Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-04-09
ECLI:NL:RBGEL:2024:2023
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,946 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/424575 / FA RK 23-2805
Datum uitspraak: 9 april 2024
beschikking zorgregeling en kinderalimentatie
in de zaak van
[naam moeder] (hierna: de moeder),
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. R.M. Bissumbhar te Barneveld,
tegen
[naam vader]
(hierna: de vader),
wonende te [plaats] ,
advocaat jhr. mr. M.L.E. Storm van 's Gravesande te Ede.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder, ingekomen bij de griffie op
31 augustus 2023;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vader, ingekomen bij de griffie op 20 november 2023;
- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 22 december 2023;
- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 3 maart 2024;
- de brief, met bijlage, van de advocaat van de moeder van 6 maart 2024;
- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vader van 8 maart 2024.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 12 maart 2024 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. R.M. Bissumbhar;
- de vader, bijgestaan door jhr. mr. M.L.E. Storm van 's Gravesande;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
Na de mondelinge behandeling zijn – op verzoek van de rechtbank – de volgende stukken ingekomen:
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 22 maart 2024;
het F8-formulier van de advocaat van de vader van 22 maart 2024;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 26 maart 2024.
Feiten
2.1.
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren de minderjarige kinderen:
[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;
[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
2.2.
Tot het gezin van partijen behoorde ook het uit een eerdere relatie van de moeder geboren minderjarige kind:
- [naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 3] . Alle drie de kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 april 2020 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op 13 mei 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] .
2.5.
In voornoemde beschikking is bepaald dat het door de ouders op 30 maart 2020 getekende ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. Ook is bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2020 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betaalt van € 105 per kind per maand. In artikel 3.1 van het ouderschapsplan staat dat de kinderen de weekenden in de oneven weken bij de vader zullen verblijven van zaterdagmiddag 16:00 uur tot zondagavond 19:00 uur en iedere week op een doordeweekse dag.
3Het verzoek
De moeder verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. het in de beschikking van 6 april 2020 bepaalde in rechtsoverweging 4.2 en in het ouderschapsplan d.d. 30 maart 2020 bepaalde in artikel 7.2 te wijzigen in die zin dat vader primair met ingang van 1 januari 2021, subsidiair met ingang van 3 november 2022 en meer subsidiair met ingang van de indiening van het verzoekschrift, een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] ten bedrage van
€ 183 per maand, [minderjarige 2] ten bedrage van € 183 per maand, en [minderjarige 3] ten bedrage van € 219 per maand verschuldigd zal zijn, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage zoals de rechtbank in goede justitie zou vernemen te behoren;
b. te bepalen dat de vader binnen 14 dagen na afgifte van de beschikking aan de moeder dient te voldoen een bedrag van € 10.124,41, althans een zodanige bijdrage in de bijzondere kosten van [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren ter uitvoering van het ouderschapsplan;
c. het in de beschikking van 6 april 2020 bepaalde in rechtsoverweging 4.2 en in het ouderschapsplan d.d. 30 maart 2020 bepaalde in artikel 3.1 en 3.2 te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven in de even weken van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur. Op de vrijdag haalt de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op bij de moeder en op de zondag haalt de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op bij de vader;
d. kosten rechtens.
4Het verweer
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder. Hij verzoekt de rechtbank:
een kinderbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vast stellen in overeenstemming met de feiten en omstandigheden, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;
het verzoek van de moeder over de zorgregeling toe te wijzen, met als aanvulling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarnaast ook een deel van alle vakanties en feestdagen bij de vader zullen zijn, inhoudende dat de kinderen:
- met de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de vader zullen zijn en de tweede week bij de moeder, waarbij de kinderen op een van de Kerstdagen bij de andere ouder kunnen zijn, en in de oneven jaren andersom;
- met de zomervakantie drie aaneengesloten weken bij de ene ouder zijn en vervolgens drie aaneengesloten weken bij de andere ouder, in overleg te bepalen;
- in de vakanties die een week duren een extra dag bij de vader zullen zijn en wel aansluitend op het weekend dat de kinderen al bij de vader zijn;
- met Vaderdag bij de vader en met Moederdag bij de moeder;
- zoveel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om bij familieaangelegenheden, zoals verjaardagen van grootouders, ooms en tantes, neefjes en nichtjes en jubilea, aanwezig te kunnen zijn, waarbij de ouders elkaar uiterlijk een maand van te voren informeren;
3. te bepalen dat de moeder hem minimaal eenmaal per maand informeert per e-mail bericht over de algemene ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en eventuele medische problemen en hun sociale gedrag en de vader onmiddellijk informeert indien daartoe op medisch gebied noodzaak is.
5Het standpunt van de Raad
De Raad heeft de rechtbank niet concreet kunnen adviseren over de zorgregeling omdat niet duidelijk is wat de inmiddels ingezette hulpverlening doet en of de hulpverlening zicht heeft op de kinderen. Als de hulpverlening in het vrijwillig kader loopt dan ziet de Raad geen aanleiding om een onderzoek te doen. De Raad wijst de ouders erop dat zij elkaar moeten informeren over de kinderen.
Beoordeling
Zorgregeling en informatieregeling
6.1.
Vaststaat dat de vader sinds eind oktober 2021 geen omgang meer heeft met [minderjarige 3] .
6.2.
De moeder heeft toegelicht dat de kinderen niet graag naar hun vader gaan en vaak onrustig terugkomen van een omgangsweekend. De kinderen hebben moeite met de nieuwe vriendin van de vader en zij willen graag één op één omgang met hun vader. Het lukt de ouders niet om dit met elkaar te bespreken. Voor beide kinderen zijn er therapieën ingezet. Zij hebben verschillende diagnoses en daar moeten de ouders rekening mee houden. Er zijn al meerdere instanties ingezet om de huidige situatie te veranderen maar dat is niet gelukt. [minderjarige 1] heeft het traject Op Stap gevolgd en nu heeft zij een buddygezin. [minderjarige 2] heeft het traject Rots en Water gevolgd. Jeugdconsulent [naam] van het Sociaal Team is er voor de ouders. En een ambulant begeleider van ’s-Heerenloo praat met de kinderen. De moeder wil graag dat de kinderen met plezier een heel weekend naar hun vader gaan maar zij weet niet meer wat zij kan doen om dat te bereiken. Een tijdje zijn de kinderen van vrijdag 18:30 tot zondag 18:30 uur naar de vader geweest maar inmiddels gaan de kinderen weer van zaterdagmiddag 16:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, zoals in het ouderschapsplan is vastgelegd. Deze regeling verloopt rustig. De moeder wil die regeling handhaven en heeft haar verzoek om wijziging van de zorgregeling ingetrokken. De ouders zijn begonnen met parallel solo ouderschap.
6.3.
De vader begrijpt niet waarom de moeder eenzijdig de zorgregeling weer heeft gewijzigd naar een half weekend. Hij kan nu niet de vader zijn voor zijn kinderen die hij graag wil zijn. Met de hulp van de gemeente, [naam] , is de vader heel tevreden. Zij zet zich 100% in voor het belang van de kinderen. Volgens de vader wordt hij niet geïnformeerd door de moeder over de kinderen. Zo is hij niet op de hoogte van de hulpverlening die er voor de kinderen is ingezet. De vader begrijpt niet waarom de kinderen onrustig terugkomen bij de moeder. Hij krijgt hele andere signalen van ze. De moeder moet de kinderen stimuleren in het contact met de vader. Het belang van de kinderen is niet gediend met inkorting van de zorgregeling.
6.4.
Omdat de rechtbank niet beschikt over informatie van de ingezette hulpverlening, is de rechtbank op dit moment niet in staat om te beoordelen welke zorgregeling in het belang van de kinderen is. Gelet hierop heeft de rechtbank beide ouders verzocht om, via hun advocaten, binnen twee weken na de mondelinge behandeling informatie van de ingezette hulpverlening over te leggen waaruit blijkt waar zij aan werken, wat het doel is en wat de stand van zaken is. Ook moeten de advocaten hun verhinderdata overleggen zodat de rechtbank een voortgezette mondelinge behandeling kan plannen.
6.5.
Bij brief van 22 maart 2024 heeft de advocaat van de vader de hulpverleningsgeschiedenis van beide kinderen overgelegd.
6.6.
Bij brief van 26 maart 2024 heeft de advocaat van de moeder de rechtbank bericht dat, met uitzondering van de jeugdconsulent [naam] , de overige instanties in verband met de privacy van de kinderen geen nadere inhoudelijke informatie verstrekken. Het traject Parallel Solo Ouderschap is ingezet. Een verslag van Auris Zorg ten behoeve van [minderjarige 1] is overgelegd. Hieruit blijken ernstige zorgen volgens de moeder.
Op grond van artikel 1:255 lid 2 BW verzoekt de moeder de rechtbank de kinderen onder toezicht te stellen van een GI voor de duur van 1 jaar, althans de Raad de opdracht te geven onderzoek te doen naar een kinderbeschermingsmaatregel.
6.7.
Nu de rechtbank over iets meer informatie beschikt wat de hulpverlening voor de kinderen betreft en gelet op het aanvullende verzoek van de moeder om de kinderen onder toezicht te stellen, zal de rechtbank de verzoeken over de zorgregeling, de informatieregeling en de ondertoezichtstelling aanhouden tot de hierna te melden mondelinge behandeling. De moeder moet voor deze mondelinge behandeling, op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, stukken van de ingezette hulpverlening overleggen waaruit blijkt waar zij aan werken, wat het doel is en wat de stand van zaken is. Omdat de kinderen onder de 12 jaar zijn, moet de hulpverlening deze stukken afgeven aan de moeder. Voor de tussentijd wijst de rechtbank de ouders erop dat het belangrijk is dat beide ouders over dezelfde informatie over de kinderen beschikken.
Kinderalimentatie
Conclusie
6.8.
De rechtbank beslist dat de vader vanaf 31 augustus 2023 een kinderalimentatie van € 132 per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder moet betalen. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de moeder afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
reden voor de wijziging
6.9.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als partijen deze eerder hebben afgesproken ‘met grove miskenning van de wettelijke maatstaven’. Dat wil zeggen dat partijen een heel ander bedrag aan kinderalimentatie hebben afgesproken dan het bedrag dat de rechter zou hebben vastgesteld als die van dezelfde gegevens was uitgegaan. Dat van deze situatie sprake is, heeft de moeder onvoldoende onderbouwd. Dat de vader niet volledig voorziet in de behoefte van de kinderen is hiervoor onvoldoende.
6.10.
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Dat is hier het geval, want niet betwist is dat de vader sinds 1 januari 2021 meer verdient door een functiewijziging.
ingangsdatum
6.11.
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
6.12.
Hier hanteert de rechtbank 31 augustus 2023 (de datum van indiening van het verzoekschrift) als ingangsdatum, omdat de vader vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie.
behoefte
6.13.
In het door de ouders op 30 maart 2020 getekende ouderschapsplan is overeengekomen dat de behoefte van de drie kinderen samen € 664 per maand bedraagt. Na verhoging met de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte in 2023 € 721 per maand, ofwel € 240 per kind per maand.
6.14.
De ouders twisten over de vraag of de vader onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] . In het ouderschapsplan staat het volgende:
‘De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige 3] . De man zal op korte termijn overgaan op de erkenning van [minderjarige 3] , waardoor partijen hebben besloten dit ouderschapsplan onverkort voor [minderjarige 3] te laten gelden.’
Vaststaat dat de vader niet de verwekker is van [minderjarige 3] en dat hij haar ook niet heeft erkend. Gelet hierop is de vader op grond van de wet niet onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] . Op het moment van ondertekenen van het ouderschapsplan was het de bedoeling dat de vader [minderjarige 3] alsnog zou erkennen maar daar is inmiddels geen sprake meer van.
De rechtbank zal daarom geen door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 3] vaststellen maar alleen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
draagkracht ouders
6.15.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
6.16.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit in 2023: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1175)].
draagkracht moeder
6.17.
Vaststaat dat de moeder een uitkering op basis van de Participatiewet (bijstandsuitkering) ontvangt. De Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak neemt geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.
Dat de moeder, ondanks dat zij een bijstandsuitkering ontvangt, een verdiencapaciteit heeft, heeft de vader onvoldoende onderbouwd. Met een verdiencapaciteit wordt daarom geen rekening gehouden.
draagkracht vader
6.18.
Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overlegde loonstrook over januari 2024, waarin een inkomen van € 3.646 bruto per maand staat genoemd. Rekening zal worden gehouden met een belaste bijdrage in de ziektekosten van
€ 50 per maand, een gemiddeld bedrag uit overwerk van € 300 per maand en 8% vakantiegeld. Het NBI van de vader is dan € 3.040 per maand.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vader een draagkracht van € 667 per maand.
6.19.
De ouders twisten over de vraag of rekening moet worden gehouden met de aflossing die de vader doet op een doorlopend krediet.
Volgens de vader bestond dit krediet al ten tijde van het huwelijk en zijn hiervan onder meer meubels gekocht en de kosten van de advocaat van partijen (€ 2.789,67) betaald. Partijen moesten deze kosten volgens het echtscheidingsconvenant bij helfte dragen. De schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bedraagt nu nog € 2.312,12.
De moeder betwist dat het krediet al tijdens het huwelijk bestond en dat hiermee onder andere de kosten van de advocaat van partijen zijn betaald. Daarbij komt dat het krediet inmiddels afgelost zou moeten kunnen zijn, aldus de moeder.
6.20.
Uit de overgelegde afschriften blijkt dat de vader maandelijks € 150 aflost op een doorlopend krediet. Niet gebleken is dat deze schuld vermijdbaar en verwijtbaar is. Daarom zal rekening worden gehouden met deze aflossing. Dit betekent dat de vader een draagkracht heeft van € 562 per maand (70% [3.040 – (3.040 X 0,3 + 1175 + 150)]).
verdeling kosten
6.21.
Omdat de moeder geen draagkracht heeft, moet de vader in beginsel zijn volledige draagkracht gebruiken om in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Vaststaat echter dat de behoefte van de kinderen (€ 480) lager is dan de draagkracht van de vader (€ 562). De vader is daardoor gehouden maximaal € 480 te voldoen. Daarnaast staat vast dat de vader sinds maart 2023 een verhaalsbijdrage betaalt aan de gemeente van € 143 per maand. Dit betekent dat de vader maximaal gehouden is € 337 te voldoen (480 – 143).
Dictum
De rechtbank:
7.1.
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan van 30 maart 2020 en de beschikking van 6 april 2020 van deze rechtbank, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 31 augustus 2023 € 132 per kind per maand bedraagt en vanaf 1 januari 2024 € 140 per kind per maand;
7.2.
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt de verzoeken over de zorgregeling, de informatieregeling en de ondertoezichtstelling aan tot de mondelinge behandeling van 13 juni 2024;
7.5.
verzoekt de advocaat van de moeder om uiterlijk twee weken voor de mondelinge behandeling, op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, stukken van de ingezette hulpverlening waaruit blijkt waar zij aan werken, wat het doel is en wat de stand van zaken is te over leggen aan de rechtbank, de Raad en de advocaat van de vader;
7.6.
roept de ouders met hun advocaten en de Raad op om tijdens mondelinge behandeling van donderdag 13 juni 2024 om 10:15 uur te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank, gelegen aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem;
7.7.
wijst het meer of anders verzochte af voor zover de behandeling daarvan niet is aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. E.L. de Jongh, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. van Kamperdijk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Artikel 1:401, lid 5 BW.
Artikel 1:401, lid 1 BW.
Artikel 1:402 BW.
Artikel 1:397, lid 2 BW.
Bijlage: NBI en draagkracht van de vader.