Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-05-08
ECLI:NL:RBGEL:2024:2827
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
3,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/2665, 24/2705 en 24/2780 OWBOUW
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaken tussen
[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
[verzoeker 3] , allen uit [plaats] , hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. S. el Yaacoubi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet
(gemachtigde: mr. W. van de Rijt).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Nunspeet (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een tijdelijke grondopslag (voor maximaal 3 jaar) aan [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel).
1.1.
Het college heeft deze omgevingsvergunning bij besluit van 11 april 2024 verleend. Verzoekers hebben hier bezwaar tegen gemaakt. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Namens verzoekers hebben [verzoeker 3] en de gemachtigde deelgenomen aan de zitting. Namens het college en vergunninghoudster zijn [persoon A] (de verkeersdeskundige), [persoon B] (de aannemer), [persoon C] en de gemachtigde verschenen.
Waar gaat deze zaak over?
2. De gemeente Nunspeet is begonnen met graafwerkzaamheden voor het aanleggen van twee tunnels onder het spoor in [plaats] . Het betreft een tunnel voor gemotoriseerd verkeer en een tunnel voor fietsers en voetgangers. Deze tunnels hebben tot doel om de gevaarlijke overweg, die vlak naast het station van [plaats] ligt, te vervangen. Het zand dat daarvoor weggegraven moet worden, wordt tijdelijk opgeslagen op het perceel. De gemeente wil het zand gaan gebruiken voor de ontwikkeling van [woonwijk] . Omdat de tijdelijke grondopslag in strijd is met het omgevingsplan, heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd. Bij besluit van 11 april 2024 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.
3. Verzoekers wonen in de nabijheid van het perceel waar de tijdelijke grondopslag gerealiseerd is. Verzoekers zijn, zo hebben zij op zitting toegelicht, niet tegen de grondopslag, maar komen enkel tegen omgevingsvergunning op omdat zij vrezen voor de verkeersveiligheid aan [locatie] vanwege het aan- en afrijdend vrachtverkeer.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
4.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. Het college betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. Volgens het college hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de vier vrachten die per uur vervoerd worden zullen leiden tot onomkeerbare gevolgen. De enkele vrees voor verkeersonveilige situaties betekent volgens het college namelijk niet dat sprake is van onomkeerbare gevolgen. Omdat partijen dus van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wel sprake is van een spoedeisend belang. Vaststaat dat vergunninghoudster is begonnen met de uitvoering van de aan haar verleende omgevingsvergunning. Als gevolg daarvan rijden er tot ongeveer eind mei vier vrachtwagens per uur met zand af en aan op [locatie] . De enige mogelijkheid voor verzoekers om deze aan- en afrijdende vrachtwagens en eventuele mogelijke verkeersoverlast als gevolg daarvan tegen te gaan, is door de voorzieningenrechter te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele verkeersonveilige situaties zijn nadien niet met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het wettelijk kader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de grondopslag gerealiseerd is, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2018 geldt op het perceel de bestemming ‘Agrarisch’. De tijdelijke grondopslag past niet binnen een agrarische functie.
8. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9. De vraag die in het kader van deze procedure dus moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de tijdelijke grondopslag op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij dit criterium spelen verschillende (omgevings)factoren een rol, maar omdat verzoekers enkel vrezen voor de verkeersveiligheid op [locatie] zal de voorzieningenrechter zich tot dit aspect beperken.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties; verkeersveiligheid
10. Verzoekers stellen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen voor verkeersveiligheid aan [locatie] . In het primaire besluit is volgens verzoekers namelijk geen aandacht besteed aan de verkeersveiligheid. De combinatie van auto’s, fietsers, voetgangers en de extra vrachtwagens, waarbij een maximum snelheid geldt van 60 km/uur, gaat volgens verzoekers echter wel voor gevaarlijke situaties zorgen. Verzoekers stellen dat de verkeersveiligheid gewaarborgd kan blijven als de snelheid op [locatie] tijdelijk wordt verlaagd naar 30 km/uur. Het college heeft volgens verzoekers niet gemotiveerd waarom deze snelheidsverlaging niet kan worden ingevoerd. Op zitting hebben verzoekers daarnaast gesteld dat de memo van de verkeersdeskundige op aannames berust en dat het college een feitelijk onderzoek had moeten doen naar de verkeersintensiteit en verkeersveiligheid op [locatie] .
10.1.
Het college stelt dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van [locatie] . Het college wijst erop dat het aantal vrachtwagens en de periode waarbinnen deze rijden beperkt is. Daarnaast stelt het college dat vrachtwagens reeds zijn toegestaan op [locatie] . De omgevingsvergunning heeft in feite enkel tot gevolg dat in een beperkte periode slechts vier vrachten per uur naar het zanddepot af- en aanrijden. Ook wijst het college op de memo van de verkeersdeskundige van de gemeente Nunspeet van 3 mei 2024. Daaruit volgt dat [locatie] meer dan voldoende capaciteit heeft om de vier vrachten per uur te verwerken. Tot slot wijst het college erop dat in de vergunningvoorschriften maatregelen zijn genomen in het belang van de verkeersveiligheid. Deze verplichtingen rusten op de gemeente Nunspeet als vergunninghoudster.
10.2.
Verkeersveiligheid is een aspect dat bij de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een rol kan spelen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college in het kader van de primaire besluitvorming, anders dan verzoekers menen, wel oog heeft gehad voor de verkeersveiligheid en dit aspect ook uitdrukkelijk heeft betrokken bij de besluitvorming. In de omgevingsvergunning zijn namelijk een aantal vergunningvoorschriften opgenomen ter bescherming van de verkeersveiligheid op [locatie] . Zo rust op vergunninghoudster de verplichting om de verkeersveiligheid te monitoren en om de weg schoon te houden, moet de in-/uitrit van het gronddepot met bebording duidelijk worden aangegeven en is het niet toegestaan om vrachtwagens op [locatie] te laten wachten. Al deze voorschriften geven er blijk van dat het college de verkeersveiligheid wel heeft betrokken bij de vergunningverlening. Verder heeft het college op zitting toegelicht dat de verkeersveiligheid tweemaal daags gemonitord wordt en dat de weg wordt schoongehouden. In zoverre twijfelt de voorzieningenrechter ook niet dat de vergunningvoorschriften niet zouden worden nageleefd.
10.3.
De voorzieningenrechter heeft daarnaast op voorhand geen reden om aan te nemen dat de opgenomen voorschriften ter bescherming van de verkeersveiligheid onvoldoende zijn. Uit de memo van 3 mei 2024 die is opgesteld door de verkeersdeskundige van de gemeente Nunspeet komt namelijk naar voren dat de betreffende toename in verkeersbewegingen geen nadelige gevolgen heeft voor de capaciteit van [locatie] en de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter acht dit voldoende begrijpelijk omdat het om een (relatief beperkte) toename van het aantal verkeersbewegingen gaat. Dit geldt zeker voor de periode tot eind mei, waarbij het gaat om vier transporten per uur (en dus acht extra verkeersbewegingen per uur) gedurende de werkweek, welke transporten tussen 7 uur ’s ochtends en 7 uur ’s avonds mogen plaatsvinden.
Conclusie
11. Omdat de bezwaren van verzoekers geen redelijke kans van slagen hebben, wijst de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
ABRvS 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:61.