Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-07-30
ECLI:NL:RBGEL:2024:4915
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,486 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/112690-24
Datum uitspraak : 30 juli 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [adres 1] , [postcode] , in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. H. Hadžić, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 maart 2024 te [plaats]
in/uit een woning, gelegen op/aan [adres 2] ,
één of meer koffer(s)(inhoudende gereedschappen) en/of een laptop (Lenovo), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel
van braak (het forceren van een slot/deur),
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
-gekomen uit voornoemde woning hard naar en/of op die [slachtoffer 2] toe te
rennen en/of (daarbij)
-met voornoemde koffer(s)(een) zwaaiende en/of slaande beweging(en) te maken
naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)
-een vinger in het oog van die [slachtoffer 2] te duwen en/of te drukken en/of
(vervolgens)
-die [slachtoffer 2] krachtig op tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de borstkas
te slaan/stompen.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid ‘braak’, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Er zijn geen inbrekerswerktuigen aangetroffen en het is onbekend of de braakschade vers was. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het geweld dat tegen [slachtoffer 2] is gebruikt, omdat verdachte niet het oogmerk had om hiermee bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren. Verdachte verdedigde zich uit angst omdat hij dacht door meerdere personen in elkaar te worden geslagen. Ten aanzien van de diefstal uit de woning refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte erkent immers de gereedschapskisten en de tablet uit de woning te hebben weggenomen.
Beoordeling
Op 31 maart 2024 heeft verdachte twee gereedschapskisten en een tablet (Lenovo) uit de woning aan [adres 2] in [plaats] weggenomen. De tablet was eigendom van [slachtoffer 2] en de gereedschapskisten van [slachtoffer 1] .
Voor de rechtbank staat vast dat verdachte bovengenoemde goederen uit de woning heeft gestolen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de deur heeft geforceerd om de woning binnen te komen en of hij de geweldshandelingen zoals tenlastegelegd heeft gepleegd om te kunnen vluchten. Om dit te kunnen beoordelen vindt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen van belang.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij tijdelijk verblijft bij zijn goede vriend [slachtoffer 1] . Hij wilde op 31 maart 2024 omstreeks 22:32 uur naar huis. Hij liep via de brandgang de achtertuin in met zijn zaklamp aan omdat het donker was. Ineens zag hij een man (hierna: verdachte) bij de achterdeur staan. Verdachte had twee koffers vast en een Albert Heijn tas. [slachtoffer 2] riep ‘wat moet dat hier’. Verdachte rende op hem af met de gereedschapskisten en sloeg hiermee zijn kant op. Hij pakte verdachte vast en ze kwamen in de brandgang ten val. Verdachte drukte vervolgens met zijn vinger in het oog van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] begon als reactie hierop om zich heen te slaan en riep om hulp. Verdachte sloeg hem toen met de vuist op zijn hoofd. Tijdens de worsteling pakte [slachtoffer 2] de hendel van de gereedschapskist en sloeg hij verdachte van zich af. Hij sloeg een paar keer op verdachtes hoofd totdat het hoofd van verdachte bloedde en verdachte probeerde te vluchten. Hij zag dat de achterdeur was geforceerd en opengebroken.
[slachtoffer 1] (eigenaar van de woning) heeft verklaard dat de achterdeur van de woning was afgesloten en dat de schade daaraan door de inbraak is ontstaan.
Uit het medisch verslag van [slachtoffer 2] van 1 april 2024 volgt dat bij hem de volgende letsels zijn waargenomen: een blauwe plek net in de haargrens, een pijnlijke en lichtrode verkleuring onder de linker tepel, op zijn linker bovenarm een rood/blauwe hematoom (blauwe plek), op zijn linker hand meerdere kleine korstjes, rechterduim is drukpijnlijk, dik en blauw en in zijn linker oor een oppervlakkige wond.
[getuige] (een vriendin van [slachtoffer 2]) heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] en verdachte uit het gangpad zag komen en dat zij elkaar wegduwden.
[verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat toen hij ter plaatse kwam hij in de brandgang bloed, een wit blauwe slipper van verdachte en een witte hendel zag liggen. De hendel kwam van de gereedschapskist. [slachtoffer 2] vertelde dat hij de gereedschapskisten en de Albert Heijn tas terug in de tuin had gezet, maar hij bewust niet aan de slipper en de hendel is gekomen omdat daar mogelijk onderzoek aan zou worden verricht.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte bij betrapping naar hem toe rende en hem aanviel met de gereedschapskisten in zijn handen, wordt bevestigd door de locatie waar de hendel van een van de kisten en het bloed wordt aangetroffen, namelijk in het gangpad. Daarnaast past het letsel dat bij [slachtoffer 2] is geconstateerd bij zijn verklaring dat (ook) door verdachte geweld is gebruikt. Dit vindt tevens steun in de verklaring van [getuige] die ziet dat [slachtoffer 2] en verdachte al duwend uit het gangpad komen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 2] , en zal zij daarom (volledig) uitgaan van deze verklaring. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het oogmerk had om na zijn betrapping op heterdaad zijn vlucht mogelijk te maken en de buit veilig te stellen. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte diegene is geweest die het slot van de deur heeft geforceerd. De woning was blijkens de verklaring van de eigenaar bij het verlaten ervan afgesloten, uit diens verklaring en de bijbehorende foto’s blijkt dat er schade is aan de deur, en verdachte wordt aangetroffen met goederen afkomstig uit de opengebroken woning.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 31 maart 2024 te [plaats]
in/uit een woning, gelegen op/aan [adres 2] ,
één of meer koffer(s) (inhoudende gereedschappen) en/of een laptop tablet (Lenovo), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel
van braak (het forceren van een slot/deur),
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
-gekomen uit voornoemde woning hard naar en/of op die [slachtoffer 2] toe te
rennen en/of (daarbij)
-met voornoemde koffer(s) (een) zwaaiende en/of slaande beweging(en) te maken
naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)
-een vinger in het oog van die [slachtoffer 2] te duwen en/of te drukken en/of
(vervolgens)
-die [slachtoffer 2] krachtig op tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de borstkas
te slaan/stompen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd sprake was van een heftig incident dat het slotstuk vormt van een zeer roerige periode in verdachtes leven. Er was geen enkele vorm van stabiliteit en zijn harddrugsverslaving was bepalend. Om zijn verslaving te kunnen bekostigen, stal verdachte goederen om deze te verkopen. Verdachte is bijzonder gemotiveerd om een punt achter dit leven te zetten. Verder heeft verdachte flink letsel overgehouden aan de worsteling met het slachtoffer. Alles afwegende is, zo bepleit de raadsvrouw, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, gepast.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Dit betreft een zeer ernstig en heftig feit in het algemeen, dat ook in het bijzonder een grote impact heeft gehad op het slachtoffer, dat werd geconfronteerd met een onverwacht agressieve handelwijze van verdachte nadat hij werd betrapt. Verdachte ging direct de confrontatie met het slachtoffer aan met twee grote gereedschapskisten in zijn handen. Dit moet bijzonder beangstigend voor het slachtoffer zijn geweest. Bij dit feit heeft verdachte tevens het slot van de achterdeur opengebroken om toegang tot de woning te krijgen. Hiermee heeft verdachte naast schade ook overlast bezorgd en heeft hij er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank verdachtes omvangrijke strafblad in aanmerking genomen, waarbij tevens sprake is van recidive en heeft zij rekening gehouden met de mate van het uitgeoefende geweld. Voorts heeft de rechtbank de straffen die, in soortgelijke zaken worden opgelegd in acht genomen.
Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van het voorarrest opleggen, zoals door de officier van justitie geëist. Hoewel bij dit incident ook tegen verdachte geweld is gebruikt en artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanleiding om een lagere straf op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 12.395,- aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, voor wat betreft het smartengeld, kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade en smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat zij vanwege het late indieningsmoment de vordering niet heeft kunnen voorbereiden en met verdachte heeft kunnen bespreken. Indien de rechtbank hieraan voorbijgaat is aangevoerd dat de materiële posten en het smartengeld onvoldoende zijn onderbouwd en de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank deelt de kritiek van de raadsvrouw over de late indiening van de schadevergoedingsvordering, namelijk op de ochtend van de zitting. Dat bemoeilijkt de voorbereiding en de bespreking met verdachte voorafgaand aan de zitting. De aard en de beperkte omvang (15 pagina’s) van de vordering brengt met zich mee dat de rechtbank de benadeelde partij desondanks ontvankelijk in diens vordering acht. De verdediging blijkt overigens ook in staat te zijn geweest ter zitting een onderbouwd standpunt in te nemen ten aanzien van de schadeposten.
De rechtbank komt tot aan een inhoudelijke beoordeling van de schadeposten.
Verlies van inkomen (€ 12.096,-)
De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de vordering, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende is onderbouwd. De bijlagen zijn niet duidelijk genoeg om daaraan de conclusie te verbinden dat de benadeelde partij voor
€ 12.096,- aan schade heeft geleden door gederfde inkomsten. In het bijzonder ontbreekt een deugdelijke onderbouwing dat de benadeelde langdurig last heeft gehad van zijn klachten. Uit de onderbouwing die is gegeven volgt bovendien niet dat hij in die periode geen (enkele of andere) werkzaamheden heeft kunnen verrichten.
Reparatie telefoon (€ 299,-)
De rechtbank is van oordeel dat ook deze vordering in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier volgt niet dat er door het incident schade aan de telefoon is ontstaan. Bovendien dateert de factuur voor de reparatie, die ten grondslag is gelegd aan deze schadepost, van drie maanden nadien, hetgeen vragen oproept over het rechtstreekse verband.
Smartengeld (€ 2.000,-)
De onduidelijkheid met betrekking tot de aard en duur van het letsel, de aansprakelijkheid en de (mogelijke) mate van eigen schuld, brengt met zich mee dat ook voor wat deze vordering betreft een nadere feitelijke onderbouwing noodzakelijk is, die in het kader van het strafgeding niet gegeven is. Het bieden van de gelegenheid tot een nadere onderbouwing van de vordering zou een vertraging en daarmee een onevenredige belasting van de strafzaak opleveren.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dictum
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Vogel (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2024
mr. J.M. Graat is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Arnhem-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024146946, gesloten op 3 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 10-11; proces-verbaal van bevindingen, p. 31; de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 16 juli 2024.
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 10-11.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 31
Schriftelijk bescheid, te weten een foto van een medisch verslag van [slachtoffer 2] d.d. 1 april 2024 (aanvullend).
Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 69.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 79.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/112690-24
Datum uitspraak : 30 juli 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [adres 1] , [postcode] , in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. H. Hadžić, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 maart 2024 te [plaats]
in/uit een woning, gelegen op/aan [adres 2] ,
één of meer koffer(s)(inhoudende gereedschappen) en/of een laptop (Lenovo), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel
van braak (het forceren van een slot/deur),
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
-gekomen uit voornoemde woning hard naar en/of op die [slachtoffer 2] toe te
rennen en/of (daarbij)
-met voornoemde koffer(s)(een) zwaaiende en/of slaande beweging(en) te maken
naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)
-een vinger in het oog van die [slachtoffer 2] te duwen en/of te drukken en/of
(vervolgens)
-die [slachtoffer 2] krachtig op tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de borstkas
te slaan/stompen.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid ‘braak’, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Er zijn geen inbrekerswerktuigen aangetroffen en het is onbekend of de braakschade vers was. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het geweld dat tegen [slachtoffer 2] is gebruikt, omdat verdachte niet het oogmerk had om hiermee bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren. Verdachte verdedigde zich uit angst omdat hij dacht door meerdere personen in elkaar te worden geslagen. Ten aanzien van de diefstal uit de woning refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte erkent immers de gereedschapskisten en de tablet uit de woning te hebben weggenomen.
Beoordeling
Op 31 maart 2024 heeft verdachte twee gereedschapskisten en een tablet (Lenovo) uit de woning aan [adres 2] in [plaats] weggenomen. De tablet was eigendom van [slachtoffer 2] en de gereedschapskisten van [slachtoffer 1] .
Voor de rechtbank staat vast dat verdachte bovengenoemde goederen uit de woning heeft gestolen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de deur heeft geforceerd om de woning binnen te komen en of hij de geweldshandelingen zoals tenlastegelegd heeft gepleegd om te kunnen vluchten. Om dit te kunnen beoordelen vindt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen van belang.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij tijdelijk verblijft bij zijn goede vriend [slachtoffer 1] . Hij wilde op 31 maart 2024 omstreeks 22:32 uur naar huis. Hij liep via de brandgang de achtertuin in met zijn zaklamp aan omdat het donker was. Ineens zag hij een man (hierna: verdachte) bij de achterdeur staan. Verdachte had twee koffers vast en een Albert Heijn tas. [slachtoffer 2] riep ‘wat moet dat hier’. Verdachte rende op hem af met de gereedschapskisten en sloeg hiermee zijn kant op. Hij pakte verdachte vast en ze kwamen in de brandgang ten val. Verdachte drukte vervolgens met zijn vinger in het oog van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] begon als reactie hierop om zich heen te slaan en riep om hulp. Verdachte sloeg hem toen met de vuist op zijn hoofd. Tijdens de worsteling pakte [slachtoffer 2] de hendel van de gereedschapskist en sloeg hij verdachte van zich af. Hij sloeg een paar keer op verdachtes hoofd totdat het hoofd van verdachte bloedde en verdachte probeerde te vluchten. Hij zag dat de achterdeur was geforceerd en opengebroken.
[slachtoffer 1] (eigenaar van de woning) heeft verklaard dat de achterdeur van de woning was afgesloten en dat de schade daaraan door de inbraak is ontstaan.
Uit het medisch verslag van [slachtoffer 2] van 1 april 2024 volgt dat bij hem de volgende letsels zijn waargenomen: een blauwe plek net in de haargrens, een pijnlijke en lichtrode verkleuring onder de linker tepel, op zijn linker bovenarm een rood/blauwe hematoom (blauwe plek), op zijn linker hand meerdere kleine korstjes, rechterduim is drukpijnlijk, dik en blauw en in zijn linker oor een oppervlakkige wond.
[getuige] (een vriendin van [slachtoffer 2]) heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] en verdachte uit het gangpad zag komen en dat zij elkaar wegduwden.
[verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat toen hij ter plaatse kwam hij in de brandgang bloed, een wit blauwe slipper van verdachte en een witte hendel zag liggen. De hendel kwam van de gereedschapskist. [slachtoffer 2] vertelde dat hij de gereedschapskisten en de Albert Heijn tas terug in de tuin had gezet, maar hij bewust niet aan de slipper en de hendel is gekomen omdat daar mogelijk onderzoek aan zou worden verricht.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte bij betrapping naar hem toe rende en hem aanviel met de gereedschapskisten in zijn handen, wordt bevestigd door de locatie waar de hendel van een van de kisten en het bloed wordt aangetroffen, namelijk in het gangpad. Daarnaast past het letsel dat bij [slachtoffer 2] is geconstateerd bij zijn verklaring dat (ook) door verdachte geweld is gebruikt. Dit vindt tevens steun in de verklaring van [getuige] die ziet dat [slachtoffer 2] en verdachte al duwend uit het gangpad komen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 2] , en zal zij daarom (volledig) uitgaan van deze verklaring. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het oogmerk had om na zijn betrapping op heterdaad zijn vlucht mogelijk te maken en de buit veilig te stellen. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte diegene is geweest die het slot van de deur heeft geforceerd. De woning was blijkens de verklaring van de eigenaar bij het verlaten ervan afgesloten, uit diens verklaring en de bijbehorende foto’s blijkt dat er schade is aan de deur, en verdachte wordt aangetroffen met goederen afkomstig uit de opengebroken woning.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 31 maart 2024 te [plaats]
in/uit een woning, gelegen op/aan [adres 2] ,
één of meer koffer(s) (inhoudende gereedschappen) en/of een laptop tablet (Lenovo), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel
van braak (het forceren van een slot/deur),
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
-gekomen uit voornoemde woning hard naar en/of op die [slachtoffer 2] toe te
rennen en/of (daarbij)
-met voornoemde koffer(s) (een) zwaaiende en/of slaande beweging(en) te maken
naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of (vervolgens)
-een vinger in het oog van die [slachtoffer 2] te duwen en/of te drukken en/of
(vervolgens)
-die [slachtoffer 2] krachtig op tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de borstkas
te slaan/stompen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd sprake was van een heftig incident dat het slotstuk vormt van een zeer roerige periode in verdachtes leven. Er was geen enkele vorm van stabiliteit en zijn harddrugsverslaving was bepalend. Om zijn verslaving te kunnen bekostigen, stal verdachte goederen om deze te verkopen. Verdachte is bijzonder gemotiveerd om een punt achter dit leven te zetten. Verder heeft verdachte flink letsel overgehouden aan de worsteling met het slachtoffer. Alles afwegende is, zo bepleit de raadsvrouw, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, gepast.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Dit betreft een zeer ernstig en heftig feit in het algemeen, dat ook in het bijzonder een grote impact heeft gehad op het slachtoffer, dat werd geconfronteerd met een onverwacht agressieve handelwijze van verdachte nadat hij werd betrapt. Verdachte ging direct de confrontatie met het slachtoffer aan met twee grote gereedschapskisten in zijn handen. Dit moet bijzonder beangstigend voor het slachtoffer zijn geweest. Bij dit feit heeft verdachte tevens het slot van de achterdeur opengebroken om toegang tot de woning te krijgen. Hiermee heeft verdachte naast schade ook overlast bezorgd en heeft hij er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank verdachtes omvangrijke strafblad in aanmerking genomen, waarbij tevens sprake is van recidive en heeft zij rekening gehouden met de mate van het uitgeoefende geweld. Voorts heeft de rechtbank de straffen die, in soortgelijke zaken worden opgelegd in acht genomen.
Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van het voorarrest opleggen, zoals door de officier van justitie geëist. Hoewel bij dit incident ook tegen verdachte geweld is gebruikt en artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanleiding om een lagere straf op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 12.395,- aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, voor wat betreft het smartengeld, kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade en smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat zij vanwege het late indieningsmoment de vordering niet heeft kunnen voorbereiden en met verdachte heeft kunnen bespreken. Indien de rechtbank hieraan voorbijgaat is aangevoerd dat de materiële posten en het smartengeld onvoldoende zijn onderbouwd en de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank deelt de kritiek van de raadsvrouw over de late indiening van de schadevergoedingsvordering, namelijk op de ochtend van de zitting. Dat bemoeilijkt de voorbereiding en de bespreking met verdachte voorafgaand aan de zitting. De aard en de beperkte omvang (15 pagina’s) van de vordering brengt met zich mee dat de rechtbank de benadeelde partij desondanks ontvankelijk in diens vordering acht. De verdediging blijkt overigens ook in staat te zijn geweest ter zitting een onderbouwd standpunt in te nemen ten aanzien van de schadeposten.
De rechtbank komt tot aan een inhoudelijke beoordeling van de schadeposten.
Verlies van inkomen (€ 12.096,-)
De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de vordering, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende is onderbouwd. De bijlagen zijn niet duidelijk genoeg om daaraan de conclusie te verbinden dat de benadeelde partij voor
€ 12.096,- aan schade heeft geleden door gederfde inkomsten. In het bijzonder ontbreekt een deugdelijke onderbouwing dat de benadeelde langdurig last heeft gehad van zijn klachten. Uit de onderbouwing die is gegeven volgt bovendien niet dat hij in die periode geen (enkele of andere) werkzaamheden heeft kunnen verrichten.
Reparatie telefoon (€ 299,-)
De rechtbank is van oordeel dat ook deze vordering in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier volgt niet dat er door het incident schade aan de telefoon is ontstaan. Bovendien dateert de factuur voor de reparatie, die ten grondslag is gelegd aan deze schadepost, van drie maanden nadien, hetgeen vragen oproept over het rechtstreekse verband.
Smartengeld (€ 2.000,-)
De onduidelijkheid met betrekking tot de aard en duur van het letsel, de aansprakelijkheid en de (mogelijke) mate van eigen schuld, brengt met zich mee dat ook voor wat deze vordering betreft een nadere feitelijke onderbouwing noodzakelijk is, die in het kader van het strafgeding niet gegeven is. Het bieden van de gelegenheid tot een nadere onderbouwing van de vordering zou een vertraging en daarmee een onevenredige belasting van de strafzaak opleveren.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dictum
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Vogel (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2024
mr. J.M. Graat is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Arnhem-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024146946, gesloten op 3 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 10-11; proces-verbaal van bevindingen, p. 31; de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 16 juli 2024.
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 10-11.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 31
Schriftelijk bescheid, te weten een foto van een medisch verslag van [slachtoffer 2] d.d. 1 april 2024 (aanvullend).
Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 69.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 79.