Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-08-29
ECLI:NL:RBGEL:2024:6900
Strafrecht
Proces-verbaal
9,992 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2024:6900 text/xml public 2026-05-19T16:14:36 2024-10-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2024-08-29 05.088657.24 Uitspraak Proces-verbaal NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:6900 text/html public 2026-05-19T16:04:18 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2024:6900 Rechtbank Gelderland , 29-08-2024 / 05.088657.24 PR appel- tegendemonstratie Pegida- openlijk geweld-noodbevel burgemeester-demonstratierecht-strafbaar RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats: Arnhem Parketnummer: 05.088657.24 proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter van 29 augustus 2024 in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Syrië), wonende aan [adres] [woonplaats] . Raadsman: mr. T. Yilmaz, advocaat in 's-Gravenhage. Alle in dit proces-verbaal weergegeven verklaringen zijn zakelijk weergegeven. Tegenwoordig: mr. J.M. Graat, politierechter, en mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier. Als officier van justitie is aanwezig mr. A.C.J. Nettenbreijers. Uitgeroepen wordt de zaak tegen verdachte. De politierechter stelt de identiteit van verdachte vast op de wijze bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Als raadslieden van verdachte zijn aanwezig, mr. T. Yilmaz en mr. J. van Lunen, advocaten te 's-Gravenhage. De politierechter constateert dat eveneens ter terechtzitting aanwezig is als vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 1] , mr. U.C.B de Vaan. Verdachte geeft blijk de Nederlandse taal niet te verstaan maar wel de Syrisch Libanese taal. Het onderzoek heeft daarom tot 12.00 uur plaatsgevonden met bijstand van [tolk 1] , tolk in de Syrisch Libanese taal, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Al hetgeen ter terechtzitting wordt gesproken of voorgelezen, is door de tolk vertaald. De politierechter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden is verplicht. De zaak wordt gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 05.088659.24), [medeverdachte 2] (parketnummer 05.088662.24), [medeverdachte 3] (05.088661.24) en [medeverdachte 4] (parketnummer 05.088653.24). De officier van justitie draagt de zaak voor. De officier van justitie is van mening dat de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd en vordert dat de op schrift gestelde en aan dit proces-verbaal gehechte wijziging in de tenlastelegging zal worden toegelaten. De raadslieden hebben desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen de gevorderde wijziging. De politierechter wijst de vordering toe, waardoor de tenlastelegging komt te luiden als in de vordering vermeld. Aan de raadslieden wordt een gewaarmerkt afschrift van de wijziging verstrekt. Met toestemming van de raadslieden wordt het onderzoek voortgezet. De politierechter deelt de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek mee, waaronder: - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0600-2024061277, van 11 maart 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, met bijlagen; - een aanvullend proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , gedateerd 29 april 2024; - een aanvullend proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , gedateerd 22 augustus 2024 en; - het uittreksel justitiële documentatie van 12 juli 2024. De politierechter deelt mee dat de volgende stukken zijn ingekomen en aan het procesdossier worden toegevoegd: videobeelden (videobeelden per verdachte, zoals beschreven in de proces-verbalen van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , maar ook het moederbestand van 2,5 uur zoals dat in die proces-verbalen van bevindingen is beschreven); de schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde 2] ; een schadevergoedingsformulier van [benadeelde 2] ; een schadevergoedingsformulier van [benadeelde 1] en; een schrijven van mrs. Yilmaz en van Lunen met bijlagen, gedateerd 28 augustus 2024. Verdachte verklaart: Ik was op 13 januari 2024 op het Jansplein in Arnhem. Ik ben te zien op de beelden en ben degene die beschreven wordt door de politie in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 128 e.v. Ik droeg een wit jack. Ik had gehoord van de demonstratie en ik ging kijken wat er aan de hand was. U vraagt mij waarom ik niet voldaan heb aan de vordering om het plein te verlaten die via de megafoon werd gedaan. Ik versta het Nederlands niet goed. Zij gingen de Koran verbranden. Er hoort dan iemand te zijn die Arabisch spreekt zodat wij kunnen verstaan wat er gezegd wordt. U vraagt mij of ik iets gehoord heb. Ik heb wel gehoord dat er iets werd omgeroepen door de politie, maar ik weet niet wat er omgeroepen werd. Er waren meerdere mensen, maar ik kon aan niemand vragen wat er gezegd werd. Het klopt dat de politie in een linie stond. Ik begreep niet dat het de bedoeling was dat mensen weg zouden gaan. Ik ben blijven staan. U houdt mij voor dat ik er van wordt verdacht dat ik samen met mijn broers tegen een terrasbar heb geduwd en getrapt en daaraan heb getrokken, waarna deze los is gekomen en door mijn broers door de linie is gereden, terwijl ik met een plank in mijn handen richting de linie ben gegaan. Ik had een reden waarom ik dit deed en bij mij had. Het was een plank en ik wilde deze voor mijn gezicht houden. Er werd van alles gegooid; mijn kleine broer en de broer die nu naast me zit, werden geslagen door de politie. We stonden er gewoon en we gingen niet naar voren, maar ze gingen toch door met slaan en duwen. Er werd ook met asbakken gegooid dus ik had deze plank om mijn gezicht of hoofd te bedekken. Mijn doel was niet om er iemand mee te slaan, alleen mezelf beschermen. U vraagt mij waarom ik de bar heb losgetrokken. Op de beelden zie je dat ik ook een plank aan de politie heb gegeven. Er was koffie gegooid en ik heb nog papier aan de agent gegeven zodat hij zich droog kon maken. U vraagt mij nogmaals waarom ik de bar heb losgetrokken. Die is door mensen losgekomen. Ik zag hem op de grond en had hem meegenomen. U houdt mij voor dat dit over de plank lijkt te gaan en vraagt mij waarom ik de bar heb losgeduwd. Ik was er niet bij toen ze die kapot maakten. Ik heb alleen een plank meegenomen. Nu de tolk de zittingszaal dient te verlaten vanwege andere verplichtingen, worden alle zaken, met uitzondering van de zaak tegen verdachte [medeverdachte 1] , 15 minuten onderbroken opdat de officier van justitie (via zijn parket) een nieuwe (telefonische) tolk kan regelen. Na een onderbreking hervat de politierechter de behandeling van de zaken en is telefonisch als tolk de heer [tolk 2] aanwezig. Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden verklaart verdachte: Ik ben getrouwd en heb vijf kinderen. Ik werk sinds 8 maanden in Arnhem als monteur. Ik heb geen uitkering. De officier van justitie voert het woord tot requisitoir overeenkomstig een overgelegde notitie, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd. De schriftelijke vordering wordt aan de politierechter overgelegd. Hij voegt hieraan het volgende toe: Ik ben van mening dat het eerste feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard nu verdachte iets heeft gehoord. De aanwezige ME is duidelijk geweest in het roepen van het noodbevel, dit blijkt uit het proces-verbaal. Verdachte bleef echter staan en daarmee voldeed hij niet aan het ambtelijke bevel. Ook het tweede feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Op de beelden is te zien dat verdachte met anderen een houten terrasbar van de plek trekt en duwt. Naar mijn mening staat daarmee voldoende vast dat verdachte onderdeel heeft gemaakt van de hele openlijke geweldpleging. Hij is ook degene die onder ander Alla Akbar roept en een plank omhoog houdt. Verdachte ziet dit als zelfverdediging maar ik zie dit als een geweldshandeling. Voor wat betreft de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] refereer ik mij aan uw oordeel.
Volledig
De vordering is duidelijk onderbouwd met andere uitspraken waarbij er immateriële schade is toegekend die zeer dicht in de buurt liggen van deze zaak en ik zie geen reden om deze niet toe te wijzen. Voor wat betreft de vordering van [benadeelde 2] verzoek ik u deze niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen nu er geen onderbouwing is gegeven voor de opgevoerde reiskosten en hotelkosten. Voor wat betreft de straf voor verdachte merk ik op dat er licht letsel is ontstaan bij [benadeelde 1] . Uitgangspunt volgens de OM richtlijnen bij een first offender is dan 4 maanden gevangenisstraf die verhoogd wordt met 200 % indien er sprake is van een ambtenaar in functie. In de zaken van de zogenoemde blokkeerfriezen is er in eerste aanleg een taakstraf van 120 uur opgelegd en door het Gerechtshof een taakstraf van 90 uren, maar daar was geen letsel opgelopen. Wel was daar sprake van een demonstratie en rellen. In de zaken van de zogenoemde Sinterklaasrellen in Staphorst zijn hogere straffen opgelegd, namelijk een taakstraf van 180 uur. Daar was geen geweld tegen de politie maar de slachtoffers hebben wel een uur in een benarde positie gezeten. Ik kijk verder naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheden waarin de feiten zijn begaan alsmede naar de documentatie van verdachte en andere zaken waarvan ik nog noem een zaak met voetbalgeweld waar een beperkte gevangenisstraf is opgelegd. Het geweld was alleen daar heftiger dan in deze zaak. Ik acht een taakstraf dan ook passend. Daarnaast acht ik het niet denkbeeldig dat [benadeelde 2] of anderen nog een keer een demonstratie uitvoeren waarbij de emoties hoog kunnen oplopen. Ik eis een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur om bij een toekomstige tegendemonstratie een incident als dit te voorkomen en om te voorkomen dat geweld wordt toegepast op welke manier dan ook. Ik vorder dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. De officier van justitie legt vervolgens de vordering aan de politierechter over. De raadsvrouw mr. J. van Lunen voert het woord tot verdediging overeenkomstig een overgelegde pleitnotitie, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd. Zij voert het woord tot en met punt 43 van die pleitnotitie. In aanvulling hierop verklaart de raadsvrouw: De verdediging heeft gisteren nog bestanden gekregen waarin vanuit verschillende camera’s over vier uur beelden zijn weergegeven. Op de beelden is grotendeels te zien dat de sfeer gemoedelijk is en dat veel mensen zich verzamelen gedurende een lange tijd met meerdere personen. In aanvulling op punt 16 merk ik op dat onduidelijk was of de mensen het plein moesten verlaten of alleen afstand moesten houden. Daar komt nog bij dat mijn cliënt geen Nederlands spreekt. Als hij al wat gehoord heeft, dan heeft hij niet begrepen wat de bedoeling was. De punten voor punt 21 dienen ook als voorgehouden te worden beschouwd met betrekking tot het tweede tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd om een tegendemonstratie te voorkomen, maar dat is niet te bedoeling. De vrijheid om demonstraties te voeren heeft mijn cliënt nog steeds. Ik wijs nog extra op de uitspraak genoemd in noot 25 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het noodbevel niet rechtsgeldig was en dit was tijdens de Corona demonstraties. De raadsman mr. T. Yildiz voert vervolgens het woord tot verdediging overeenkomstig de eerder overgelegde pleitnotitie vanaf punt 44. In aanvulling hierop verklaart de raadsman: In aanvulling op punt 61 merk ik op dat de officier van justitie aanvoert dat wanneer er sprake is van letsel, dat er dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te volgen. De officier van justitie noemt voorbeelden van zaken waaronder de zaak in Staphorst, maar naar mijn mening is de zaak uit Staphorst waar allerlei goederen zijn vernield van een hele andere orde dan de onderhavige zaak. In aanvulling op punt 64 merk ik op dat er gelezen dient te worden 28 augustus 2024 en niet 28 januari 2024. De gemachtigde van de benadeelde partij [benadeelde 1] merkt desgevraagd op: Ik wil iets opmerken over het verzoek tot matigen van de vordering van de benadeelde partij en de stelling dat de politie niet zelf het doelwit zou zijn geweest. De politie staat vooraan bij de demonstratie en door de groep tegendemonstranten worden allerlei geweldshandelingen gepleegd, waaronder het gooien van spullen en die drum. Het zijn de verdachten die gooien. Het maakt niet uit wie het doelwit was, de politie staat vooraan en vangt de klappen op. De officier van justitie repliceert: Een niet (voldoende) Nederlands sprekende verdachte heeft recht op een vertaalde dagvaarding, een tolk bij het verhoor en een tolk ter terechtzitting, maar het kan natuurlijk niet zo zijn dat wanneer een noodbevel wordt uitgevaardigd de politie eerst moet nagaan welke nationaliteiten de aanwezigen bezitten om vervolgens het bevel in al die talen te doen. Er was sprake van een onrustige situatie, men vreesde voor rellen, er stond een politielinie en het noodbevel is meerdere keren via een megafoon hoorbaar geweest. De demonstranten moesten het plein verlaten. Dat verdachte de Nederlandse taal niet voldoende spreekt, is zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij had ook aan anderen kunnen vragen wat er werd gezegd. Door in deze situatie te blijven staan, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een noodbevel zou overtreden. Er is sprake van voorwaardelijk opzet. De raadsvrouw mr. J. van Lunen voert het woord voor dupliek: Ik heb de jurisprudentie zo niet paraat, maar volgens mij is het zo dat als je vanwege taalproblemen in Nederland een bepaald (verkeers)bord niet kunt lezen, dat je dan niet strafbaar bent. Dat geldt hier mijns inziens ook. Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De politierechter sluit hierop de behandeling van de zaak, onderbreekt de zitting en zegt later op de dag rond 15.30 uur mondeling vonnis te zullen wijzen. Na een onderbreking wordt de zaak hervat. Aanwezig is als politierechter mr. J.M. Graat en als griffier mr. D.G. Wessels-Harmsen. Als officier van justitie fungeert mr. A.C.J. Nettenbreijers. Verdachte en zijn raadsman, mr. T. Yildiz, zijn in de rechtszaal aanwezig. Telefonisch is als tolk aanwezig de heer [tolk 2] . De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting. AANTEKENING VAN HET MONDELINGE VONNIS 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is na een door de politierechter toegestane wijziging tenlastelegging ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 13 januari 2024 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens een noodbevel van de burgemeester van Arnhem ex artikel 175 Gemeentewet, gedaan door een of meerdere opsporingsambtenaren, te weten een of meerdere politieagenten, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze opsporingsambtenaren hem hadden bevolen of van hem hadden gevorderd zich te verwijderen van het Jansplein en zich te begeven richting het Willemsplein, hieraan geen gevolg te geven; 2.
Volledig
hij op of omstreeks 13 januari 2024 te Arnhem openlijk, te weten op/aan het Jansplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen voorwerpen, te weten een terrasbar, door tegen die terrasbar te trappen en/of aan die terrasbar te trekken/duwen en/of tegen personen, te weten [benadeelde 2] en/of een of meerdere politieagenten, te weten [benadeelde 1] en/of een of meerdere andere politieagenten, door fysiek door de linie, gevormd door die politieagenten, te breken/duwen/rennen en/of naar die [benadeelde 2] toe te rennen en/of (hierbij) omhoog te springen en/of (hierbij) zijn been te heffen/strekken in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [benadeelde 2] en/of die politieagenten te slaan en/of schoppen en/of duwen, althans slaande en/of schoppende en/of duwende bewegingen te maken naar die politieagenten en/of een of meerdere voorwerpen, te weten een stoel en/of een horloge en/of een asbak en/of een stofzuigermond en/of een oliedrum, althans een metalen voorwerp gelijkend op een oliedrum/ton in de richting van die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 1] en/of die andere politieagenten te gooien en/of een terrasbar in de richting van die [benadeelde 2] en die politieagenten te duwen/rollen en/of “kankerlijers” en/of “kankermongolen” en/of “kankerhoer” en/of “je kanker moeder” en/of “kankerhoerenkinderen allemaal”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking te roepen/schreeuwen richting die [benadeelde 2] en/of die politieagenten. 2 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het schenden van het verbod op willekeur. Dat verweer wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie heeft het vervolgingsmonopolie. Zij mag beslissen of vervolging moet plaatsvinden of worden doorgezet. Die beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing achteraf. En slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich hier niet voor. De verdediging begrijpt niet waarom het Openbaar Ministerie bepaalde mensen wel en andere mensen niet heeft vervolgd, meer in het bijzonder waarom het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen om personen die met voorwerpen gooien niet te vervolgen, maar personen die (zonder het gebruik van geweld) langs de linie rennen wel te vervolgen. In het proces-verbaal is op pagina 14 aangegeven welke keuze is gemaakt door de officier van justitie. Dit is ook toegelicht door de officier van justitie op de zitting. Door de keuzes die zijn gemaakt, waaronder - anders dan door de verdediging aangevoerd - ook het vervolgen van mensen die enkel iets hebben gegooid, is niet sprake van een zo uitzonderlijk geval dat zou maken dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de zaken waarin zij tot vervolging is overgegaan. GEVAL VAN BEWEZENVERKLARING 3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024061277, gesloten op 11 maart 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. De politierechter gebruikt voor het bewijs ten aanzien van de feiten de inhoud van de volgende wettige bewijsmiddelen (waarbij ingevolge de conform artikel 378 Sv vastgestelde Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) deels wordt volstaan met een opsomming daarvan): ten aanzien van feit 1: - het noodbevel, p. 38; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 13, voor zover inhoudende: “Op enig moment werd er door de aanwezige politie gevorderd dat alle mensen zich van het Jansplein moesten verwijderen. De groep tegendemonstranten is door de politie meerdere keren gevorderd het Jansplein te verlaten en zich te begeven richting het Willemsplein te Arnhem, daar mochten zij zich legitiem opstellen als tegen demonstratie. De groep tegendemonstranten bleef, na meerdere gegeven vorderingen toch staan. Nadat het noodbevel, met tekst en uitleg, met gebruik van een megafoon, afgegeven door de burgermeester van Arnhem, was uitgesproken bleef de groep tegendemonstranten nog steeds staan. Hierop volgend is een sectie van de Mobiele Eenheid ingezet, nader te noemen ME. Ook de, ME, heeft meerdere malen de groep tegendemonstranten gevorderd om het Jansplein te verlaten. Meerdere vorderingen van de politie zijn gedaan middels een megafoon. Deze waren zeer luid en duidelijk verstaanbaar.”; - de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2024 waarin hij heeft verklaard dat hij aanwezig was bij de tegendemonstratie op 13 januari 2024, gehoord heeft dat er wat werd omgeroepen door de politie en zich niet heeft verwijderd van het Jansplein in Arnhem. ten aanzien van feit 2: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 46 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 65 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 75 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 81 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 85 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 94 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 103 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 115 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 128 e.v.; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 133 e.v.; - het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] , p. 218, voor zover inhoudende dat hij zijn horloge heeft gegooid. Overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 1: De politierechter verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake was van opzet omdat het noodbevel niet door verdachte is gehoord, dan wel niet door hem is verstaan. De politierechter acht het gelet op beschrijving in het proces-verbaal en zijn eigen verklaring ter terechtzitting niet aannemelijk dat verdachte niet gehoord heeft dat er wat werd omgeroepen door de politie. Uit het proces-verbaal blijkt ook dat het bevel meermaals is herhaald. Voor zover verdachte door taalproblemen niet zou hebben begrepen wat er van hem verwacht werd, komt dat voor zijn eigen rekening. Hij was aanwezig op een plein waar veel politie was. Er werd door de politie iets omgeroepen en er werd een linie gevormd. Door desondanks te blijven staan, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard geen gevolg te geven aan de op het noodbevel gebaseerde bevelen en vordering zich te verwijderen. De politierechter verwerpt ook de verweren dat het noodbevel niet rechtsgeldig/rechtmatig was (gericht op vrijspraak) en dat artikel 184 van het wetboek van Strafrecht buiten toepassing moet worden gelaten vanwege een ontoelaatbare inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM (gericht op ontslag van alle rechtsvervolging). Artikel 10 EVRM betreft de vrijheid van meningsuiting, artikel 11 EVRM de vrijheid van vergadering en vereniging. Deze rechten kunnen alleen beperkt worden door andere wettelijke uitgangspunten. De Demonstratiewet is zo’n andere wet. De burgemeester heeft op grond van zijn bevoegdheden regels gesteld aan de tegendemonstratie. Deze moest plaatsvinden op het Willemsplein. Dit is naar het oordeel van de politierechter, gegeven alle omstandigheden, een plek binnen sight and sound. Het Willemsplein is op korte afstand van het Jansplein en er zijn doorgangen tussen beide pleinen. Bepaald kon worden dat de verplaatsing gegeven de omstandigheden, genoemd in het proces-verbaal, noodzakelijk was. De escalatie die daarna heeft plaatsgevonden, bevestigt dit.
Volledig
Aan de vordering zich te verwijderen werd niet voldaan door de tegendemonstranten. Hierop heeft de burgemeester een noodbevel afgegeven. De politierechter dient te toetsen of in het onderhavige geval de burgemeester van de gemeente Arnhem in redelijkheid tot het uitvaardigen van het noodbevel heeft kunnen komen. De burgemeester is op grond van artikel 175 Gemeentewet bevoegd in bepaalde situaties noodbevelen af te geven. De burgemeester heeft in het noodbevel uitgelegd: dat er sprake was van een tegendemonstratie; dat deelnemers daaraan ondanks vorderingen daartoe zich weigerden te verplaatsen; dat en waarom er sprake van een er gerede vrees voor ernstige verstoringen van de openbare orde en veiligheid in de gemeente Arnhem, bestaande uit onder andere vernielingen en confrontaties tussen demonstranten van Pegida en tegendemonstranten; en dat en waarom er sprake was van (een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan van) een oproerige beweging of van ernstige wanordelijkheden. Daarmee heeft de burgemeester naar het oordeel van de politierechter in redelijkheid tot het uitvaardigen van het noodbevel kunnen komen. Het noodbevel is dus rechtmatig gegeven. Het verweer tot vrijspraak vanwege de gestelde onrechtmatig van het noodbevel wordt daarom verworpen. Er is, gelet op het voorgaande, ook geen sprake geweest van een ontoelaatbare inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM. Het verweer tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens het buiten toepassing laten artikel 184 wordt eveneens verworpen. Overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 2: Naar het oordeel van de politierechter is sprake geweest van het in vereniging plegen van openlijk geweld. Hiervan is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. Wel moet de bijdrage van voldoende gewicht zijn bijvoorbeeld doordat betrokkene aanwezig was bij het geweld en dat geweld op enige wijze (dat kan zelfs door roepen) heeft bevorderd. Op grond van de hiervoor aangehaalde processen-verbaal stelt de politierechter vast dat alle in de tenlastelegging genoemde handelingen hebben plaatsgevonden. De politierechter gaat er daarbij vanuit dat het is gegaan zoals door de politie is beschreven. Ook daar waar ontkend is dat specifieke handelingen hebben plaatsgevonden. Op basis hiervan stelt de politierechter vast dat verdachte, na meerdere charges door de mobiele eenheid, nadat anderen al door de linie waren gebroken en nadat een metalen prullenbak richting de politie is gegooid - op het moment dat de menigte wederom in oproer raakt agressief wordt en er met allerlei spullen wordt gegooid - samen met, onder meer, zijn broers tegen een terrasbar heeft getrapt en daaraan heeft getrokken terwijl anderen tegen die terrasbar hebben geduwd waarna deze los is gekomen en door anderen door de linie is geduwd richting personen. Andere medeverdachten hebben daarvoor en daarna geweldshandelingen gepleegd waaronder slaan en schoppen richting de politieagenten, het gooien van voorwerpen naar de politieagenten en het uiten van beledigingen. Verdachte heeft zich die dag, samen met anderen, gemanifesteerd als groep. De groep tegendemonstranten. Dat is het wezen van wat een demonstratie is, samen optrekken. Op het moment dat verdachte samen met anderen tegen de terrasbar trapte en daaraan trok waardoor deze loskwam, is hij van de groep vreedzame demonstranten overgestapt naar de groep geweldsplegers. Hij heeft wellicht niet (exact) geweten wat er om hem heen aan geweldshandelingen werd verricht, maar hij heeft met zijn handelen het geweld door anderen ten minste wezenlijk bevorderd. Hij heeft daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld door anderen. Het door een linie heen breken levert op zichzelf in een andere context wellicht niet de kwalificatie geweld op. Gelet op het moment waarop deze handelingen plaatsvond, was ook dit naar het oordeel van de politierechter een handeling die in sterke mate heeft bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin anderen tot geweldshandeling zijn overgegaan. Er volgt dus geen partiële vrijspraak op dit punt. 4 Bewezenverklaring Door de inhoud van voormelde bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot bewijs van het feit waarop het betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft de politierechter de overtuiging verkregen en acht de politierechter bewezen, dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 13 januari 2024 te Arnhem opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens een noodbevel van de burgemeester van Arnhem ex artikel 175 Gemeentewet, gedaan door een of meerdere opsporingsambtenaren, te weten een of meerdere politieagenten, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten , door, nadat deze opsporingsambtenaren hem hadden bevolen of van hem hadden gevorderd zich te verwijderen van het Jansplein en zich te begeven richting het Willemsplein, hieraan geen gevolg te geven; 2. hij op of omstreeks 13 januari 2024 te Arnhem openlijk, te weten op/ aan het Jansplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen voorwerpen, te weten een terrasbar, door tegen die terrasbar te trappen en /of aan die terrasbar te trekken/duwen en /of tegen personen, te weten [benadeelde 2] en /of een of meerdere politieagenten, te weten [benadeelde 1] en /of een of meerdere andere politieagenten, door fysiek door de linie, gevormd door die politieagenten, te breken/duwen/rennen en /of naar die [benadeelde 2] toe te rennen en/ of ( hierbij ) omhoog te springen en /of ( hierbij ) zijn been te heffen/strekken in de richting van het hoofd en/ of het lichaam van die [benadeelde 2] en /of die politieagenten te slaan en /of schoppen en /of duwen, althans slaande en/of schoppende en/of duwende bewegingen te maken naar die politieagenten en /of een of meerdere voorwerpen, te weten een stoel en /of een horloge en /of een asbak en /of een stofzuigermond en /of een oliedrum, althans een metalen voorwerp gelijkend op een oliedrum/ton in de richting van die [benadeelde 2] en /of die [benadeelde 1] en /of die andere politieagenten te gooien en /of een terrasbar in de richting van die [benadeelde 2] en die politieagenten te duwen/rollen en /of “kankerlijers” en /of “kankermongolen” en /of “kankerhoer” en /of “je kanker moeder” en /of “kankerhoerenkinderen allemaal”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking te roepen/schreeuwen richting die [benadeelde 2] en /of die politieagenten. Voor zover er in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. De politierechter verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. 5. Kwalificatie en toegepaste wetsartikelen Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast Ten aanzien van feit 2 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen De feiten zijn strafbaar. De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 184 van het Wetboek van Strafrecht. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Op 13 januari 2024 was door Pegida een demonstratie aangemeld waarbij een Koran verbrand zou worden. Dit zou plaatsvinden op het Jansplein in Arnhem.
Volledig
Uitgangspunten demonstratie Iedereen in Nederland heeft volgens de Grondwet het recht om te demonstreren. Het demonstratierecht is een belangrijk recht in een democratie. De burgemeester kan een demonstratie niet beperken of verbieden omdat de demonstratie kwetsend is of omdat anderen daar heftig op reageren. Sterker nog, de burgemeester moet zich inspannen om vreedzame demonstranten te beschermen tegen bedreigende en gewelddadige reacties. Als het nodig is om hier veel politie bij in te zetten, dan moet de burgemeester dit doen. Voor de duidelijkheid: Zelfs meningen waar veel mensen het niet mee eens zijn, die kwetsend zijn of heftige reacties uitlokken, worden beschermd door het recht om te demonstreren. In de demonstratiewet staat namelijk dat een burgemeester zich helemaal niet met de inhoud van een demonstratie mag bemoeien. De belangrijkste taak van de overheid bij een demonstratie is daarom de demonstratie eerbiedigen en waar nodig ook te beschermen en te faciliteren. De burgemeester kan op grond van de wet wel regels (beperkingen en voorschriften) stellen bij een demonstratie op een openbare plaats als de burgemeester daar (één van) de volgende redenen voor heeft: Om de gezondheid te beschermen. In het belang van het verkeer. Om wanordelijkheden te voorkomen of te bestrijden. Vreedzaam Een demonstratie wordt alleen beschermd door het demonstratierecht als de demonstratie vreedzaam is. Dit betekent onder meer dat de demonstranten geen geweld mogen gebruiken. Tegendemonstraties De politie ontving informatie dat er op 13 januari 2024 ook een tegendemonstratie zou plaatsvinden. Oproepen hiertoe werden op social media geliket en gedeeld. Het uitgangspunt is dat de overheid ook deze demonstraties moet beschermen en faciliteren. De burgemeester heeft aangegeven beide demonstraties te faciliteren. Dit is ook hoorbaar op een van de videobestanden. De burgemeester heeft wel een voorschrift gesteld aan de tegendemonstratie namelijk dat deze tegendemonstratie zich moest verplaatsen naar Willemsplein Arnhem. Rond 12:30 uur geeft de burgemeester de demonstranten bij monde van de politie de opdracht zich te verplaatsen naar het Willemsplein Arnhem vanwege ernstige vrees voor wanordelijkheden. Toen daar niet naar werd geluisterd is een noodbevel afgegeven (inhoudende dat men zich moest verwijderen van het Jansplein en de aanwijzingen van de politie moest opvolgen). Dit omdat aanwijzing van de burgemeester en vorderingen van de politie om zich te verplaatsen bewust werden genegeerd, ook gesprekken van de burgemeester ter plaatse niet hielpen, het zaterdag was en er veel winkelend publiek was, en er vrees bestond voor ernstige verstoringen openbare orde en veiligheid, vernielingen en een confrontatie met Pegida demonstranten. Verdachte heeft niet voldaan aan het noodbevel en heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Verdachte en zijn mededaders wilden, zo neemt de politierechter aan, opkomen tegen de verbanding van de Koran. Dat is op zichzelf voorstelbaar, hij mocht daar ook tegen demonstreren. Verdachte heeft echter, samen met anderen, een vreedzame tegendemonstratie laten ontaarden in geweld. Tegen goederen, tegen [benadeelde 2] en tegen de politie. Verdachte heeft zich, nadat al meerdere charges waren uitgevoerd, op een moment dat de menigte wederom agressief was en er spullen richting de politie en [benadeelde 2] werden gegooid, samen met anderen met geweld op een terrasbar gericht. Deze is losgekomen en door anderen ook daadwerkelijk gebruikt om door de linie te komen. Zijn mededaders hebben de aanwezige politie onder meer geslagen en met voorwerpen bekogeld. Hoezeer verdachte en anderen het daarmee ook oneens zijn, [benadeelde 2] maakte gebruik van zijn demonstratierecht. De aanwezige politiemensen deden gewoon hun werk. Zij gaan de straat op om de samenleving veiliger te maken voor ons allemaal. Naar de politie heb je te luisteren en politiemensen moeten met respect behandeld worden. Dat is niet gebeurd. Verdachte is te ver gegaan. De politierechter rekent dit verdachte aan. Een straf is daarom passend. De politierechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook is rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Nu het een collectieve actie betreft waarbij alle deelnemers hetzelfde doel hadden en de deelnemers min of meer eenzelfde aandeel in het geheel hebben gehad ziet de politierechter aanleiding om verdachte en de mededaders dezelfde straf op te leggen. Gelet op alle specifieke omstandigheden van het geval ziet de politierechter aanleiding om een kortere werkstraf dan door de officier van justitie is gevorderd op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf. De politierechter houdt daarbij onder meer rekening met het feit dat de tegendemonstratie op zichzelf gerechtvaardigd was en het feit dat enkele verdachten letsel hebben opgelopen. De politierechter: veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit; legt op een taakstraf van 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. 8 Overige beslissingen [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1800 aan reis-en hotelkosten. De politierechter wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] af omdat de gevorderde schade niet in rechtstreeks verband staat tot de bewezenverklaarde feiten. De politierechter veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1000 aan immateriële kosten, in verband met vervolgbezoeken aan Arnhem. Op basis van de stukken en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de politierechter vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt, namelijk dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De politierechter acht de gevorderde vergoeding voldoende duidelijk en onderbouwd zal de vordering van de immateriële schade dan ook in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Nu verdachte het bewezenverklaarde schadeveroorzakende feit in vereniging heeft gepleegd, zal de rechtbank de betalingsverplichting hoofdelijk opleggen aan verdachte en zijn mededaders. De politierechter zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De politierechter veroordeelt verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt, tot heden begroot op nihil en de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De politierechter legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 1000,00. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt en bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.