Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-09-11
ECLI:NL:RBGEL:2024:7038
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,504 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10945838 \ CV EXPL 24-1591
Vonnis van 11 september 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: C. de Nijs,
tegen
[gedaagde]
,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: E.J. van Os.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 april 2024;
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Hierna heeft de kantonrechter partijen laten weten dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
Feiten
2.1.
[eiseres] heeft in de periode 2017 tot en met 2021 diverse werkzaamheden verricht ten behoeve van verschillende (toen nog mogelijk te realiseren) projecten van [gedaagde] , genaamd [projectnamen 1 t/m 5] . Deze werkzaamheden bestonden onder andere uit inventariserend onderzoek, het opstellen van bouwkostenramingen en een (concept) opnamerapport. Als de projecten daadwerkelijk doorgang zouden vinden, zouden de kosten van de voorbereidende werkzaamheden worden meegenomen in het honorarium van het project. De genoemde projecten zijn echter nooit tot realisatie gekomen, waardoor [eiseres] de kosten voor deze voorbereidende werkzaamheden apart in rekening heeft gebracht bij [gedaagde] .
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 15.125,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van gedaagde voorbereidende werkzaamheden voor verschillende projecten van [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] heeft de factuur van € 15.125,00, die ziet op deze werkzaamheden, niet betaald, waardoor zij op grond van de gesloten overeenkomst dan wel op grond van artikel 7:405 BW de werkzaamheden alsnog moet vergoeden. Omdat [gedaagde] niet heeft betaald, maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW. Daarnaast zag [eiseres] zich door de wanbetaling genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van € 926,25 komen volgens [eiseres] ook voor rekening van [gedaagde] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Door [eiseres] is gesteld dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] voorbereidende werkzaamheden heeft verricht.
4.2.
Een overeenkomst van opdracht komt tot stand doordat de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.
4.3.
Het staat vast dat [eiseres] zich tegenover [gedaagde] heeft verbonden om werkzaamheden te verrichten die betrekking hadden op acquisities van [gedaagde] . Door [gedaagde] wordt echter betwist dat was afgesproken dat zij [eiseres] hiervoor zou betalen. Zij stelt dat er is afgesproken dat [eiseres] zou onderzoeken of het zinvol zou zijn voor [gedaagde] om te gaan investeren in de verschillende potentiële projecten. Vervolgens was het aan [gedaagde] om te bepalen of het wel of niet daadwerkelijk een (kansrijk) project zou kunnen worden. Pas wanneer de acquisitie zou leiden tot een project, dan zou [eiseres] volgens afspraak worden betrokken bij de uitvoering van het project en hiervoor worden betaald. Wanneer het geen project zou worden, zou [eiseres] geen recht hebben op een vergoeding. De samenwerking was volgens [gedaagde] dan ook gebaseerd op strategisch partnerschap, waarbij zij in de veronderstelling was dat er werd gekeken of partijen er samen een project van konden maken. Daarbij is volgens [gedaagde] nooit door [eiseres] aangegeven dat als het geen project zou worden, er een vergoeding voor de bestede uren moest worden betaald.
4.4.
Volgens [eiseres] had [gedaagde] moeten weten dat zij hier een vergoeding voor zou vragen, als de projecten niet tot realisatie zouden komen. [eiseres] heeft namelijk eerder soortgelijke werkzaamheden uitgevoerd voor projecten van [bedrijf 1] , een volle dochteronderneming van [gedaagde] . Die projecten zijn ook nooit tot realisatie gekomen maar daarvoor is ook een honorarium in rekening gebracht welke door [gedaagde] is betaald. Bovendien was [gedaagde]
volgens [eiseres] bekend met haar algemene voorwaarden, die op de overeenkomst met [bedrijf 1] van toepassing waren. Het blijkt volgens [eiseres] nergens uit dat partijen in dit geval andere afspraken hebben gemaakt dan bij [bedrijf 1] en dat [gedaagde] geen vergoeding voor de verrichte werkzaamheden verschuldigd is.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Omdat [gedaagde] de vordering van [eiseres] voldoende gemotiveerd heeft betwist, lag het op grond van artikel 150 Rv op de weg van [eiseres] om te onderbouwen dat hij voor deze werkzaamheden betaald zou krijgen. Dit heeft hij nagelaten.
De stelling dat dit voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest, omdat eerder kennelijk een vergelijkbare samenwerking met [bedrijf 1] had plaatsgevonden gaat niet op omdat, nog daargelaten dat het verschillende rechtspersonen betreft, [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat het in die samenwerking niet alleen om voorbereidende maar ook om uitvoerende werkzaamheden ging waarvoor is betaald.
Ook blijft onduidelijk waarom [eiseres] de werkzaamheden niet eerder in rekening heeft gebracht, maar pas jaren later alles in één keer factureert.
Voorgaande leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] voor de werkzaamheden betaald zou worden.
4.6.
[gedaagde] is ook niet op grond van artikel 7:405 lid 2 BW een op gebruikelijke wijze berekend loon of redelijk loon aan [eiseres] verschuldigd, omdat partijen niet hebben afgesproken dat betaling nodig is wanneer de projecten niet worden gerealiseerd. Daar komt bij dat de prijs die [eiseres] vraagt niet onderbouwd is en nergens uit blijkt welk tarief per uur of dag(deel) [eiseres] hanteert.
4.7.
De vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen. Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, worden de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten ook afgewezen.
4.8.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2,00 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
947,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
43576/62956