Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-02-20
ECLI:NL:RBGEL:2024:3105
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
18,816 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/281449-23 + 09/278697-22 (tul)
Datum uitspraak : 20 februari 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1961 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. D. Simo, advocaat in Culemborg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 mei 2023 te [plaats 1] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachtezich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kluisbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 144.000 euro), inelk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan eenander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 mei 2023 te [plaats 1] , althans in Nederlandmet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of hetteniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een kluis bevattende eengeldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 144.000 euro), door:- naar de woning van die [slachtoffer 1] te gaan en/of te zeggen dat er in de buurt een gaslekwas, en/of- te vermelden dat die [slachtoffer 1] een nieuwe gasmeter zou krijgen en/of dat Lianderdeze gasmeter zou betalen, en/of- te vragen of die [slachtoffer 1] sieraden en/of geld in de woning aanwezig had, waarna die[slachtoffer 1] haar kluis heeft gehaald en/of- te vragen of die [slachtoffer 1] de waterkraan in de keuken wilde open zetten, waarna die[slachtoffer 1] is weggelopen van de kluis,althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 1 mei 2023 te [plaats 2] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zichbuiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sigarendoosbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 3000 euro) en/ofeen juwelendoosje bevattende een of meerdere juwelen, en/of een doos bevattende een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro,in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2023 te [plaats 2] , althans in Nederlandmet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van eendienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/ofhet teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een sigarendoosbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 3000 euro) en/ofeen juwelendoosje bevattende een of meerdere juwelen, en/of een doos bevattende een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro”(volgens de vordering wijziging tll) door:- bij de woning van die [slachtoffer 2] aan te bellen en/of te zeggen dat er eengasalarm was en/of dat de buren al gewaarschuwd waren en/of dat die [slachtoffer 2]de woning zo snel mogelijk moest verlaten en/of- te vertellen dat die [slachtoffer 2] zijn waardevolle spullen in de woning moestmeenemen omdat de hele boel de lucht in kon vliegen en/of dat de waardevollespullen wel vergoed werken en/of te zeggen dat die [slachtoffer 2] de sieraden en/ofgeld moest pakken, waarna die [slachtoffer 2] zijn sieraden en/of geld heeft gepakt,althans woorden van gelijke aard en/of strekking.
Overwegingen
Ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de signalementen die gegeven worden door aangeefster en de buurman niet overeenkomen met het uiterlijk van verdachte. Daarnaast dienen de herkenningen op de pagina’s 20, 37, 40 en 47 van het dossier uitgesloten te worden van het bewijs, omdat de gedane herkenningen onbetrouwbaar zijn. Mocht de rechtbank toch van oordeel zijn dat de herkenningen betrouwbaar zijn, dan dient alsnog vrijspraak te volgen, omdat de man op de camerabeelden geen vuilniszak draagt; hij is dus niet de persoon die in de woning is geweest.
Beoordeling
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat op 10 mei 2023 een onbekende man de gang van haar woning aan de [adres 1] in [plaats 1] binnen kwam lopen. De man vertelde dat er een gaslek was vanwege de droogte en de verzakking van de huizen. Op een gegeven moment vroeg de man of zij geld in huis had. Aangeefster vertelde hem dat zij een kluis in de kelder had. Vervolgens heeft zij zelf het luik in de kelder geopend en de kluis uit de opening gehaald. Aangeefster heeft verklaard de kluis op de grond van de keldervloer te hebben gezet. De man vroeg haar of zij de waterkraan in de keuken open wilde zetten. Vervolgens liep aangeefster naar de keuken en heeft de kraan opengezet. Toen zij terugkwam in de gang, zag zij dat de man weg was, evenals de kluis. In de kluis zat een bedrag van 144.000 euro. Dit heeft zij van de week nog nageteld, aldus aangeefster. Er lag namelijk 150.000 euro in de kluis. Voor een reparatie heeft zij er 6.000 euro uitgepakt. [naam] is de accountant van [slachtoffer 1] en heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte is dat [slachtoffer 1] substantiële bedragen in een kluis in haar woning had liggen. Het geld was eerst verdeeld over twee kluizen, maar omdat het slot van één van de kluizen kapot was, is het geld samengevoegd in één kluis.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 10 mei 2023 aan het werk was aan de [adres 3] in [plaats 1] . Er werd aangebeld en hij hoorde iemand zeggen: “is er iemand thuis?”. De bewoner was er niet, dus [getuige] zei dat er niemand thuis was. Op het moment dat hij dat zei zat hij in de keuken en keek hij naar de voordeur. Daarom zag hij de man. Vervolgens stond hij op om naar de man toe te lopen vanuit de keuken. Hij zag vanuit zijn positie dat de man naar de woning op de [adres 1] liep. [getuige] heeft verklaard dat hij tien minuten later naar buiten ging om te roken. Ook belde hij met een collega. In zijn telefoon ziet hij dat dit om 12:07 uur was. Toen zag hij weer de man, die aan de deur van de [adres 3] had aangebeld en had gevraagd of er iemand thuis was. Hij liep langs. Vervolgens is [getuige] weer de woning ingelopen, waar hij aan het klussen was. Toen hij weer naar buiten liep, zag hij een mevrouw, die later de bewoonster van de [adres 3] bleek te zijn (de rechtbank begrijpt [adres 1] ). Zij vertelde dat ze was opgelicht. [getuige] vroeg of dit door de man was, die net langs was gelopen. Dat was zo, volgens de vrouw. Het moment dat [getuige] de man voor de tweede keer langs zag lopen, was zeker één tot twee minuten nadat hij de man voor de tweede keer had gezien.
Door verbalisant [verbalisant 1] zijn camerabeelden afkomstig van de [adres 4] uitgekeken met bestandsnaam 10-5-2023 1200-1212u.mp4. Hij zag dat de beelden in kleur zijn en van goede kwaliteit. Hij zag dat de camera op de weg gericht was. Op 01:07min ziet hij een man links in beeld komen lopen langs de camera en vervolgens rechts uit beeld verdwijnen. Op 10:17min ziet hij de man rechts in beeld komen lopen. De verbalisant zag dat de man een tas in zijn rechterhand had en zag dat, zodra de man in het midden van het beeld komt, zijn pas begint te versnellen. Vervolgens ziet hij de man links uit beeld verdwijnen.
Verbalisant [verbalisant 2] kreeg op 11 mei 2023 via e-mail een aandachtsvestiging. Daarin werd op basis van een foto de herkenning van een persoon gevraagd. [verbalisant 2] herkent de persoon op de foto als [verdachte] . Hij herkent hem vanuit zijn werkzaamheden als medewerker Basis Politie Zorg en heeft hem meerdere malen in het echt gezien en gesproken. [verbalisant 2] herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Hij herkende hem onmiddellijk, toen hij de foto zag. Over zijn (mogelijke) identiteit was door anderen geen informatie verstrekt. Ook droeg hij geen voorkennis van de zaak, waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
De rechtbank overweegt het volgende. De beelden, die zijn uitgekeken door verbalisant [verbalisant 1] , hebben als bestandsnaam 10-5-2023 1200-1212u.mp4. De rechtbank stelt vast dat deze camerabeelden zijn van 10 mei 2023 tussen 12:00 uur en 12:12 uur. Om 12:01 uur komt de man voor het eerst in beeld lopen. Vervolgens komt hij om 12:10 uur opnieuw in beeld gelopen, maar deze keer met een tas in zijn rechterhand.
Tien minuten voordat getuige [getuige] ging roken (omstreeks 11:57 uur), zag hij de man naar de [adres 1] lopen. Vervolgens zag hij deze man voor de tweede keer rond 12:07 uur. Zeker één tot twee minuten later zag hij de man voor de tweede keer langslopen.
De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [getuige] en [verbalisant 1] vast dat de man op de camerabeelden degene is geweest, die naar de woning is gegaan aan de [adres 1] . De man op deze beelden wordt door verbalisant [verbalisant 2] herkend als verdachte [verdachte] . Deze herkenning, in combinatie met de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] , brengen de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de man is, die in de woning van [slachtoffer 1] is geweest en de kluis met 144.000 euro heeft weggenomen.
Door de verdediging is aangevoerd dat het proces-verbaal inhoudende de herkenning uitgesloten dient te worden van het bewijs, nu deze herkenning niet betrouwbaar zou zijn omdat de zaak tussen collega’s van politie is besproken en daarbij achtergrondinformatie is gedeeld over de verdachte. Daarnaast is de kwaliteit van de beelden onvoldoende om onderscheidende gelaatstrekken te kunnen zien en dus om tot herkenning over te kunnen gaan. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit het proces-verbaal dat is opgesteld door [verbalisant 2] volgt dat hij voorafgaand aan de gedane herkenning geen achtergrondinformatie heeft verkregen. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal dat de beelden helder en van goede kwaliteit zijn. De rechtbank ziet in de stelling van de verdediging onvoldoende aanleiding om daaraan te twijfelen. Tot slot kent [verbalisant 2] verdachte vanuit zijn werk in de Basis Politie Zorg, waarin hij meermalen contact met hem heeft gehad, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid van zijn herkenning. De rechtbank acht de herkenning door [verbalisant 2] dus voldoende betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs.
Gelet op het bovengenoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal.
Ten aanzien van feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat op 1 mei 2023 bij zijn woning aan de [adres 2] in [plaats 2] werd aangebeld door een man. Hij hoorde de man zeggen dat er een gasalarm was en hij snel de woning moest verlaten. [slachtoffer 2] hoorde de man zeggen dat hij al zijn waardevolle spullen mee moest nemen, zoals geld en sieraden. [slachtoffer 2] is naar boven gelopen en de man volgde hem. In zijn slaapkamer had [slachtoffer 2] twee doosjes verstopt in zijn kledingkast onder een houten vloerplank. Het gaat om een sigarendoos met daarin een geldbedrag van 3.000 euro en een juwelendoosje met een gouden armband en een gouden ring. Om bij deze doosjes te komen, moest de vloerplank opgetild worden met een daartoe speciaal vervaardigde ijzeren haak. [slachtoffer 2] heeft de man de haak aangegeven en hem uitgelegd waar de haak in moest, zodat de man de plank omhoog kon trekken. [slachtoffer 2] dacht dat de man hem ging helpen om de twee doosjes veilig mee te nemen. Toen de man weg was, zag [slachtoffer 2] dat de twee doosjes weg waren. Ook de 15.000 euro is weggenomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de man is die bij [slachtoffer 2] is geweest. Hij heeft gezegd dat er een gaslek was en dat [slachtoffer 2] zijn spullen moest pakken. Verdachte bekent de 15.000 euro te hebben weggenomen. Hij ontkent echter dat hij de andere twee doosjes heeft weggenomen.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte degene is geweest, die bij [slachtoffer 2] binnen is geweest en de doos met 15.000 euro heeft weggenomen. Ten aanzien van de sigarendoos met daarin een geldbedrag van 3.000 euro en het juwelendoosje overweegt de rechtbank als volgt.
In de woning van [slachtoffer 2] is een metalen haak aangetroffen, die is bemonsterd en voorzien van een SIN-nummer ( [SIN-nummer 1] ). Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van [verdachte] ( [SIN-nummer 2] ) in de bemonstering van de metalen haak ( [SIN-nummer 1] ) is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:
Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] en één onbekende, niet verwante persoon.
Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van twee onbekende, niet verwante personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker (>1.000.000) wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het DNA van verdachte op de haak is aangetroffen. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte degene is geweest, die de metalen haak heeft vastgehad. Uit de aangifte volgt dat met deze haak de vloerplank is opgetild om de sigarendoos met daarin 3.000 euro en het juwelendoosje met meerdere juwelen weg te nemen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte is die ook deze twee doosjes heeft weggenomen.
Gelet op het bovengenoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal. Voor het bestanddeel in beide feiten waar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond bevat het dossier geen bewijs, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op of omstreeks 10 mei 2023 te [plaats 1] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachtezich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kluisbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 144.000 euro), inelk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan eenander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij op of omstreeks 1 mei 2023 te [plaats 2] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zichbuiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sigarendoosbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 3000 euro) en/ofeen juwelendoosje bevattende een of meerdere juwelen, en/of een doos bevattende een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro,in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen;
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair telkens:
diefstal
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om een contact- en locatieverbod op te leggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het locatieverbod dient te gelden in twee straten, namelijk in de [adres 1] in [plaats 1] en in de [adres 2] in [plaats 2] . Voor het contactverbod dient te gelden dat verdachte op geen enkele wijze contact mag opnemen met de aangevers.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest en een voorwaardelijk deel, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van het contact- en locatieverbod). Daarnaast heeft zij verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, gelet op het ontbreken van ernstige bezwaren, dan wel te schorsen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft in een tijdsbestek van tien dagen op doortrapte wijze, door middel van een ‘babbeltruc’, bij twee hoogbejaarde slachtoffers uit hun woningen geld en goederen weggenomen. Hij waarschuwde de slachtoffers voor een zogenaamd gasalarm. De slachtoffers moesten zo snel mogelijk hun woningen verlaten en alle waardevolle spullen meenemen, zoals geld en sieraden. Vervolgens hielp verdachte met het pakken van de waardevolle spullen. Hij leidde de slachtoffers af om er vervolgens met de waardevolle spullen en het geld vandoor te gaan. In totaal heeft hij zo’n 162.000 euro weggenomen, evenals sieraden, met ook een bijzondere persoonlijke waarde.
Dit zijn ernstige feiten. Niet alleen veroorzaakte de verdachte de slachtoffers grote financiële schade en overlast, maar ook de diefstal van dierbare sieraden is een pijnlijk gemis. Daarnaast heeft verdachte bij de slachtoffers gevoelens teweeg gebracht van onveiligheid en van schaamte, omdat zij te goed van vertrouwen bleken te zijn geweest. Het gevoel van veiligheid wordt in het bijzonder aangetast, omdat de diefstal heeft plaatsgevonden in de eigen woning, de plek waar men zich bij uitstek veilig hoort te voelen. Uit de aangiften en toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat de diefstallen de slachtoffers bijzonder hebben aangegrepen en dat zij daardoor angstig en wantrouwend naar hun medemens zijn geworden. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte doelbewust kwetsbare ouderen heeft uitgezocht omdat zij een makkelijk doelwit vormen. In de zaak van de heer [slachtoffer 2] bevestigde verdachte dat ook met zoveel woorden. Deze handelswijze van verdachte is sluw en doortrapt en getuigt van een grote mate van berekening. Verdachte was telkens slechts uit op financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de mogelijke gevolgen voor zijn kwetsbare slachtoffers.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank betrokken dat verdachte de feiten heeft gepleegd, terwijl hij in een proeftijd liep van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor soortgelijke feiten. Noch de toen ondergane voorlopige hechtenis noch de aan de schorsing verbonden voorwaarden hebben hem ervan weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Ook een eerder opgelegde gevangenisstraf voor diefstallen heeft hem hier niet van weerhouden. De rechtbank meent dat sprake is van relevante recidive en weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
De rechtbank heeft bovendien acht geslagen op het reclasseringsrapport van 17 januari 2024. De reclassering ziet als oorzaak van het delictgedrag vooral de pro-criminele houding, mogelijk in combinatie met onderliggende psychische problematiek. Ook het gedeeltelijk mogelijk pro-criminele netwerk en de schulden zijn risicofactoren. Daarom acht de reclassering het wenselijk dat verdachte hulp en steun krijg om de problemen op deze leefgebieden aan te pakken, zodat de kans op herhaling kan verminderen. De reclassering adviseert om een meldplicht, ambulante behandeling, contactverbod, locatieverbod, meehelpen aan schuldhulpverlening en een inschrijfadres als bijzondere voorwaarden op te leggen aan verdachte. Daarbij wordt opgemerkt dat de voorgestelde bijzondere voorwaarden ook onderdeel kunnen zijn van een detentieplan of als voorwaarden kunnen worden opgenomen voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Verdachte heeft, net als bij voorgaande reclasseringscontacten, enige motivatie laten zien voor gedragsverandering. Dat hij deze wens al vaker kenbaar maakte, leidt ertoe dat dit wellicht als sociaal wenselijk gedrag wordt bezien.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met bijzondere voorwaarden. Dit omdat de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte en de herhaling van precies dit soort feiten, niet overtuigd is van de oprechtheid van de motivatie van verdachte om tot gedragsverandering te komen en uit het reclasseringsrapport blijkt dat deze voorwaarden eventueel ook na afloop van detentie in een periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen worden gebezigd. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal daarnaast geen contact- en locatieverbod opleggen als 38v-maatregel. Zij is namelijk niet van oordeel dat deze vereist is om de maatschappij te beveiligen of om te voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Gezien de op te leggen straf en het ontbreken van bijzondere persoonlijke omstandigheden, die zwaarder zouden moeten wegen dan het strafvorderlijk belang van het voortduren van de voorlopige hechtenis, worden de verzoeken met betrekking tot de voorlopige hechtenis afgewezen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beoordeling
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 144.290,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Immers blijkt nergens uit dat [slachtoffer 1] het gevorderde geldbedrag in de woning heeft gehad. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat het aan schade te vergoeden bedrag dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de bewezenverklaring is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu aan verdachte in verband met dit bewezen verklaarde handelen een straf zal worden opgelegd en geen sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding is de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering.
Uit de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde volgt dat € 144.000,- werd bewaard in de kluis die verdachte van de benadeelde partij heeft gestolen. Voor zover de verdediging heeft betwist dat dit bedrag in de kluis zat, stuit die betwisting reeds daarop af. De vordering van de benadeelde partij strekkende tot vergoeding van € 144.000,- zal derhalve worden toegewezen. De benadeelde partij heeft gesteld dat er ook twee trouwboekjes met een waarde van in totaal € 40,- in de kluis lagen en dat de kluis zelf een waarde van € 250,- had. Dit is door de verdediging niet betwist, zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het verzoek van de verdediging om het bedrag aan schadevergoeding te matigen, wordt gepasseerd omdat het op geen enkele wijze is onderbouwd.
De rechtbank zal de vordering van € 144.290,- daarom in het geheel toewijzen.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 mei 2023.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.300,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het materiële deel op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. Verdachte heeft namelijk slechts erkend dat hij € 15.000,- heeft weggenomen. Daarnaast kan de trouwring door de verzekering worden vergoed en is niet gebleken dat dit nog niet is gebeurd. Ten aanzien van het immateriële deel refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Uit de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde volgt dat verdachte in totaal € 18.000,- bij de benadeelde partij heeft weggenomen. De verzekeraar heeft een bedrag van € 1.100,- reeds vergoed. Dit bedrag komt op de geleden schade in mindering.
Ten aanzien van de gevorderde schade in verband met de gestolen trouwring (met een gestelde waarde van € 400,-) is de rechtbank onvoldoende gebleken dat deze niet door de verzekering is vergoed of zou kunnen worden vergoed, zoals met de overige gestolen sieraden is gebeurd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vordering voor het materiële deel tot een hoogte van € 16.900,- kan worden toegewezen en verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij deze aantasting in de persoon voldoende heeft gestaafd, hetgeen door verdachte niet is weersproken. Daarbij is van belang dat ook een diefstal uit een woning, onder de omstandigheden waarop die in deze zaak heeft plaatsgevonden, een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer kan opleveren en voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Dictum
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 144.290,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 144.290,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 365 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dictum
veroordeelt verdachte in verband met het feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 16.900,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 16.900,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 119 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dictum
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 3 februari 2023 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen (parketnummer 09/278697-22).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2024.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023493786, gesloten op 26 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 10.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever, p. 15
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 27.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 30.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 37.
Het proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 47 & 49.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 50.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] (PL0900-2023127285-11), p. 2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 50-51.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] (PL0900-2023127285-11), p. 2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 51.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] (PL0900-2023127285-11), p. 2.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2024.
Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, p. 58.
Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek van 22 mei 2023, p. 62.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/281449-23 + 09/278697-22 (tul)
Datum uitspraak : 20 februari 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1961 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. D. Simo, advocaat in Culemborg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 mei 2023 te [plaats 1] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachtezich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kluisbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 144.000 euro), inelk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan eenander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 mei 2023 te [plaats 1] , althans in Nederlandmet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of hetteniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een kluis bevattende eengeldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 144.000 euro), door:- naar de woning van die [slachtoffer 1] te gaan en/of te zeggen dat er in de buurt een gaslekwas, en/of- te vermelden dat die [slachtoffer 1] een nieuwe gasmeter zou krijgen en/of dat Lianderdeze gasmeter zou betalen, en/of- te vragen of die [slachtoffer 1] sieraden en/of geld in de woning aanwezig had, waarna die[slachtoffer 1] haar kluis heeft gehaald en/of- te vragen of die [slachtoffer 1] de waterkraan in de keuken wilde open zetten, waarna die[slachtoffer 1] is weggelopen van de kluis,althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 1 mei 2023 te [plaats 2] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zichbuiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sigarendoosbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 3000 euro) en/ofeen juwelendoosje bevattende een of meerdere juwelen, en/of een doos bevattende een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro,in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2023 te [plaats 2] , althans in Nederlandmet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van eendienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/ofhet teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een sigarendoosbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 3000 euro) en/ofeen juwelendoosje bevattende een of meerdere juwelen, en/of een doos bevattende een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro”(volgens de vordering wijziging tll) door:- bij de woning van die [slachtoffer 2] aan te bellen en/of te zeggen dat er eengasalarm was en/of dat de buren al gewaarschuwd waren en/of dat die [slachtoffer 2]de woning zo snel mogelijk moest verlaten en/of- te vertellen dat die [slachtoffer 2] zijn waardevolle spullen in de woning moestmeenemen omdat de hele boel de lucht in kon vliegen en/of dat de waardevollespullen wel vergoed werken en/of te zeggen dat die [slachtoffer 2] de sieraden en/ofgeld moest pakken, waarna die [slachtoffer 2] zijn sieraden en/of geld heeft gepakt,althans woorden van gelijke aard en/of strekking.
Overwegingen
Ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de signalementen die gegeven worden door aangeefster en de buurman niet overeenkomen met het uiterlijk van verdachte. Daarnaast dienen de herkenningen op de pagina’s 20, 37, 40 en 47 van het dossier uitgesloten te worden van het bewijs, omdat de gedane herkenningen onbetrouwbaar zijn. Mocht de rechtbank toch van oordeel zijn dat de herkenningen betrouwbaar zijn, dan dient alsnog vrijspraak te volgen, omdat de man op de camerabeelden geen vuilniszak draagt; hij is dus niet de persoon die in de woning is geweest.
Beoordeling
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat op 10 mei 2023 een onbekende man de gang van haar woning aan de [adres 1] in [plaats 1] binnen kwam lopen. De man vertelde dat er een gaslek was vanwege de droogte en de verzakking van de huizen. Op een gegeven moment vroeg de man of zij geld in huis had. Aangeefster vertelde hem dat zij een kluis in de kelder had. Vervolgens heeft zij zelf het luik in de kelder geopend en de kluis uit de opening gehaald. Aangeefster heeft verklaard de kluis op de grond van de keldervloer te hebben gezet. De man vroeg haar of zij de waterkraan in de keuken open wilde zetten. Vervolgens liep aangeefster naar de keuken en heeft de kraan opengezet. Toen zij terugkwam in de gang, zag zij dat de man weg was, evenals de kluis. In de kluis zat een bedrag van 144.000 euro. Dit heeft zij van de week nog nageteld, aldus aangeefster. Er lag namelijk 150.000 euro in de kluis. Voor een reparatie heeft zij er 6.000 euro uitgepakt. [naam] is de accountant van [slachtoffer 1] en heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte is dat [slachtoffer 1] substantiële bedragen in een kluis in haar woning had liggen. Het geld was eerst verdeeld over twee kluizen, maar omdat het slot van één van de kluizen kapot was, is het geld samengevoegd in één kluis.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 10 mei 2023 aan het werk was aan de [adres 3] in [plaats 1] . Er werd aangebeld en hij hoorde iemand zeggen: “is er iemand thuis?”. De bewoner was er niet, dus [getuige] zei dat er niemand thuis was. Op het moment dat hij dat zei zat hij in de keuken en keek hij naar de voordeur. Daarom zag hij de man. Vervolgens stond hij op om naar de man toe te lopen vanuit de keuken. Hij zag vanuit zijn positie dat de man naar de woning op de [adres 1] liep. [getuige] heeft verklaard dat hij tien minuten later naar buiten ging om te roken. Ook belde hij met een collega. In zijn telefoon ziet hij dat dit om 12:07 uur was. Toen zag hij weer de man, die aan de deur van de [adres 3] had aangebeld en had gevraagd of er iemand thuis was. Hij liep langs. Vervolgens is [getuige] weer de woning ingelopen, waar hij aan het klussen was. Toen hij weer naar buiten liep, zag hij een mevrouw, die later de bewoonster van de [adres 3] bleek te zijn (de rechtbank begrijpt [adres 1] ). Zij vertelde dat ze was opgelicht. [getuige] vroeg of dit door de man was, die net langs was gelopen. Dat was zo, volgens de vrouw. Het moment dat [getuige] de man voor de tweede keer langs zag lopen, was zeker één tot twee minuten nadat hij de man voor de tweede keer had gezien.
Door verbalisant [verbalisant 1] zijn camerabeelden afkomstig van de [adres 4] uitgekeken met bestandsnaam 10-5-2023 1200-1212u.mp4. Hij zag dat de beelden in kleur zijn en van goede kwaliteit. Hij zag dat de camera op de weg gericht was. Op 01:07min ziet hij een man links in beeld komen lopen langs de camera en vervolgens rechts uit beeld verdwijnen. Op 10:17min ziet hij de man rechts in beeld komen lopen. De verbalisant zag dat de man een tas in zijn rechterhand had en zag dat, zodra de man in het midden van het beeld komt, zijn pas begint te versnellen. Vervolgens ziet hij de man links uit beeld verdwijnen.
Verbalisant [verbalisant 2] kreeg op 11 mei 2023 via e-mail een aandachtsvestiging. Daarin werd op basis van een foto de herkenning van een persoon gevraagd. [verbalisant 2] herkent de persoon op de foto als [verdachte] . Hij herkent hem vanuit zijn werkzaamheden als medewerker Basis Politie Zorg en heeft hem meerdere malen in het echt gezien en gesproken. [verbalisant 2] herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Hij herkende hem onmiddellijk, toen hij de foto zag. Over zijn (mogelijke) identiteit was door anderen geen informatie verstrekt. Ook droeg hij geen voorkennis van de zaak, waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
De rechtbank overweegt het volgende. De beelden, die zijn uitgekeken door verbalisant [verbalisant 1] , hebben als bestandsnaam 10-5-2023 1200-1212u.mp4. De rechtbank stelt vast dat deze camerabeelden zijn van 10 mei 2023 tussen 12:00 uur en 12:12 uur. Om 12:01 uur komt de man voor het eerst in beeld lopen. Vervolgens komt hij om 12:10 uur opnieuw in beeld gelopen, maar deze keer met een tas in zijn rechterhand.
Tien minuten voordat getuige [getuige] ging roken (omstreeks 11:57 uur), zag hij de man naar de [adres 1] lopen. Vervolgens zag hij deze man voor de tweede keer rond 12:07 uur. Zeker één tot twee minuten later zag hij de man voor de tweede keer langslopen.
De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [getuige] en [verbalisant 1] vast dat de man op de camerabeelden degene is geweest, die naar de woning is gegaan aan de [adres 1] . De man op deze beelden wordt door verbalisant [verbalisant 2] herkend als verdachte [verdachte] . Deze herkenning, in combinatie met de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] , brengen de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de man is, die in de woning van [slachtoffer 1] is geweest en de kluis met 144.000 euro heeft weggenomen.
Door de verdediging is aangevoerd dat het proces-verbaal inhoudende de herkenning uitgesloten dient te worden van het bewijs, nu deze herkenning niet betrouwbaar zou zijn omdat de zaak tussen collega’s van politie is besproken en daarbij achtergrondinformatie is gedeeld over de verdachte. Daarnaast is de kwaliteit van de beelden onvoldoende om onderscheidende gelaatstrekken te kunnen zien en dus om tot herkenning over te kunnen gaan. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit het proces-verbaal dat is opgesteld door [verbalisant 2] volgt dat hij voorafgaand aan de gedane herkenning geen achtergrondinformatie heeft verkregen. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal dat de beelden helder en van goede kwaliteit zijn. De rechtbank ziet in de stelling van de verdediging onvoldoende aanleiding om daaraan te twijfelen. Tot slot kent [verbalisant 2] verdachte vanuit zijn werk in de Basis Politie Zorg, waarin hij meermalen contact met hem heeft gehad, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid van zijn herkenning. De rechtbank acht de herkenning door [verbalisant 2] dus voldoende betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs.
Gelet op het bovengenoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal.
Ten aanzien van feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat op 1 mei 2023 bij zijn woning aan de [adres 2] in [plaats 2] werd aangebeld door een man. Hij hoorde de man zeggen dat er een gasalarm was en hij snel de woning moest verlaten. [slachtoffer 2] hoorde de man zeggen dat hij al zijn waardevolle spullen mee moest nemen, zoals geld en sieraden. [slachtoffer 2] is naar boven gelopen en de man volgde hem. In zijn slaapkamer had [slachtoffer 2] twee doosjes verstopt in zijn kledingkast onder een houten vloerplank. Het gaat om een sigarendoos met daarin een geldbedrag van 3.000 euro en een juwelendoosje met een gouden armband en een gouden ring. Om bij deze doosjes te komen, moest de vloerplank opgetild worden met een daartoe speciaal vervaardigde ijzeren haak. [slachtoffer 2] heeft de man de haak aangegeven en hem uitgelegd waar de haak in moest, zodat de man de plank omhoog kon trekken. [slachtoffer 2] dacht dat de man hem ging helpen om de twee doosjes veilig mee te nemen. Toen de man weg was, zag [slachtoffer 2] dat de twee doosjes weg waren. Ook de 15.000 euro is weggenomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de man is die bij [slachtoffer 2] is geweest. Hij heeft gezegd dat er een gaslek was en dat [slachtoffer 2] zijn spullen moest pakken. Verdachte bekent de 15.000 euro te hebben weggenomen. Hij ontkent echter dat hij de andere twee doosjes heeft weggenomen.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte degene is geweest, die bij [slachtoffer 2] binnen is geweest en de doos met 15.000 euro heeft weggenomen. Ten aanzien van de sigarendoos met daarin een geldbedrag van 3.000 euro en het juwelendoosje overweegt de rechtbank als volgt.
In de woning van [slachtoffer 2] is een metalen haak aangetroffen, die is bemonsterd en voorzien van een SIN-nummer ( [SIN-nummer 1] ). Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van [verdachte] ( [SIN-nummer 2] ) in de bemonstering van de metalen haak ( [SIN-nummer 1] ) is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:
Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] en één onbekende, niet verwante persoon.
Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van twee onbekende, niet verwante personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker (>1.000.000) wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het DNA van verdachte op de haak is aangetroffen. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte degene is geweest, die de metalen haak heeft vastgehad. Uit de aangifte volgt dat met deze haak de vloerplank is opgetild om de sigarendoos met daarin 3.000 euro en het juwelendoosje met meerdere juwelen weg te nemen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte is die ook deze twee doosjes heeft weggenomen.
Gelet op het bovengenoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal. Voor het bestanddeel in beide feiten waar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond bevat het dossier geen bewijs, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op of omstreeks 10 mei 2023 te [plaats 1] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachtezich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kluisbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 144.000 euro), inelk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan eenander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen;
2. primairhij op of omstreeks 1 mei 2023 te [plaats 2] , in een woning en/of op een beslotenerf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zichbuiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sigarendoosbevattende een geldbedrag (te weten een geldbedrag van ongeveer 3000 euro) en/ofeen juwelendoosje bevattende een of meerdere juwelen, en/of een doos bevattende een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro,in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen;
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair telkens:
diefstal
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om een contact- en locatieverbod op te leggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het locatieverbod dient te gelden in twee straten, namelijk in de [adres 1] in [plaats 1] en in de [adres 2] in [plaats 2] . Voor het contactverbod dient te gelden dat verdachte op geen enkele wijze contact mag opnemen met de aangevers.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest en een voorwaardelijk deel, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van het contact- en locatieverbod). Daarnaast heeft zij verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, gelet op het ontbreken van ernstige bezwaren, dan wel te schorsen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft in een tijdsbestek van tien dagen op doortrapte wijze, door middel van een ‘babbeltruc’, bij twee hoogbejaarde slachtoffers uit hun woningen geld en goederen weggenomen. Hij waarschuwde de slachtoffers voor een zogenaamd gasalarm. De slachtoffers moesten zo snel mogelijk hun woningen verlaten en alle waardevolle spullen meenemen, zoals geld en sieraden. Vervolgens hielp verdachte met het pakken van de waardevolle spullen. Hij leidde de slachtoffers af om er vervolgens met de waardevolle spullen en het geld vandoor te gaan. In totaal heeft hij zo’n 162.000 euro weggenomen, evenals sieraden, met ook een bijzondere persoonlijke waarde.
Dit zijn ernstige feiten. Niet alleen veroorzaakte de verdachte de slachtoffers grote financiële schade en overlast, maar ook de diefstal van dierbare sieraden is een pijnlijk gemis. Daarnaast heeft verdachte bij de slachtoffers gevoelens teweeg gebracht van onveiligheid en van schaamte, omdat zij te goed van vertrouwen bleken te zijn geweest. Het gevoel van veiligheid wordt in het bijzonder aangetast, omdat de diefstal heeft plaatsgevonden in de eigen woning, de plek waar men zich bij uitstek veilig hoort te voelen. Uit de aangiften en toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat de diefstallen de slachtoffers bijzonder hebben aangegrepen en dat zij daardoor angstig en wantrouwend naar hun medemens zijn geworden. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte doelbewust kwetsbare ouderen heeft uitgezocht omdat zij een makkelijk doelwit vormen. In de zaak van de heer [slachtoffer 2] bevestigde verdachte dat ook met zoveel woorden. Deze handelswijze van verdachte is sluw en doortrapt en getuigt van een grote mate van berekening. Verdachte was telkens slechts uit op financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de mogelijke gevolgen voor zijn kwetsbare slachtoffers.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank betrokken dat verdachte de feiten heeft gepleegd, terwijl hij in een proeftijd liep van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor soortgelijke feiten. Noch de toen ondergane voorlopige hechtenis noch de aan de schorsing verbonden voorwaarden hebben hem ervan weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Ook een eerder opgelegde gevangenisstraf voor diefstallen heeft hem hier niet van weerhouden. De rechtbank meent dat sprake is van relevante recidive en weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
De rechtbank heeft bovendien acht geslagen op het reclasseringsrapport van 17 januari 2024. De reclassering ziet als oorzaak van het delictgedrag vooral de pro-criminele houding, mogelijk in combinatie met onderliggende psychische problematiek. Ook het gedeeltelijk mogelijk pro-criminele netwerk en de schulden zijn risicofactoren. Daarom acht de reclassering het wenselijk dat verdachte hulp en steun krijg om de problemen op deze leefgebieden aan te pakken, zodat de kans op herhaling kan verminderen. De reclassering adviseert om een meldplicht, ambulante behandeling, contactverbod, locatieverbod, meehelpen aan schuldhulpverlening en een inschrijfadres als bijzondere voorwaarden op te leggen aan verdachte. Daarbij wordt opgemerkt dat de voorgestelde bijzondere voorwaarden ook onderdeel kunnen zijn van een detentieplan of als voorwaarden kunnen worden opgenomen voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Verdachte heeft, net als bij voorgaande reclasseringscontacten, enige motivatie laten zien voor gedragsverandering. Dat hij deze wens al vaker kenbaar maakte, leidt ertoe dat dit wellicht als sociaal wenselijk gedrag wordt bezien.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met bijzondere voorwaarden. Dit omdat de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte en de herhaling van precies dit soort feiten, niet overtuigd is van de oprechtheid van de motivatie van verdachte om tot gedragsverandering te komen en uit het reclasseringsrapport blijkt dat deze voorwaarden eventueel ook na afloop van detentie in een periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen worden gebezigd. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal daarnaast geen contact- en locatieverbod opleggen als 38v-maatregel. Zij is namelijk niet van oordeel dat deze vereist is om de maatschappij te beveiligen of om te voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Gezien de op te leggen straf en het ontbreken van bijzondere persoonlijke omstandigheden, die zwaarder zouden moeten wegen dan het strafvorderlijk belang van het voortduren van de voorlopige hechtenis, worden de verzoeken met betrekking tot de voorlopige hechtenis afgewezen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beoordeling
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 144.290,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Immers blijkt nergens uit dat [slachtoffer 1] het gevorderde geldbedrag in de woning heeft gehad. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat het aan schade te vergoeden bedrag dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de bewezenverklaring is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu aan verdachte in verband met dit bewezen verklaarde handelen een straf zal worden opgelegd en geen sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding is de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering.
Uit de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde volgt dat € 144.000,- werd bewaard in de kluis die verdachte van de benadeelde partij heeft gestolen. Voor zover de verdediging heeft betwist dat dit bedrag in de kluis zat, stuit die betwisting reeds daarop af. De vordering van de benadeelde partij strekkende tot vergoeding van € 144.000,- zal derhalve worden toegewezen. De benadeelde partij heeft gesteld dat er ook twee trouwboekjes met een waarde van in totaal € 40,- in de kluis lagen en dat de kluis zelf een waarde van € 250,- had. Dit is door de verdediging niet betwist, zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het verzoek van de verdediging om het bedrag aan schadevergoeding te matigen, wordt gepasseerd omdat het op geen enkele wijze is onderbouwd.
De rechtbank zal de vordering van € 144.290,- daarom in het geheel toewijzen.
Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 mei 2023.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.300,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het materiële deel op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. Verdachte heeft namelijk slechts erkend dat hij € 15.000,- heeft weggenomen. Daarnaast kan de trouwring door de verzekering worden vergoed en is niet gebleken dat dit nog niet is gebeurd. Ten aanzien van het immateriële deel refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Uit de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde volgt dat verdachte in totaal € 18.000,- bij de benadeelde partij heeft weggenomen. De verzekeraar heeft een bedrag van € 1.100,- reeds vergoed. Dit bedrag komt op de geleden schade in mindering.
Ten aanzien van de gevorderde schade in verband met de gestolen trouwring (met een gestelde waarde van € 400,-) is de rechtbank onvoldoende gebleken dat deze niet door de verzekering is vergoed of zou kunnen worden vergoed, zoals met de overige gestolen sieraden is gebeurd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vordering voor het materiële deel tot een hoogte van € 16.900,- kan worden toegewezen en verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij deze aantasting in de persoon voldoende heeft gestaafd, hetgeen door verdachte niet is weersproken. Daarbij is van belang dat ook een diefstal uit een woning, onder de omstandigheden waarop die in deze zaak heeft plaatsgevonden, een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer kan opleveren en voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Dictum
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 144.290,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 144.290,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 365 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dictum
veroordeelt verdachte in verband met het feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 16.900,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 16.900,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 119 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dictum
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 3 februari 2023 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen (parketnummer 09/278697-22).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2024.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023493786, gesloten op 26 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 10.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever, p. 15
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 27.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 30.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 37.
Het proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 47 & 49.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 50.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] (PL0900-2023127285-11), p. 2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 50-51.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] (PL0900-2023127285-11), p. 2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 51.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] (PL0900-2023127285-11), p. 2.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2024.
Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, p. 58.
Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek van 22 mei 2023, p. 62.