Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-10-02
ECLI:NL:RBGEL:2024:6984
Strafrecht
Raadkamer
1,292 tokens
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] .
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 12 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 2 oktober 2024 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. R.G.M. Rijkhoff en de officier van justitie op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat zij ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was. Zij is een first offender. Veroordeelde heeft het feit bekend, zij heeft een excuusbrief gemaakt en zij heeft sindsdien geen nieuwe strafbare feiten meer gepleegd.
Er is veel hulpverlening bij veroordeelde betrokken en dit verloopt goed. De reclassering heeft aangegeven dat het recidiverisico verlaagt kan worden op het moment dat veroordeelde hulp krijgt en dat is nu het geval. Het verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde zou gelet op het voorgaande disproportioneel zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat ondanks dat de wet DNA rigide is, is hier sprake van een bijzondere omstandigheid. Omdat er een voorwaardelijke straf is opgelegd door de kinderrechter, veroordeelde first offender is, geen nieuwe strafbare feiten meer heeft gepleegd en zij een nieuw leven heeft opgebouwd, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard.
Beoordeling
Bij vonnis van 20 maart 2024 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen feit. De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaarschrift is ingediend binnen veertien dagen na de dag waarop het celmateriaal is afgenomen. Daarom is de veroordeelde ontvankelijk in zijn bezwaar (artikel 7, eerste lid, Wet DNA-V).
De veroordeelde is veroordeeld voor misdrijven waarbij een bevel tot het afnemen van celmateriaal wordt afgegeven (artikel 2, eerste lid Wet DNA-V). Dit is alleen anders als de veroordeelde valt onder de uitzonderingsbepalingen zoals genoemd in artikel 2 onder 1 sub a of b Wet DNA-V.
De uitzonderingsbepaling genoemd in artikel 2 onder 1 sub a Wet DNA-V houdt in dat geen DNA wordt afgenomen als van deze persoon al DNA is verwerkt. Hiervan is in deze zaak geen sprake.
In de huidige wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen minderjarigen en meerderjarigen. Wel wordt in artikel 2, eerste lid aanhef en onder b Wet DNA-V een voor meerderjarigen en minderjarigen geldende uitzondering gemaakt op de verplichte DNA-afname voor de situatie waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde, gelet op:
de aard van het misdrijf, of
de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd.
Voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan deze uitzonderingsgronden is geen plaats (HR 13 mei 2008, NJ 2008/627 en 628; LJN BC8231 en BC8234).
Veroordeelde is veroordeeld voor, kort gezegd, openlijke geweldpleging tegen een persoon. De raadkamer is met de veroordeelde en de officier van justitie van oordeel dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten van veroordeelde. De raadkamer heeft evenmin anderszins aanleiding te veronderstellen dat veroordeelde zal recidiveren in strafbare feiten waarbij DNA-onderzoek kan bijdragen aan opsporing daarvan. De veroordeelde heeft een strafbaar feit gepleegd dat kan worden bestempeld als een jeugdzonde. De veroordeelde heeft aannemelijk gemaakt dat zij van haar fout heeft geleerd, onder andere doordat zij een excuusbrief heeft opgesteld. De veroordeelde was een first offender en zij is na het strafbare feit niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. Daarbij komt dat er veel hulpverlening bij haar betrokken is waar zij baat bij lijkt te hebben en wat de kans op recidive verlaagt. In dit licht bezien is verplichte DNA-afname ook disproportioneel.
De rechtbank zal het bezwaarschrift om voornoemde redenen gegrond verklaren.
Dictum
De raadkamer:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- beveelt dat de officier van justitie ervoor zorg draagt dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.G.J. Post, kinderrechter, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken op 2 oktober 2024.