Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-06-28
ECLI:NL:RBGEL:2024:3962
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/2963
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst/Centrale administratie/Autoheffingen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 februari 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 23 september 2020 tot en met 29 augustus 2021 opgelegd van € 947 (de naheffingsaanslag) en bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd van € 947 (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2023 op zitting behandeld. Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen, ondanks het feit dat de zittingsdatum en het tijdstip op 31 augustus 2023 telefonisch met hem zijn afgestemd. De uitnodiging voor de zitting is op verzoek van belanghebbende op dezelfde datum per e-mail aan hem toegezonden, omdat hij naar zijn zeggen geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen: [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. De boetebeschikking is ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar deze dient wel te worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende was volgens de kentekenregistratie vanaf 29 juli 2020 houder van een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] (de auto).
4. De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto is geschorst geweest van 23 september 2020 tot en met 29 december 2020, van 21 mei 2021 tot en met 28 december 2021, van 23 maart 2022 tot en met 15 september 2022 en vanaf 17 september 2022.
5. Op 11 juni 2021 omstreeks 17.19 uur is door middel van Elektronische Camerabeelden (ECB) van de Politie geconstateerd dat met de auto van de openbare weg gebruik is gemaakt.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet te hoog vastgesteld?
6. Het houden van een personenauto is belast met motorrijtuigenbelasting (MRB). Deze belasting wordt niet geheven voor een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst.
7. De belasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Daarbij wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is gemaakt. Als blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven. Ook wordt niet nageheven over perioden waarover al belasting is betaald.
8. Vast staat dat op 11 juni 2021 met de auto gebruik van de openbare weg is gemaakt als bedoeld in artikel 35 van de Wet MRB. Omdat gebruik is geconstateerd tijdens een voor de auto geldende schorsing, is terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Doorslaggevend daarvoor is immers het gebruik maken van de openbare weg, ook als dit maar eenmaal is gebeurd. De naheffingsaanslag is dan ook terecht voor de gehele genoemde periode opgelegd.
Is de verzuimboete terecht opgelegd en niet te hoog vastgesteld?
9. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is sprake is van een verzuim. Een verzuimboete kan worden opgelegd tot ten hoogste 100% van de na te heffen belasting, met een maximum van € 5.278. Omdat belanghebbende heeft gehandeld in strijd met de geldende schorsingsvoorwaarden heeft de inspecteur terecht een boete opgelegd. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wel zal de rechtbank de verzuimboete verminderen, aangezien per 1 juli 2023 het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is gewijzigd waardoor de verzuimboete in beginsel niet langer op 100% maar op 50% wordt vastgesteld. De rechtbank vermindert de verzuimboete daarom tot € 473,50. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat belanghebbende volledig op de hoogte is van de werkwijze en regelgeving rondom het schorsen en ontschorsen van motorrijtuigen. Voor een verdere verlaging ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding. De rechtbank acht deze verzuimboete passend en geboden.
10. Ten slotte dient ambtshalve beoordeeld te worden of de boete gematigd moet worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan. Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.
11. De rechtbank heeft vastgesteld dat het voornemen tot het opleggen van de boete in ieder geval op 8 september 2021 aan belanghebbende bekend is gemaakt. Nu tussen het moment van bekendmaking en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zijn verstreken, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, met afgerond negen maanden overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boete met nog 10% te verminderen en vast te stellen op € 426,15 (90% van de passend en geboden geoordeelde verzuimboete van € 473,50).
12. Omdat de verzuimboete wordt verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn maar belanghebbende hierop geen beroep heeft gedaan, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
13. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of belanghebbende recht heeft op een vergoeding wegens geleden immateriële schade. Daarbij gaat de rechtbank uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 en het arrest van 14 juni 2024.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 1 december 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) zeven maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met afgerond zeven maanden overschreden. Op grond van de genoemde arresten van de Hoge Raad kan echter worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank kent daarom geen vergoeding voor immateriële schade toe.
Conclusie
14. Gelet op het voorgaande blijft de naheffingsaanslag in stand en wordt de verzuimboete verminderd tot € 426,15. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking.
15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende krijgt wel een vergoeding voor het door hem betaalde griffierecht.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boetebeschikking tot € 426,15;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 1, eerste lid, en artikel 6 van de Wet motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).
Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB.
Artikel 35 van de Wet MRB.
Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.
Zie artikel 37 van de Wet MRB, artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Besluit van het Directoraat-Generaal van de Belastingdienst, van 22 juni 2023, Staatscourant 2023, 17366
Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/2963
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst/Centrale administratie/Autoheffingen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 februari 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 23 september 2020 tot en met 29 augustus 2021 opgelegd van € 947 (de naheffingsaanslag) en bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd van € 947 (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2023 op zitting behandeld. Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen, ondanks het feit dat de zittingsdatum en het tijdstip op 31 augustus 2023 telefonisch met hem zijn afgestemd. De uitnodiging voor de zitting is op verzoek van belanghebbende op dezelfde datum per e-mail aan hem toegezonden, omdat hij naar zijn zeggen geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen: [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. De boetebeschikking is ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar deze dient wel te worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende was volgens de kentekenregistratie vanaf 29 juli 2020 houder van een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] (de auto).
4. De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto is geschorst geweest van 23 september 2020 tot en met 29 december 2020, van 21 mei 2021 tot en met 28 december 2021, van 23 maart 2022 tot en met 15 september 2022 en vanaf 17 september 2022.
5. Op 11 juni 2021 omstreeks 17.19 uur is door middel van Elektronische Camerabeelden (ECB) van de Politie geconstateerd dat met de auto van de openbare weg gebruik is gemaakt.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet te hoog vastgesteld?
6. Het houden van een personenauto is belast met motorrijtuigenbelasting (MRB). Deze belasting wordt niet geheven voor een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst.
7. De belasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Daarbij wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is gemaakt. Als blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven. Ook wordt niet nageheven over perioden waarover al belasting is betaald.
8. Vast staat dat op 11 juni 2021 met de auto gebruik van de openbare weg is gemaakt als bedoeld in artikel 35 van de Wet MRB. Omdat gebruik is geconstateerd tijdens een voor de auto geldende schorsing, is terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Doorslaggevend daarvoor is immers het gebruik maken van de openbare weg, ook als dit maar eenmaal is gebeurd. De naheffingsaanslag is dan ook terecht voor de gehele genoemde periode opgelegd.
Is de verzuimboete terecht opgelegd en niet te hoog vastgesteld?
9. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is sprake is van een verzuim. Een verzuimboete kan worden opgelegd tot ten hoogste 100% van de na te heffen belasting, met een maximum van € 5.278. Omdat belanghebbende heeft gehandeld in strijd met de geldende schorsingsvoorwaarden heeft de inspecteur terecht een boete opgelegd. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wel zal de rechtbank de verzuimboete verminderen, aangezien per 1 juli 2023 het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is gewijzigd waardoor de verzuimboete in beginsel niet langer op 100% maar op 50% wordt vastgesteld. De rechtbank vermindert de verzuimboete daarom tot € 473,50. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat belanghebbende volledig op de hoogte is van de werkwijze en regelgeving rondom het schorsen en ontschorsen van motorrijtuigen. Voor een verdere verlaging ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding. De rechtbank acht deze verzuimboete passend en geboden.
10. Ten slotte dient ambtshalve beoordeeld te worden of de boete gematigd moet worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan. Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.
11. De rechtbank heeft vastgesteld dat het voornemen tot het opleggen van de boete in ieder geval op 8 september 2021 aan belanghebbende bekend is gemaakt. Nu tussen het moment van bekendmaking en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zijn verstreken, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, met afgerond negen maanden overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boete met nog 10% te verminderen en vast te stellen op € 426,15 (90% van de passend en geboden geoordeelde verzuimboete van € 473,50).
12. Omdat de verzuimboete wordt verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn maar belanghebbende hierop geen beroep heeft gedaan, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
13. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of belanghebbende recht heeft op een vergoeding wegens geleden immateriële schade. Daarbij gaat de rechtbank uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 en het arrest van 14 juni 2024.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 1 december 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) zeven maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met afgerond zeven maanden overschreden. Op grond van de genoemde arresten van de Hoge Raad kan echter worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank kent daarom geen vergoeding voor immateriële schade toe.
Conclusie
14. Gelet op het voorgaande blijft de naheffingsaanslag in stand en wordt de verzuimboete verminderd tot € 426,15. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking.
15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende krijgt wel een vergoeding voor het door hem betaalde griffierecht.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boetebeschikking tot € 426,15;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 1, eerste lid, en artikel 6 van de Wet motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).
Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB.
Artikel 35 van de Wet MRB.
Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.
Zie artikel 37 van de Wet MRB, artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Besluit van het Directoraat-Generaal van de Belastingdienst, van 22 juni 2023, Staatscourant 2023, 17366
Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.