwerk.
Tot slot heeft eiser zelf een second opinion ingediend met de volgende conclusie:
“Naar onze mening is het plan stedenbouwkundig goed passend. De vorm is duidelijk ondergeschikt, door de beperkte hoogte en het platte dak. De afstand van het bijgebouw is met 4 meter op behoorlijke afstand van de perceelsgrens en daarmee van het openbare gebied. Daarnaast is het erf omzoomd met een hoge beukenhaag waardoor het bijgebouw binnen korte termijn geheel uit het zicht komt te staan. De vormgeving van het bijgebouw is eenduidig en sober met kwalitatief goed materiaal gebruik passend bij het informele karakter van de straat als overgang naar het buitengebied.”
6.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren op de grond dat bouwen buiten het in het bestemmingsplan vastgelegde bouwvlak en dus vóór de bebouwingsgrenzen van de voorgevels (zeker in een hoeksituatie) stedenbouwkundig-planologisch niet wenselijk is. Het college wil op die manier voorkomen dat het ritme in het straatbeeld verandert en hecht daarbij groot belang/gewicht aan de ruimtelijke kaders die de gemeenteraad heeft meegeven in bestemmingsplannen.
6.5.1.
Dat het advies van de afdeling Ruimtelijke Ordening geen stedenbouwkundig deskundigenadvies is, maakt niet dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen weigeren om stedenbouwkundig-planologische redenen.
Het college heeft namelijk in de afweging om al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan doorslaggevend gewicht toegekend aan de planologische kaders die de gemeenteraad door middel van de bebouwingsmogelijkheden al in het bestemmingsplan heeft vastgesteld. Die kaders vinden hun grondslag in stedenbouwkundige uitgangspunten, waaraan het college wenst vast te houden mede omdat op het perceel van eiser voldoende ruimte was geweest om het bijgebouw daarop op een andere plek te realiseren.
Het is overigens ook, bijvoorbeeld in de regels voor vergunningvrij bouwen, een algemeen aanvaard (stedenbouwkundig) uitgangspunt dat niet voor voorgevels wordt gebouwd.
Het college heeft daarbij ook gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat het perceel van eiser een hoekperceel is dat aan beide kanten te maken heeft met de bouwgrenzen van de voorgevels van de hoofdgebouwen en aan de omstandigheid dat het perceel van eiser voldoende ruimte had geboden om het bijgebouwen anders te situeren.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft. Het griffierecht en de proceskosten van eiser worden daarom niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inmiddels is de Omgevingswet in werking getreden, maar in deze procedure geldt nog het oude recht (zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet).
Artikel 5.2.1, aanhef en onder c, van de planregels bepaalt dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak.’
Artikel 5.2.3, aanhef en onder a, van de planregels bepaalt dat de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 50 m2.
De “beoordeling plaatsing bijgebouw [locatie 1] te [plaats] ” van 10 mei 2023 door [adviesbureau] .
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2811, r.o. 6.
Uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3596, r.o. 3.
Vgl. uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4372, r.o. 5.1 en recenter nog de uitspraak van 20 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3362.