Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-01-24
ECLI:NL:RBGEL:2024:3116
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,058 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10615551 \ CV EXPL 23-4993
Vonnis van 24 januari 2024
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. H.D.S. Lasonder,
tegen
WORLD HORSE EXPORT B.V., ONDER ANDERE H.O.D.N. WORLD HORSE FINANCIAL SERVICES,
te Nijkerk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: WHE,
vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger gedaagde] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 augustus 2023
- de akte overlegging producties van [eisende partij]
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 21 december 2023. WHE is daar niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Daarna is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Op 21 maart 2021 heeft [eisende partij] van WHE een offerte ontvangen. Daaruit blijkt, voor zover hier van belang, dat WHE bereid is het paard van [eisende partij] van Zuid-Afrika naar Europa te (laten) transporteren.
2.2.
Op 26 april 2022 heeft [eisende partij] gevraagd om een update van de offerte van 21 maart 2021. Daarna, op 29 april 2022, heeft [eisende partij] WHE opdracht gegeven tot (het begeleiden van het) transport. Zij heeft hiervoor op 12 augustus 2022 € 10.285,00 aanbetaald.
2.3.
Op 19 april 2023 heeft [eisende partij] de opdracht afgezegd. Het paard was toen nog niet getransporteerd en dat was ook niet meer nodig. [eisende partij] heeft haar aanbetaling teruggevraagd.
2.4.
Op 27 juni 2023 heeft [eisende partij] conservatoir derdenbeslag laten leggen ten laste van WHE.
Geschil
3.1.
[eisende partij] vordert, na vermindering van eis bij akte, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, WHE te veroordelen:
- om aan haar een bedrag van € 11.374,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.285,00 vanaf 28 juni 2023 tot de dag van algehele voldoening;
- in de beslagkosten, begroot op € 1.272,76;
met veroordeling van WHE in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eisende partij] ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Die overeenkomst is geëindigd door opzegging van [eisende partij] , voordat de opdracht kon worden uitgevoerd. Omdat de opdracht nooit is uitgevoerd, heeft [eisende partij] het voorschotbedrag van € 10.285,00 onverschuldigd betaald. Daarnaast betaalt WHE het voorschot te laat terug, dus moet ze rente betalen (€ 27,05) en heeft [eisende partij] WHE aan moeten manen en daarom zijn ook buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.062,20) verschuldigd. Tot slot moet WHE de beslagkosten vergoeden, aldus [eisende partij] .
3.3.
WHE voert verweer. Volgens haar heeft ze veel kosten gemaakt om het transport voor te bereiden. Er is veel e-mailverkeer met [eisende partij] geweest en er gelden algemene voorwaarden. WHE wil uit coulance wel € 6.000,00 terugbetalen. WHE concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] het door WHE gevoerde verweer gemotiveerd weersproken. WHE heeft daarop, omdat zij op de mondelinge behandeling afwezig was, niet meer gereageerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eisende partij] . Dit betekent dat als onvoldoende weersproken komt vast te staan dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht is opgezegd door [eisende partij] en dat WHE op dat moment nog geen loonwaardige werkzaamheden had verricht of onkosten had gemaakt, zodat WHE geen aanspraak kan maken op een onkostenvergoeding (art. 7:406 lid 1 BW) of een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon (art. 7:411 BW). Dat maakt dat het voorschot onverschuldigd is betaald. De vordering van [eisende partij] wordt dus toegewezen. WHE moet het bedrag van € 10.285,00 aan [eisende partij] terugbetalen, te vermeerderen met de verschenen wettelijke rente over dit bedrag van € 27,05 en de nog te verschijnen wettelijke rente vanaf 28 juni 2023.
4.2.
Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 1.062,20 inclusief btw toegewezen.
4.3.
De vordering tot betaling van de beslagkosten is, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv, toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 360,77 voor kosten deurwaardersexploten, € 314,00 voor griffierecht en € 396,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt(en) × € 396,00), totaal € 1.070,77. Het griffierecht uit de beslagprocedure zal in mindering worden gebracht op het griffierecht dat verschuldigd is voor het aanbrengen van de dagvaarding.
4.4.
WHE is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
129,14
- griffierecht
€
0,00
- salaris gemachtigde
€
792,00
(2,00 punten × € 396,00)
Totaal
€
921,14
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt WHE om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 11.374,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 10.285,00, met ingang van 28 juni 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt WHE in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.070,77,
5.3.
veroordeelt WHE in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] tot dit vonnis vastgesteld op € 921,14,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2024.
25115 / 40141