Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-07-03
ECLI:NL:RBGEL:2024:5535
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,301 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 10872021 \ CV EXPL 24-329 \ 43576 \ 40140
uitspraak van
vonnis
in de zaak van
de stichting [eiser]
gevestigd te [plaats]
eisende partij
gemachtigde B.W. van Tuijl
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
procederend in persoon
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 januari 2024 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de conclusie van repliek met producties;
- de conclusie van dupliek met producties;
- de akte uitlaten producties van [eiser] .
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] verhuurt sinds 4 juni 2018 aan [gedaagde] de woning aan de [adres] te [plaats] , tegen een maandelijkse huurprijs van (laatstelijk) € 857,22.
2.2.
In de huurovereenkomst (artikel 4.4.) is bepaald dat [gedaagde] de maandelijkse huurprijs vóór de eerste dag van elke maand dient te betalen. [gedaagde] heeft hier niet steeds (stipt) aan voldaan.
3De vordering en het verweer
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.975,77 aan achterstallige huurpenningen tot december 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2023 en de buitengerechtelijke kosten van € 189,20, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde] heeft, ondanks aanmaning, nagelaten het restant van de huur voor de maand september (€ 261,33) en de volledige huur voor de maanden oktober en november 2023 (€ 857,22 per maand) te betalen. Hij is daarom ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Beoordeeld moet worden of [gedaagde] de gevorderde huurachterstand moet betalen, hetgeen [eiser] stelt en [gedaagde] betwist.
4.2.
[eiser] heeft in de inleidende dagvaarding betaling gevorderd van de (restant) huur over de maanden september tot en met december 2023, totaal € 1.975,77.
[gedaagde] betwist de gestelde huurachterstand en stelt dat hij de huur voor die maanden al heeft betaald. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] bij antwoord bankafschriften overgelegd.
4.3.
[eiser] heeft bij repliek – kort samengevat – aangegeven dat zij alle betalingen uit de door [gedaagde] overlegde bankafschriften heeft ontvangen en verwerkt en verwijst daarbij naar de specificaties die zij bij repliek heeft overgelegd als producties 10 tot en met 15. Vervolgens stelt [eiser] onder punt 9 van haar repliek dat de huurachterstand thans € 2.571,66 is (dus meer dan bij dagvaarding gevorderd) bestaande uit de maanden oktober, november 2023 en maart 2024. Uit de tweede bladzijde van de als productie 15 overgelegde specificatie blijkt echter dat laatstgenoemde huurachterstand is opgebouwd uit voor- en achterstanden over de jaren 2020 t/m 2024. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is onduidelijk waar de door [eiser] gevorderde huurachterstand nu daadwerkelijk op gebaseerd is. Daar komt bij dat, hoewel ze heeft gesteld dat zij betalingen van [gedaagde] heeft afgeboekt op de oudst openstaande vordering (voor zover [gedaagde] bij zijn betalingen geen vermelding van een specifieke maand heeft opgenomen), dit ook niet uit haar specificaties blijkt. Aangezien [eiser] geen duidelijk inzicht heeft gegeven in haar afboekingsvolgorde moet het ervoor worden gehouden dat zij betalingen van [gedaagde] niet heeft afgeboekt conform het bepaalde in artikel 6:43 BW. Als gevolg daarvan komt de (juistheid van de) gestelde huurachterstand niet vast te staan, wat betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen.
4.4.
De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden eveneens afgewezen, nu die daarmee samenhangen.
4.5.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op € 0,00.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op