Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-09-04
ECLI:NL:RBGEL:2024:6321
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Beschikking
1,437 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rekestnummer: C/05/434644 / HA RK 24-60
Beschikking van 4 september 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. M.S. Rozenbeek te Haarlem.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het e-mailbericht van 26 januari 2024 van mr. Rozenbeek aan de rechtbank, met als bijlage een verzoek van de heer [verzoeker] tot heropening van de vereffening van nagenoemde vennootschap;
het e-mailbericht van 30 januari 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
het e-mailbericht van 30 januari 2024 van mr. Rozenbeek aan de rechtbank;
het e-mailbericht van 1 februari 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
het e-mailbericht van 27 maart 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
de brief van 2 april 2024 van mr. Rozenbeek aan de rechtbank, met 3 bijlagen;
de brief van 16 april 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
de brief van 1 mei 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
het e-mailbericht van 13 juni 2024 van mr. Rozenbeek aan de rechtbank, met 1 bijlage;
het e-mailbericht van 14 juni 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
de brief van 17 juli 2024 van de rechtbank aan mr. Rozenbeek;
het e-mailbericht van 25 juli 2024 van mr. Rozenbeek aan de rechtbank.
1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald.
Beoordeling
2.1.
Het verzoekschrift strekt tot heropening van de vereffening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap] , bij oprichting gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de vennootschap), ex artikel 2:23c lid 1 BW.
2.2.
Bij brief van 16 april 2024 heeft de rechtbank aan mr. Rozenbeek medegedeeld dat het verzoekschrift op 15 april 2024 is ingeschreven. Tevens is vermeld dat het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten zoals vermeld in het procesreglement. De rechtbank heeft mr. Rozenbeek verzocht om het verzoekschrift binnen twee weken na dagtekening van de brief aan te vullen en gevraagd om de volgende stukken te verstrekken:
een actueel KvK-uittreksel;
een kopie van de laatste statuten.
2.3.
Bij brief van 1 mei 2024 heeft de rechtbank mr. Rozenbeek bericht nog geen reactie te hebben ontvangen op de brief van 16 april 2024 en hem in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 15 mei 2024 de gevraagde stukken te overleggen.
2.4.
Bij e-mail van 13 juni 2024 heeft mr. Rozenbeek statuten van de vennootschap overgelegd.
2.5.
Bij brief van 17 juli 2024 heeft de rechtbank mr. Rozenbeek, kort gezegd, onder verwijzing naar artikel 282a Rv, erop geattendeerd dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is ontvangen en dat dit in beginsel ertoe leidt dat verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank heeft mr. Rozenbeek gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld om daarop schriftelijk te reageren.
2.6.
Bij e-mail van 25 juli 2024 heeft mr. Rozenbeek de rechtbank bericht dat het griffiegeld op 13 juni 2024 van zijn rekening is afgeschreven en verzocht een en ander na te zien.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat voor de indiening van het verzoekschrift griffierecht is verschuldigd. Verzoeker heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift betaald, zoals is voorgeschreven in artikel 3 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Een advocaat dient op grond van zijn/haar deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure op de hoogte te zijn van de in genoemd wetsartikel genoemde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Mr. Rozenbeek had, teneinde te zorgen voor tijdige betaling van het griffierecht, tijdig actie kunnen en moeten ondernemen om in het bezit te komen van de voor de betaling benodigde gegevens (Hoge Raad 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5603). Voorts zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat niet-ontvankelijkverklaring, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv. Bij het voorgaande komt dat mr. Rozenbeek niet alle op grond van het procesreglement vereiste stukken heeft overgelegd (actueel KvK-uittreksel van de vennootschap), nog daargelaten dat de statuten van de vennootschap niet tijdig zijn overgelegd. In het midden kan dan ook blijven of het verzoekschrift overigens aan de wettelijke vereisten voldoet.
2.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.
Dictum
De rechtbank
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024.