Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-04-18
ECLI:NL:RBGEL:2024:2694
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
863 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rekestnummer: C/05/434226 / KG RK 24-304
Beschikking van 18 april 2024
in de zaak van
de stichting
STICHTING ZEKERHEDEN KAPITAAL OP MAAT,
statutair gevestigd te Delft en kantoorhoudende te Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigde M.W. Velthoven te Rotterdam
en
[belanghebbende]
,
tevens handelende onder de naam [handelsnaam] ,
wonende en kantoorhoudende te [handelsnaam] ,
belanghebbende.
Beoordeling
1.1.
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van verlof voor executie tot afgifte van roerende zaken waarop pandrecht rust, ex artikel 496 lid 2 Rv jo. artikel 3:237 lid 3 BW.
1.2.
Verzoekster heeft gesteld dat door haar en belanghebbende op 27 oktober 2021 een overeenkomst van geldlening is gesloten waarbij een pandrecht is overeengekomen. In de door verzoekster overgelegde onderhandse pandakte - die door verzoekster en belanghebbende in oktober 2021 is ondertekend en in januari 2022 is geregistreerd - is onder meer vermeld dat de in die akte bedoelde verpanding strekt tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de Pandgever (belanghebbende) aan de Stichting Zekerheden (verzoekster) nu of te eniger tijd verschuldigd is of zal zijn, uit welken hoofde ook. Belanghebbende heeft onder meer zijn huidige en toekomstige inventaris en voorraden aan verzoekster verpand.
1.3.
Verzoekster stelt dat belanghebbende in zijn verplichtingen jegens haar tekort schiet, door niet aan de termijnen voor afbetaling van de geldlening te voldoen. Volgens verzoekster verkeert belanghebbende in verzuim en is verzoekster als gevolg daarvan gerechtigd om het geheel van de geldlening op te eisen. Verzoekster stelt dat belanghebbende geen gehoor heeft gegeven aan de opeising en daarmee gegronde vrees voor verduistering van het verpande geeft. Verzoekster vordert op grond van artikel 496 lid 2 Rv jo 3:237 lid 3 BW dat de verpande roerende zaken in haar macht mogen worden gebracht dan wel dat executoriaal beslag tot afgifte mag worden gelegd. Daarbij doet verzoekster ook het verzoek om de in artikel 439 lid 1 Rv bedoelde termijn te verkorten tot nihil.
1.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de pandrechten zijn gevestigd, dat belanghebbende tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen tot zekerheid waarvan de pandrechten zijn gevestigd en dat hij in verzuim verkeert. Gelet op de door verzoekster gestelde vrees voor verduistering is verkorting van de in artikel 439 lid 1 Rv bedoelde termijn nodig. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen.
Dictum
De voorzieningenrechter
2.1.
verleent verlof aan verzoekster om de aan haar door belanghebbende verpande roerende zaken onder zich te doen nemen dan wel om executoriaal beslag tot afgifte van deze zaken te doen leggen,
2.2.
verkort de in artikel 439 lid 1 Rv bedoelde termijn tot nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2024.