Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-03-11
ECLI:NL:RBGEL:2024:1244
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,997 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/81 en 24/126
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiser] uit [plaats], eiser,
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. M.S. de Vries).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eiser heeft ingesteld omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoeken van 11 november 2023 op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van informatie over – kort gezegd – de communicatie in de periode 14 juni 2023 tot en met 5 juli 2023 over het KPMG-rapport op grond van de Woo. Daarbij heeft eiser om dezelfde openbaarmaking van informatie verzocht, maar dan voor de periode van 5 juli 2023 tot en met 11 november 2023.
1.1.
Met de brieven en e-mails van 13 december 2023 heeft eiser de minister in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 3 en 4 januari 2024 de beroepen van eiser tegen het niet op tijd nemen van een beslissing ontvangen. Eiser stelt dat de minister niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op zijn Woo-verzoeken heeft beslist.
1.2.
Het is niet nodig dat partijen op een zitting worden gehoord. De beroepen zijn namelijk kennelijk ontvankelijk en gegrond. Daarom sluit de rechtbank het onderzoek en doet zij zonder zitting uitspraak. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
3. Uit de ontvangstbevestigingen van de minister van 17 november 2023 blijkt dat de Woo-verzoeken van eiser op 13 november 2023 zijn ontvangen. De minister moet uiterlijk vier weken na ontvangst van een Woo-verzoek een besluit op het verzoek nemen. Deze termijn mag de minister één keer – zonder overleg met of toestemming van eiser – verdagen met maximaal twee weken. Dit heeft de minister niet gedaan. De beslistermijn voor beide Woo-verzoeken eindigde daarom op 11 december 2023.
3.1.
Niet in geschil is dat de minister niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn is de minister in gebreke gesteld. De beroepschriften zijn meer dan twee weken daarna door de rechtbank ontvangen. Omdat de minister niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestellingen op 13 december 2023 op de Woo-verzoeken heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Als een beroep gegrond is en er nog geen besluit bekendgemaakt is, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Hiervan wijkt de rechtbank af indien de omvang van het Woo-verzoek hiertoe aanleiding geeft of indien het niet tijdig nemen van het besluit kennelijk het gevolg is van de wijze van indiening van het verzoek. Ook in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften dit vereist, kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
4.1.
De minister heeft nog (steeds) geen besluit genomen. De minister moet dit alsnog doen. De minister heeft in het verweerschrift aangevoerd dat de verzochte documenten momenteel worden geïnventariseerd. Vervolgens zullen de persoonsgegevens gelakt worden en vindt de inhoudelijke beoordeling van de documenten aan de Woo plaats. Vervolgens is er de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen voor derde-belanghebbenden en wordt het concept-besluit opgesteld. Daarna vindt nog een laatste interne afstemming plaats. Gelet hierop is het streven van de minister om uiterlijk op 1 april 2024 een besluit te nemen.
4.2.
De rechtbank volgt de minister op dit punt. De in het verweerschrift gegeven toelichting op de voorgestelde beslistermijn is overtuigend. Daarbij noemt eiser zelf ook de termijn van 1 april 2024 in één van de beroepen en omdat de Woo-verzoeken zodanig met elkaar verband houden ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere of kortere beslistermijn te bepalen. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister uiterlijk op 1 april 2024 een besluit op de Woo-verzoeken van eiser bekend moeten maken.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de onder 4.2 genoemde beslistermijn wordt overschreden met een maximum van € 15.000 per Woo-verzoek. Deze dwangsom is in overeenstemming met het landelijk beleid.
Conclusie
6. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister de onder 4.2 genoemde termijn krijgt om alsnog op beide Woo-verzoeken van eiser een besluit te nemen en aan de minister de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat de beroepen (kennelijk) gegrond zijn, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de, met besluiten gelijk te stellen, niet tijdig nemen van besluiten;
draagt de minister op uiterlijk 1 april 2024 alsnog besluiten op de Woo-verzoeken van eiser bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de minister de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374 (2 x € 187) aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Berends, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Het beroep geregistreerd onder het zaaknummer 24/81.
Het beroep geregistreerd onder het zaaknummer 24/126.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 4.4, eerste lid, van de Woo.
Dit volgt uit artikel 4.4, tweede lid, van de Woo.
Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8.4, eerste en tweede lid, van de Woo.
Dit volgt uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
[website]