Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-07-31
ECLI:NL:RBGEL:2024:5431
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
832 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem,
hierna te noemen: de verzoeker.
Feiten
De officier van justitie heeft beslist de verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 20 februari 2024 aan verzoeker meegedeeld. Deze beslissing is onherroepelijk geworden.
Procedure
Het verzoekschrift is op 23 mei 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 31 juli 2024 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de verzoeker, mr. J.G. Roethof en de officier van justitie op zitting gehoord.
Verzoek
In het verzoekschrift heeft verzoeker verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte kosten ten behoeve van de strafzaak, te weten:
€ 489,14 ter zake kosten rechtsbijstand;
PM de forfaitaire vergoeding voor het indienen/behandelen van het
onderhavige verzoekschrift.
Ter zitting is door de advocaat naar voren gebracht dat verzoeker door hem op de hoogte is geraakt van de sepotbeslissing. De advocaat heeft de beslissing gedownload uit het strafportaal. De termijn begint pas te lopen vanaf het moment dat verzoeker daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de beslissing.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek wegens termijnoverschrijding. Subsidiair kan het verzoek worden toegewezen.
Beoordeling
Op grond van artikel 529, tweede lid, Sv dient een verzoek tot schadevergoeding binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak te worden ingediend.
Uit het dossier blijkt dat de sepotbeslissing dateert van 20 februari 2024. Het verzoek moet dus worden ingediend binnen 90 dagen nadien, om en nabij 20 mei 2024.
De stelling dat verzoeker deze brief nooit heeft ontvangen is niet nader beargumenteerd. De brief is verstuurd naar het juiste adres.
De advocaat stelt dat hij op 1 maart 2024 per mailbericht op de hoogte is gesteld van de sepotbeslissing. De advocaat had dus vanaf die datum tot 20 mei 2024 de gelegenheid om het verzoek in te dienen. Dat is meer dan 1½ maand. Enige steekhoudende reden waarom dit niet mogelijk was, is niet aangevoerd. Het verzoek is op 23 mei 2024 op de griffie ingekomen en de rechtbank ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarom zal de verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.
Dictum
De raadkamer:
- verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.F.A. Vrede, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.