Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-04-17
ECLI:NL:RBGEL:2024:2169
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/430407 / HA ZA 24-20 / 771
Vonnis in het incident van 17 april 2024
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
en
2. [eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto te Amstelveen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
gevestigd te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. J.W.H. Rouers te Utrecht.
Eisende partijen worden hierna gezamenlijk aangeduid als [eisers] en elk afzonderlijk als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Gedaagde partijen worden hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden] en elk afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 januari 2024, - de conclusie van antwoord, tevens houdende bevoegdheidsincident,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
Beoordeling
2.1.
[eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op 21 juni 2022 een investeringsovereenkomst (hierna: investeringsovereenkomst) gesloten, op grond waarvan [eiser sub 1] een bedrag ad € 100.000,00 aan [gedaagde sub 2] ter beschikking heeft gesteld om te investeren. [gedaagde sub 1] is – middels [bedrijf 1] – enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 2] .
2.2.
Artikel 13 van de tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] gesloten investeringsovereenkomst luidt als volgt, waarbij [gedaagde sub 2] wordt aangeduid als ‘Party A’:
13. Disputes and Arbitration
(…)
This Agreement shall be subjected to the laws of the European Community and that of the Jurisdictions of the Kingdom of The Netherlands as per Party A’s discretion.
(…)
All disputes arising from the terms of this Agreement shall then resolved by the rules of the European community.
Arbitration to be conducted and implemented according to ICC Publication 838.
Each Party shall appoint one arbitrator and both arbitrators shall choose a third one. The arbitration proceeding shall be conducted in the English language. Costs shall be borne by each side with the prevailing party recovering all its costs including attorneys’ fees.
Any arbitral award shall be binding on both parties and enforceable in accordance with the rules of the New York Convention of 1958 on the Recognition and Enforcement of foreign arbitral awards. A judgment upon the award rendered may be submitted to any court of competent jurisdiction for enforcement purposes.
After the tribunal has rendered a verdict, this contract can be terminated and the prevailing party compensated for costs and damages. Provisions, as set forth in this Agreement apply in the case of termination of contract.
2.3.
In de hoofdzaak vordert [eisers] nakoming van de (terug)betalingsverplichting van [gedaagden] op grond van de investeringsovereenkomst, dan wel op grond van de op 11 december 2023 tussen [gedaagde sub 1] en [eisers] gesloten overeenkomst schuldbekentenis.
2.4.
[gedaagden] heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen, waarop eerst dient te worden beslist. [gedaagden] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gedaagden] heeft allereerst gewezen op het in artikel 13 van de tussen [gedaagde sub 2] en [eiser sub 1] gesloten investeringsovereenkomst opgenomen arbitragebeding. Daaruit volgt volgens [gedaagden] dat de International Chamber of Commerce bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat – gelet op het bepaalde in artikel 1022 Rv – de rechtbank Gelderland niet bevoegd is. Ook op basis van de andere overeenkomsten tussen partijen is de rechtbank Gelderland volgens [gedaagden] niet bevoegd, nu in de vaststellingsovereenkomst tussen partijen een forumkeuze voor de rechtbank Midden-Nederland is opgenomen.
2.5.
[eisers] betwist de stelling van [gedaagde sub 2] dat de rechtbank Gelderland onbevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Zij heeft erop gewezen dat het in het arbitragebeding genoemde ICC internationale handelsgeschillen beslecht, waarvan hier geen sprake is. Zowel [gedaagde sub 2] als [eisers] is in Nederland gevestigd c.q. woonachtig. [eisers] heeft er verder op gewezen dat zij conservatoir beslag heeft gelegd op de woning van [gedaagde sub 1] in [woonplaats] , welke woning is gelegen binnen het arrondissement van de rechtbank Gelderland. [eisers] heeft ook aangevoerd dat de tekst van het betreffende arbitragebeding te vaag is en dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met (onder meer) ‘ICC Publication 838’. [eisers] heeft subsidiair – ‘los van het bovenstaande’ – een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het (arbitrage)beding in artikel 13 van de investeringsovereenkomst. Volgens [eisers] gaat het om een beding dat moet worden aangeduid als een algemene voorwaarde. Volgens [eisers] betreft het een onredelijk bezwarend beding, zoals bedoeld in artikel 6:236, aanhef en onder n BW.
2.6.
De rechtbank begrijpt het verweer van [eisers] ten aanzien van het bevoegdheidsincident aldus dat zij primair stelt dat er geen rechtsgeldig arbitragebeding is overeengekomen en subsidiair dat het arbitragebeding vernietigbaar is.
De investeringsovereenkomst
2.7.
Uit artikel 1020 jo. 1022 Rv (voor arbitrage binnen Nederland) en artikel 1074 Rv (voor arbitrage buiten Nederland) vloeit voort dat partijen kunnen overeenkomen om geschillen aan arbitrage onderwerpen. Wordt een dergelijk geschil toch bij de rechter aanhangig gemaakt, dan verklaart deze zich onbevoegd, tenzij de overeenkomst ongeldig is. De geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage moet worden beoordeeld volgens het daarop toepasselijke recht. Op grond van artikel 10:166 BW is een overeenkomst tot arbitrage materieel geldig als zij geldig is naar het recht dat partijen hebben gekozen of naar het recht van de plaats van arbitrage of, indien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, naar het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst betrekking heeft. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de vraag welk recht van toepassing is, terwijl uit artikel 13 van de investeringsovereenkomst volgt dat de overeenkomst wordt beheerst door ‘the laws of the European Community and that of the Jurisdictions of the Kingdom of The Netherlands as per Party A’s discretion’. Voor zover hieruit al niet een keuze voor Nederlands recht kan worden afgeleid, geldt dat beide partijen in Nederland woonachtig c.q. gevestigd zijn. In artikel 13 is geen plaats van arbitrage bepaald, zodat daaraan geen andersluidend aanknopingspunt kan worden gevonden voor de bepaling van het toepasselijke (formele) recht. De conclusie is dat Nederlands recht van toepassing is op de vraag of het onderhavige arbitragebeding geldig is.
2.8.
Naar Nederlands recht dient de vraag naar de geldigheid van het arbitragebeding te worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer en de regels betreffende de totstandkoming van overeenkomsten. Daarbij is van belang dat een arbitrageovereenkomst afstand van toegang tot het bij wet ingestelde gerecht impliceert als bedoeld in artikel 6 EVRM. Volgens vaste rechtspraak moet die afstand vrijwillig en ondubbelzinnig geschieden. Alleen ondubbelzinnige aanknopingspunten voor een afstand tot de overheidsrechter zijn voldoende voor het oordeel dat de wederpartij die afstand mocht begrijpen en verwachten (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:154, onder 3.4).
2.9.
Toepassing van deze maatstaf leidt ertoe dat [eisers] door het sluiten van de investeringsovereenkomst met [gedaagde sub 2] niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht op behandeling door een gewone rechter. Naar het oordeel van de rechtbank had [eiser sub 1] op grond van de in artikel 13 genoemde tekst niet hoeven te begrijpen dat zij door het ondertekenen van de investeringsovereenkomst afstand deed van haar recht om een geschil uit die overeenkomst voor te leggen aan de gewone rechter. Daartoe is het volgende van belang.
2.10.
Artikel 13 sub e luidt als volgt ‘Arbitration to be conducted and implemented according to ICC Publication 838’.
Conclusie
2.16.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank Gelderland bevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. De incidentele vordering van [gedaagden] wordt dan ook afgewezen.
2.17.
[gedaagden] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, waarbij één punt wordt toegekend op basis van tarief IV
(€ 1.214,00).
Beoordeling
3.1.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.2.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
3.3.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
3.4.
Tijdens of na de mondelinge behandeling kan de rechtbank direct mondeling uitspraak doen.
3.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.214,00,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. I.W.M. Olthof, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
4.5.
bepaalt dat de naam van de rechter nog niet definitief is en dat de zaak nog aan een andere rechter kan worden toegedeeld omdat de uiteindelijke toedeling vlak voor de zitting plaatsvindt,
4.6.
bepaalt dat als een andere rechter de zaak op zitting zal behandelen partijen uiterlijk twee werkdagen voor de zitting daarvan bericht krijgen,
4.7.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
4.8.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 mei 2024 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met november 2024, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.9.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.10.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.11.
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling twee uur zal worden uitgetrokken,
4.12.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024.