Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-08-28
ECLI:NL:RBGEL:2024:6117
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,137 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/438929 / HA ZA 24-379
Vonnis van 28 augustus 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ([land]),
eiser,
advocaat mr. J. Bouter te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.1.
Eiser woont in [woonplaats] ([land]), zodat de rechtbank ambtshalve onderzoek moet doen naar het antwoord op de vragen of er sprake is van rechtsmacht en welk recht van toepassing is.
2.2.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van het bepaalde in artikel 1 en 2 Rv. Deze rechtbank is absoluut en relatief bevoegd.
2.3.
De grondslag van de vorderingen is gelegen in een verbintenis uit overeenkomst. Voor de bepaling van het toepasselijk recht is in dat geval de EG-Verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (593/2008, hierna: Rome I) van toepassing. Op grond van artikel 2 en 4 lid 1 sub a Rome I is het Nederlands recht van toepassing.
Beoordeling
2.4.
Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
2.5.
Eiser heeft wettelijke handelsrente gevorderd ex artikel 6:119a BW. De in dit artikel genoemde verplichting (tot vergoeding van wettelijke handelsrente) mist echter toepassing bij toewijzing van een vordering tot ongedaanmaking in verband met de ontbinding van een handelsovereenkomst. Omdat eiser wettelijke handelsrente heeft gevorderd, wordt aangenomen dat hij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van artikel 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.
2.6.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiser worden begroot op:
- dagvaarding € 143,17
- griffierecht € 1.325,00
- salaris advocaat € 786,00 (1,0 punt × tarief € 786,00)
Totaal € 2.254,17.
2.7.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat gedaagde door te handelen als beschreven in het lichaam van de dagvaarding jegens eiser wanprestatie heeft gepleegd en dat eiser daardoor schade heeft geleden waarvoor gedaagde aansprakelijk is,
3.2.
ontbindt de overeenkomst tussen partijen,
3.3.
veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 27.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 1.045,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.5.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 2.254,17,
3.6.
veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.