Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-02-23
ECLI:NL:RBGEL:2024:1923
Civiel recht
Tussenuitspraak
4,153 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 10390336 \ CV EXPL 23-776
Vonnis van 23 februari 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. K.T.E. Huisman,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Djamal.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 april 2023
- de mondelinge behandeling van 25 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Op 17 oktober 2018 sluiten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) een huurovereenkomst, waarbij [betrokkene 2] [betrokkene 1] de bedrijfsruimte aan de [straatnaam] en de [adres+plaats] (hierna: het gehuurde) huurt. Van de huurovereenkomst maken deel uit de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte art. 7:290 BW, ingeschreven onder nummer 67/2008 (hierna: AV). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gaan de huurovereenkomst aan voor een periode van 5 jaar, met ingang van 1 november 2018. Na het verstrijken van deze periode wordt de overeenkomst op basis van artikel 3.2 van de huurovereenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar. Artikel 4.1 van de huurovereenkomst vermeldt een huurprijs vanaf 1 november 2018 van € 1.500,00 per maand exclusief 21% btw. [betrokkene 2] exploiteerde in het gehuurde [bedrijf 2] , een Italiaans afhaal- en bezorgcentrum (hierna: [bedrijf 2] ).
2.2.
Op 22 januari 2020 richten [betrokkene 2] en [eiser] samen de onderneming [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) op. [bedrijf 1] wordt gevestigd op het adres [straatnaam] Op de ingangsdatum treden zowel [gedaagde] als [betrokkene 2] in functie als algemeen directeur van [bedrijf 1] . [betrokkene 2] treedt op 11 januari 2021 uit functie. Vanaf die datum is [eiser] enig bestuurder van [bedrijf 1] .
2.3.
[eiser] sluit op 25 maart 2022 een koopovereenkomst met [betrokkene 1] , waarbij hij de onroerende zaak aan de [adres+plaats] en [adres+plaats] [betrokkene 1] koopt. De onroerende zaak wordt op 26 juli 2022 aan [eiser] geleverd.
2.4.
In een door [betrokkene 1] en [eiser] in juli 2022 opgemaakte akte van cessie, waarin [betrokkene 1] een vordering van € 27.951,00 overdraagt aan [eiser] , is onder meer bepaald dat:
“Cedent in eigendom heeft de onroerende zaak (…) [adres+plaats] en [adres+plaats]
(…)
Cedent diverse vorderingen heeft op diverse huurders die (een deel van) de onroerende zaak huren
(…)
Naam debiteur
[betrokkene 2] / [gedaagde]
(…)
Conform afspraak is de Heer [gedaagde] ook prive aansprakelijk”
2.5.
Op 2 februari 2021 vindt het volgende WhatsApp-gesprek plaats tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] :
( [gedaagde] ) ( [betrokkene 1] )
“ [betrokkene 1] vergeet je niet aan [betrokkene 3] te vragen of ze het al heeft
geregeld
Bedankt
Alvast
(afbeelding weggelaten)
16796’76
Klopt die bedrag wel
Ja alle achterstanden
Wat ik heb open staan is
(afbeelding weggelaten)
Is december januari en februari
En borg die ik voor 23
Moet betalen
Die andere schulden zijn [betrokkene 2]
Neem ik aan
Ja maar daar moeten we overleggen
Ik heb ook een nieuwe huurcontract van jouw gekregen
Volgens mij weet [betrokkene 3] dat ook niet
Want ze stuurt al die facturen telkens op naam van [betrokkene 2]
Jij snapt iets niet jij bent toch compagnon of niet
Jij staat privé toch borg ik verhuur aan jou privé dat weet je heel goed (afbeelding van duim omhoog)
Nee het bedrijf huurt het van jouw
Ik ben privé aansprakelijk
Zo zit het kan
[betrokkene 1]
Komt op het zelfde neer
Is puur voor je zelf bescherming hebben we dat zo afgesproken
Niet dat ik het bedrijf laat klappen en jouw met rest schuld
achter laat
Klopt jij wilde die compagnon van [betrokkene 2] en alles zou elke maand langzaam terug betaald worden anders had ik allang [betrokkene 2] aangepakt en beslag laten leggen snap je maar praten we nog over. Groetjes
Doen we [betrokkene 1] even de lucht klaren tussen ons
Jij weet zelf ook ik ben geen [betrokkene 2]
En ik sta ten alle tijden achter mijn woord
Van mij krijg je alles tot de laatste cent
(afbeelding van 3 duimen omhoog)
Maar [betrokkene 2] moet ook zijn verantwoording nemen
En zijn oude schulden aan jouw betalen
[betrokkene 1] laat mijn even weten wanneer we elkaar kunnen zien want
dit wil ik graag goed met jouw uitspreken en afhandelen dit is
geen fijn gevoel voor ons beide niet!”
2.6.
Vanaf maart 2021 wordt er geen huur meer betaald aan [eiser] voor het gehuurde.
2.7.
Op 18 augustus 2022 stuurt mr. E. Yilmaz (hierna: Yilmaz), de toenmalige gemachtigde van [eiser] , in een e-mail onder meer het volgende aan [betrokkene 1] :
“Naar aanleiding van mijn e-mail d.d. 16 augustus 2022 heeft u zojuist telefonisch contact opgenomen om de situatie toe te lichten. Ik had u namelijk gemaild in verband met de overdracht van de huurvorderingen die u had op [bedrijf 2] , [betrokkene 2] en [gedaagde] . Ik moet kunnen onderbouwen dat er een huurrelatie is geweest en dat u recht heeft op betaling van huur door de heer [gedaagde] .
Overeengekomen is dat ik u een weergave stuur van de feiten en omstandigheden voorafgaand aan de verkoop van het pand gelegen aan het adres [adres+plaats] .
(…)
Het bedrijfspand gelegen aan de [adres+plaats] werd verhuurd aan de heer [betrokkene 2] handelend onder de naam [bedrijf 2] . [betrokkene 2] heeft op enig moment de heer [gedaagde] als vennoot voorgesteld voor de onderneming die hij runde op het voornoemd adres. In verband met interne aangelegenheden maakte de heer [betrokkene 2] niet meer deel uit van de onderneming en heeft hij zich op enig moment uitgeschreven uit de KvK. In plaats van [betrokkene 2] is de huurovereenkomst voortgezet met de heer [gedaagde] . U geeft aan dat er geen indeplaatsstelling is geweest.
(…)
U geeft aan dat de heer [gedaagde] prive aansprakelijk is voor deze huurvorderingen, omdat u ook met de heer [betrokkene 2] de overeenkomst in persoon bent aangegaan. (…)”
2.8.
Op 19 augustus 2022 stuurt [betrokkene 1] in reactie aan Yilmaz:
“(…) Wel is sprake geweest van een schrijven van de raadsman van de Heer [gedaagde] waar een handtekening op gezet is maar dit betreft een stuk onder de strikte voorwaarden dat de vernoemde
Vergunningen bij de gemeente Nijmegen “lees overheidseisen” verleend zouden worden aangezien de gemeente dit stuk nodig heeft voor de aanvraag van vergunningen.
Voor de rest is dit schrijven accoord met inachtneming van bovenstaande.”
2.9.
Op 24 augustus 2022 stuurt Yilmaz de volgende e-mail aan [gedaagde] :
“Naar aanleiding van ons gesprek van gisteren bevestig ik nog het een en ander.
Gisteren heeft u aangegeven dat u over schriftelijke stukken beschikt waaruit zou blijken dat uw onderneming een huurovereenkomst heeft met de heer [betrokkene 1] . Ik heb u gisteren verzocht om de huurovereenkomst te laten zien en de betalingen die u heeft verricht aan de heer [betrokkene 1] . Ik had u ook al telefonisch verzocht om alle schriftelijke stukken mee te nemen om alle stukken met elkaar te vergelijken om tot een oplossing te kunnen komen. In ieder geval stel ik vast dat de huurovereenkomst die u heeft (anders dan die van de heer [betrokkene 1] met de heer [betrokkene 2] ) niet is vertrekt gisteren en de betalingen ook niet zijn overgelegd.
Ik heb u uitgelegd dat er een akte van cessie is voor de huurvorderingen en dat de heer [eiser] als nieuwe eigenaar recht heeft op betalingen van de huurpenningen.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:
I. Tot tijdige betaling van de huur van € 1.694,00 inclusief btw per maand aan [eiser] , vanaf 1 februari 2023 totdat de huurovereenkomst is beëindigd, op straffe van een aan [eiser] te betalen dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat er te laat wordt betaald;
II. Tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 38.115,00 ter zake huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
III. Tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.156,15 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. Tot betaling van de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] kort gezegd dat [gedaagde] de oorspronkelijk tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesloten huurovereenkomst heeft voortgezet en dat [gedaagde] daarom de huurpenningen en de huurachterstand aan [eiser] moet betalen.
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat hij de contractspartij van [eiser] is. Volgens hem is er nooit een overeenkomst tussen hem en [betrokkene 1] , dan wel tussen hem en [eiser] tot stand gekomen en is [betrokkene 2] nog steeds de huurder van het pand aan de Nieuwstadweg 2-4 in Nijmegen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] huurder is van het pand aan de [adres+plaats] en of hij gehouden is de (achterstallige) huurpenningen tot aan en vanaf de overnamedatum aan [eiser] te betalen.
4.2.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de huurovereenkomst die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in 2018 met elkaar hebben gesloten in persoon heeft voortgezet. Ter onderbouwing verwijst hij naar de door hem overgelegde e-mail- en WhatsApp-correspondentie. [gedaagde] heeft met [betrokkene 1] via WhatsApp gesproken over betalingsachterstanden en over een nieuwe huurovereenkomst die hij [betrokkene 1] heeft ontvangen. Daarnaast heeft [gedaagde] in een gesprek met Yilmaz, in het bijzijn van [eiser] , gezegd dat hij een huurovereenkomst heeft met [betrokkene 1] en dat [betrokkene 1] huurprijskorting aan hem heeft gegeven, aldus [eiser] . Op de e-mail van Yilmaz aan [gedaagde] , waarin Yilmaz een verslag heeft geschreven van dat gesprek, is nooit een reactie gekomen van [gedaagde] . Volgens [eiser] kwam het voor hem als een verrassing toen [gedaagde] tijdens de zitting in de kort gedingprocedure op 18 november 2022 opeens het standpunt innam dat hij niet de huurder is.
4.3.
Tijdens de zitting in de onderhavige procedure heeft [gedaagde] verklaard dat hij weliswaar met [betrokkene 1] heeft gesproken over de huur van de bedrijfsruimte, maar dat er uiteindelijk geen nieuw huurcontract tussen hem en [betrokkene 1] tot stand is gekomen. Het klopt dat hij graag wilde exploiteren in het pand, maar hij kreeg de daarvoor vereiste vergunning niet van de gemeente. De exploitatie is dan ook nooit van de grond gekomen, aldus [gedaagde] . [gedaagde] betwist de door [eiser] en Yilmaz weergegeven inhoud van het gesprek dat hij in augustus 2022 met hen heeft gevoerd. Er zijn weliswaar betalingen aan [eiser] verricht vanuit [bedrijf 1] , maar hij heeft zelf (in privé) nooit huur betaald aan [eiser] . Volgens [gedaagde] is [betrokkene 2] altijd de huurder gebleven.
4.4.
Op basis van de thans voorhanden zijnde stukken staat voor de kantonrechter niet vast dat [gedaagde] huurder is van de bedrijfsruimte aan de [adres+plaats] . De enige huurovereenkomst die is overgelegd, is immers de overeenkomst tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In het WhatsApp-gesprek tussen [betrokkene 1] en [gedaagde] op 2 februari 2021 wordt weliswaar gesproken over een nieuw huurcontract, maar een (nieuw) getekend huurcontract bevindt zich niet bij de stukken. Anderzijds wordt gesproken over huur door het bedrijf en lijkt het erop dat [betrokkene 1] en [gedaagde] een afspraak hebben gemaakt over de betaling van huurachterstanden. Hoewel [gedaagde] tijdens de zitting nogmaals heeft betwist dat hij een huurcontract heeft gesloten met [betrokkene 1] , schrijft hij immers in het WhatsApp-gesprek met [betrokkene 1] in 2021 dat hij een nieuw huurcontact van hem heeft gekregen en “van mij krijg je alles tot de laatste cent”.
4.5.
[eiser] vordert betaling van (achterstallige) huurpenningen van [gedaagde] en beroept zich daarbij op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat [gedaagde] huurder is van het gehuurde. Omdat [gedaagde] dat betwist, draagt [eiser] op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast. [eiser] heeft nadrukkelijk (getuigen)bewijs aangeboden. De kantonrechter zal hem daarom in de gelegenheid stellen tot bewijslevering van zijn stelling dat [gedaagde] de huurder is van de bedrijfsruimte.
4.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
draagt [eiser] op te bewijzen dat [gedaagde] de huurder is van het pand aan de [adres+plaats] ,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van vrijdag 15 maart 2024 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [eiser] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april tot en met juni dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.6.
bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.TH. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2024.
610 \ 41245