Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-04-25
ECLI:NL:RBGEL:2024:2422
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,809 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2024:2422 text/xml public 2026-04-09T15:46:49 2024-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2024-04-25 AWB - 23 _ 710 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2422 text/html public 2026-04-09T15:45:52 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2024:2422 Rechtbank Gelderland , 25-04-2024 / AWB - 23 _ 710 Beroep tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een individuele vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en om een vergoeding van legeskosten en bijkomende kosten voor een aanvraag Gehandicaptenparkeerkaart op grond van de Wmo 2015 ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/710 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. R. Kaya), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college (gemachtigden: J. Hamam en mr. Djordjevic). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvragen om een individuele vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en om een vergoeding van legeskosten en bijkomende kosten voor een aanvraag Gehandicaptenparkeerkaart en parkeerplaats op grond van de Wmo 2015. 1.1. Het college heeft de aanvraag om een individuele vervoersvoorziening met het besluit van 30 december 2021 afgewezen. Met het besluit van 18 januari 2022 heeft het college de aanvraag om een vergoeding van legeskosten en bijkomende kosten voor een aanvraag Gehandicaptenparkeerkaart en parkeerplaats afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 januari 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij deze besluiten gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Totstandkoming van het besluit 2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is in het bezit van een auto en een, op grond van de Wmo 2015, in bruikleen verstrekte scootmobiel. Hij is bekend met lichamelijke en psychische klachten. Eiser beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart en een gehandicaptenparkeerplaats. Hij heeft het college verzocht om bijzondere bijstand voor de legeskosten en de bijkomende kosten voor de aanvragen daarvoor. Deze aanvraag is door het college afgewezen, omdat de Wmo 2015 voor aanvragen op de grond van de Participatiewet (Pw) als een toereikende voorliggende voorziening wordt beschouwd. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Op 29 juni 2021 heeft hij het college verzocht de legeskosten en de bijkomende kosten te vergoeden op grond van de Wmo 2015. Op 15 augustus 2021 heeft eiser aanvullend een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten die hij maakt voor het gebruik van zijn auto dan wel een leaseauto op grond van de Wmo 2015. Hij stelt daarbij dat hij, gezien zijn psychische problematiek, niet met het reguliere openbaarvervoer of het collectief vervoer (regiotaxi) kan reizen. Eiser zou dan bij onverwachte prikkels een herbeleving krijgen. 2.1. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft Argonaut op 1 november 2021 een medisch advies uitgebracht. Daarbij is gerapporteerd door een arts. Deze arts heeft eiser gesproken via beeldbellen op 27 oktober 2021, een oriënterend psychisch onderzoek verricht en dossierstudie verricht. Bij deze dossierstudie is een eerder medisch advies van Oreon en aanwezige medische informatie bekeken door de arts. Op basis van de onderzoeksbevindingen concludeert de arts dat er bij eiser, door duurzame ernstige psychiatrische en chronische lichamelijke problematiek, reële belemmeringen bestaan om gebruik te maken van het openbaar vervoer en het collectief vervoer. De arts antwoordt op de vraag welke gevolgen voor de verkeersveiligheid een herbeleving in de auto of de scootmobiel heeft, dat de beoordeling van de verkeersveiligheid voor het besturen van een auto aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) is. 2.2. Na ontvangst van het medisch advies van Argonaut heeft het college besloten dat een onderzoek door het CBR naar de rijvaardigheid van eiser noodzakelijk is. In de periode van 17 tot en met 30 december 2021 vindt er uitvoerig mailcontact plaats tussen medewerkers van het college en eiser. Daarin heeft eiser meerdere malen te kennen gegeven geen aanleiding te zien voor het laten verrichten van een onderzoek door het CBR naar zijn rijvaardigheid en daarom niet aan zo’n onderzoek mee te willen werken. Vervolgens is het college overgegaan tot de bestreden besluitvorming. 3. Het college heeft in de primaire besluiten aan de afwijzing van de aanvragen van eiser het volgende ten grondslag gelegd. 3.1. De aanvraag voor de individuele vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015 wordt afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat, gezien de beperkingen van eiser, met een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto de goedkoopste adequate, maar ook veilige voorziening op grond van de Wmo 2015 wordt geboden. De arts van Argonaut heeft geen uitspraak kunnen doen over de verkeersveiligheid met betrekking tot autorijden. Hij verwijst hiervoor naar het CBR. Omdat het rijden van een auto met hogere snelheid gaat en een auto bij een eventuele herbeleving niet eenvoudig aan de kant van de weg geparkeerd kan worden, zijn er twijfels of verkeersdeelname met een auto veilig mogelijk is. Daarnaast wordt in het medisch onderzoek vermeld dat verkeersgeluiden zogenoemde triggers zijn die tot herbeleving kunnen leiden. Uit het medisch advies blijkt dat eiser bekend is met psychische klachten en dat aan hem medicijnen zijn voorgeschreven die zijn opgenomen in de Regeling eisen geschiktheid 2000. Het college heeft met eiser besproken dat een aanvullend advies van het CBR noodzakelijk is, zodat duidelijk is dat de in het rapport van Argonaut genoemde beperkingen geen invloed hebben op zijn rijvaardigheid. Eiser heeft te kennen gegeven niet te willen meewerken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid door het CBR. Er kan daarom niet worden vastgesteld of de toekenning van een tegemoetkoming voor de autokosten of een andere gemotoriseerde vervoersvoorziening voor eiser de goedkoopste adequate, maar ook veilige, voorziening is. 3.2. Door het college is op 5 januari 2022 aan eiser meegedeeld dat de aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten voor gebruik eigen auto tevens de legeskosten omvat. Nu niet bepaald kan worden of de toekenning van een tegemoetkoming voor de autokosten of een andere gemotoriseerde vervoersvoorziening voor eiser de goedkoopste, maar ook veilige, voorziening is, kan niet worden vastgesteld of het op grond van de Wmo 2015 noodzakelijk is een tegemoetkoming toe te kennen voor de legeskosten en de bijkomende kosten voor een aanvraag gehandicaptenparkeerkaart. 3.3. Aan het bestreden besluit heeft het college, aanvullend, het volgende ten grondslag gelegd. Daarbij heeft het college zich mede gebaseerd op het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van 21 november 2022. De arts van Argonaut heeft voor een advies over de rijvaardigheid van eiseres verwezen naar het CBR. Op grond van de Regeling eisen geschiktheid 2000 dient bij bekendheid met in deze regeling genoemde problematiek en medicijnen die van invloed kunnen zijn op de rijvaardigheid zoals opgenomen in het besluit het CBR advies uit te brengen inzake de rijgeschiktheid. Eiser heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het onderzoek. Op grond van het gemeentelijk beleid wordt indien uit het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015, blijkt dat de toekenning van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Omdat eiser heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een advies inzake zijn rijvaardigheid kan het college niet vaststellen wat de goedkoopst adequate voorziening is.
Volledig
Volledigheidshalve wijst het college eiser op de verplichting bij bekendheid met beperkingen, uit eigen beweging het CBR hierover te informeren en over de medicijnen die hij gebruikt. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvragen van eiser om een individuele vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015 en voor een vergoeding van legeskosten en bijkomende kosten voor een aanvraag Gehandicaptenparkeerkaart en parkeerplaats op grond van de Wmo 2015. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waarom is het eiser het niet eens met het bestreden besluit? 6. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Hij heeft op enig moment een aanvraag gedaan voor een gehandicaptenparkeerkaart en een gehandicaptenparkeerplaats. Beide voorzieningen zijn toegewezen. Eiser heeft daarvoor leges en andere bijkomende kosten moeten betalen. De aanvraag is daarom een gepasseerd station. Eiser wenst de kosten daarvoor graag vergoed te krijgen gezien zijn (lage) inkomen en vermogen. Uit het medisch onderzoek van Argonaut is onomstotelijk vastgesteld dat eiser vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten niet met het openbaar vervoer of met het collectief vraagafhankelijk vervoer/regiotaxi kan reizen. Eiser wenst daarom met zijn eigen auto te blijven reizen. Dat doet hij sinds negen jaar schadevrij. Eiser wenst voor het reizen met zijn auto enkel de kosten vergoed te krijgen. Het betreft geen voorziening die aangevraagd wordt. Het college heeft eiser verwezen naar een onderzoek door het CBR. Volgens eiser interpreteert het college het onderzoeksrapport van Argonaut verkeerd. De arts geeft over de triggers aan dat vooral drukte (mensen), een ruimte delen met mensen, diverse verkeersgeluiden/menselijke geluiden maar ook lichten een trigger kunnen zijn. De diverse verkeersgeluiden en menselijke geluiden zien met name op momenten wanneer eiser buiten op straat loopt en het geluid erg op hem afkomt. De arts concludeert dat: “Omdat de auto voor belanghebbende een afgesloten, vertrouwde en veilige omgeving is waarbij hij niet (direct) in contact komt met andere mensen, ervaart hij nauwelijks herbelevingen in zijn auto.”. Op de vraag van het college welk gevolg een herbeleving heeft voor de verkeersveiligheid als bestuurder in de eigen auto of als bestuurder van de scootmobiel, antwoordt de arts dat die vraag ter beoordeling is aan het CBR. Dat betekent nog niet dat er een onveilige situatie is. Geconcludeerd kan worden, volgens eiser, dat hij veilig met zijn auto de weg op kan. Bovendien is hij, sinds hij zijn rijbewijs heeft behaald, nooit betrokken geweest bij een ongeluk of anderszins. Daarom stelt eiser zich op het standpunt dat het voorstel van het college niet terecht is. De arts van Argonaut geeft duidelijk aan dat de auto het best passend vervoersmiddel voor eiser is. Heeft het college de aanvragen terecht afgewezen? Juridisch kader 7. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt onder maatwerkvoorziening verstaan: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang. 7.1. In artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 is bepaald dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. 7.2. In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 7.3. Artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de cliënt verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. In de memorie van toelichting is onder meer het volgende vermeld over deze bepaling : “Het derde lid bevat een algemene medewerkingverplichting en ziet op alle denkbare vormen van medewerking. Het niet verlenen van specifiek verlangde medewerking kan voor het college aanleiding vormen een maatwerkvoorziening niet te verstrekken, in te trekken of op te schorten. Het gaat hier om medewerking verlenen bij het onderzoek en daarna.” 7.4. Het college heeft in de Beleidsregels Wmo gemeente Arnhem 2020 (hierna: de Beleidsregels) en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Arnhem 2019 (hierna: de Verordening) nadere regels gesteld voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. 7.4.1. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening bepaalt dat er geen recht bestaat op een maatwerkvoorziening of een pgb voor het inkopen van een dergelijke voorziening, indien deze als gevolg van de beperking van de inwoner voor zichzelf of voor derden onveilig is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of niet bevorderlijk is voor de gezondheid, of het functioneren van de inwoner. 7.5. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet het onderzoek er op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. 7.6.
Volledig
Uit vaste rechtspraak van de CRvB blijkt dat een maatwerkvoorziening, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015, ook kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming bijvoorbeeld, zoals hier aan de orde, een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto. De individuele vervoersvoorziening 8. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat door het college, mede op basis van het medisch advies van de arts van Argonaut van 1 november 2021, de hulpvraag van eiser (stap 1) en welke problemen door hem worden ondervonden bij zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2), voldoende in kaart zijn gebracht. Het geschil spitst zich toe tot de vraag of het college een onderzoek door het CBR naar de rijvaardigheid van eiser noodzakelijk heeft mogen achten voor het beoordelen van de aanvraag van eiser voor een vervoersvoorziening. Vervolgens is, als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, de vraag aan de orde of eiser verplicht is mee te werken aan een dergelijk onderzoek door het CBR. 9. Uit het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening volgt dat het college geen maatwerkvoorziening verstrekt, onder meer, wanneer deze voor zichzelf of derden onveilig is. 9.1. De arts van Argonaut stelt in zijn medisch advies vast dat zich in een prikkelrijke omgeving (mensen, (omgevings-)geluid en drukte) voor eiser triggers kunnen voordoen die tot psychische klachten kunnen leiden (herbelevingen en paniekaanvallen). Herbelevingen moeten zoveel mogelijk voorkomen worden, aldus de arts. Deze herbelevingen zijn niet te reguleren met medicatie. Verder tekent de arts op dat eiser, omdat de auto voor hem een afgesloten, vertrouwde en veilige omgeving is waarbij hij niet (direct) in contact komt met andere mensen, nauwelijks herbelevingen ervaart in zijn eigen auto. Tot slot wijst de arts erop dat de verkeersveiligheid voor het besturen van een auto ter beoordeling is aan het CBR. Naar zijn oordeel kan eiser bij een herbeleving terwijl hij op zijn scootmobiel zit, nog in die mate functioneren dat hij met de scootmobiel op een veilige plek stil kan staan. 9.2. Uit 9.1 leidt de rechtbank af dat het niet uit te sluiten valt dat eiser tijdens het besturen van zijn eigen auto een herbeleving krijgt. Zo’n herbeleving kan, naar het oordeel van de rechtbank, leiden tot een onveilige situatie voor eiser zelf of voor derden (bijvoorbeeld medeweggebruikers). Omdat het CBR de instantie is die onderzoeken verricht naar de rijvaardigheid van bestuurders van een auto mede met het oog op de verkeersveiligheid, heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de in 7.5 genoemde vaste rechtspraak, een onderzoek naar de rijvaardigheid door het CBR nodig mogen achten voor het beoordelen van de aanvraag van eiser. 10. Zoals hierboven, onder 7.3, is vastgesteld is eiser, op grond van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 verplicht om mee te werken aan het onderzoek dat redelijkerwijs nodig is voor het beoordelen van zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Wanneer eiser deze medewerking niet verleent kan het college zijn aanvraag afwijzen. 10.1. In 9.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college een onderzoek door het CBR naar de rijvaardigheid van eiser nodig heeft mogen achten voor het kunnen beoordelen van de aanvraag van eiser. Eiser was dan ook gehouden om zijn medewerking aan dit onderzoek te verlenen. Nu hij, zonder redelijke grond, zijn medewerking aan dit onderzoek heeft geweigerd, was het voor het college niet mogelijk om te kunnen beoordelen of het verstrekken van de gevraagde maatwerkvoorziening voor eiser zelf of derden onveilig zou kunnen zijn. Daarom heeft het college de aanvraag van eiser voor de maatwerkvoorziening, in de vorm van een individuele vervoersvoorziening, terecht afgewezen. De legeskosten en bijkomende kosten voor een aanvraag Gehandicaptenparkeerkaart en parkeerplaats 11. De rechtbank is van oordeel dat de Wmo 2015 geen grondslag biedt voor het vergoeden van de legeskosten en de bijkomende kosten die eiser heeft gemaakt voor het aanvragen van de gehandicaptenparkeerkaart en gehandicaptenparkeerplaats. Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is. 11.1. Bij het vergoeden van voornoemde kosten gaat het om het compenseren van een financieel probleem van eiser, namelijk een gebrek aan geld om deze kosten te kunnen dragen. De rechtbank is van oordeel dat de Wmo 2015 niet bedoeld is voor het compenseren van dergelijke financiële problematiek. De Wmo 2015 is, zoals ook kan worden afgeleid uit de hiervoor geschetste juridische kader, (uitsluitend) gericht op het verlenen van ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie van een ingezetene in de situatie dat die ingezetene niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie of met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen die hij ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie niet kan verminderen of wegnemen. Daaronder valt niet te scharen een situatie waarin een ingezetene ten gevolge van een te laag inkomen of een te gering vermogen kosten zoals die waarop eisers aanvraag ziet, niet zelf kan dragen, ook niet als die kosten zijn te relateren aan zelfredzaamheid en participatie. Het college heeft de aanvraag van eiser daarom terecht afgewezen. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 155. Bijvoorbeeld dat uitspraken van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819) en van 19 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:137). Bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396. Zie ook de uitspraak van de CRvB van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:244. Zie over de medewerkingsplicht ook de uitspraak van de CRvB van 14 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1739.