Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-10-25
ECLI:NL:RBGEL:2023:7534
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,921 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 10580047 \ CV EXPL 23-2060
Vonnis van 25 oktober 2023
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L.M. Draaijer,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door [gedaagde] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 juli 2023
- de conclusie van antwoord in reconventie - de mondelinge behandeling van 29 augustus 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] is met ingang van 2 mei 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van laktechnicus. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek / Kleinmetaal van toepassing (hierna: de cao).
2.2.
Het loon van [eiser] bestond uit een basisloon en een variabel loon in de vorm van provisie.
In de arbeidsovereenkomst is daarover het volgende bepaald:
“4.1 Het salaris beloopt € 2463,23 bruto exclusief vakantietoeslag. (…)
4.2
Gedurende een beperkte tijd, (bijvoorbeeld in de opleidingsperiode tot maximaal 1 jaar) of tot de tijd dat een werknemer bewezen heeft doormiddel van het provisie-systeem een hoger dan het overeengekomen salaris te kunnen genereren, is een salaris afgesproken van ten minste € 3500,-- bruto.
4.3
Mocht de werknemer in een jaar aanzienlijk minder presteren, dan wordt zijn salaris aangevuld met maximaal 80% van het provisiebedrag zoals dat in het voorafgaande jaar is gegenereerd.
4.4
Bovenstaande in 4.3 onder voorwaarde dat medewerker alles redelijkerwijs heeft gedaan en tenminste de voor zijn functie begrootte uren heeft gepresteerd.
Mocht dat niet het geval zijn door verwijtbaar minder inzetbaarheid van de medewerker dan wordt werknemer daar (…) op gewezen en wordt de aanvulling van het provisiebedrag naar rato van de verkochte uren betaald.”
2.3.
In de personeelsgids is in artikel 6 lid 6 het volgende bepaald:
“De hoogte van de provisie wordt door de werkgever aan de hand van de gemaakte omzet vastgesteld en uiterlijk in de op de werkzaamheden volgende maand betaald. (…) In geval van langdurige ziekte (vanaf 4 weken en langer) wordt het basissalaris aangevuld met 80% van het provisiebedrag, gebaseerd op het gemiddelde provisiebedrag van de voorgaande 12 maanden.”
2.4.
Op 5 januari 2023 heeft [eiser] per WhatsApp het volgende aan [gedaagde] geschreven:
“Vrijdag 17 Feb. Heb ik de operatie aan mijn vinger. Zal minimaal 14 dagen uit de running zijn, afhankelijk van het herstel.”
2.5.
Op 10 maart 2023 en 13 april 2023 heeft de bedrijfsarts de arbeidsongeschiktheid van [eiser] vastgesteld. Op 13 april 2023 heeft de bedrijfsarts [gedaagde] geadviseerd om [eiser] 50% van de overeengekomen arbeid te laten verrichten. Dat heeft [eiser] gedaan tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
2.6.
In april 2023 heeft [gedaagde] een bedrag van € 704,25 bruto aan provisie betaald.
2.7.
De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 30 april 2023.
2.8.
Op 19 mei 2023 heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.314,93 netto aan [eiser] betaald.
Geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen:
- € 2.839,57 bruto met aftrek van het bedrag van € 1.314,93 netto, ter zake van achterstallige provisie vanaf 17 februari 2023;
- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de onder a. genoemde vordering tot het maximale percentage van 50% althans een zodanig percentage als de kantonrechter in goede justitie zal bepalen;
- de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de onder a. en b. genoemde bedragen, berekend vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
b. [gedaagde] zal gebieden om uiterlijk binnen vijf werkdagen na de betekening van het te wijzen vonnis deugdelijke en correcte bruto/netto specificaties van alle verschuldigde provisiebedragen gedurende de ziekteperiode van 17 februari 2023 tot en met 30 april 2023 aan [eiser] zal verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke zal blijven met een maximum van € 3.000,00;
c. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 494,84 netto inclusief btw ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
d. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure waaronder de nakosten, deze laatste vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
in reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert - samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 951,88.
3.4.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
4.1.
[gedaagde] heeft ten eerste aangevoerd dat [eiser] vanaf 17 februari 2023 niet ziek was, maar verlof had voor een periode van twee weken. Pas vanaf 20 maart 2023 was [eiser] ziek, aldus [gedaagde] . Hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. [eiser] heeft op 5 januari 2023 per WhatsApp aan [gedaagde] gestuurd dat hij op 17 februari 2023 geopereerd zou worden aan zijn hand en dat hij in ieder geval daarna twee weken niet kon werken. Hieruit had [gedaagde] moeten afleiden dat [eiser] door ziekte of gebrek de overeengekomen arbeid niet kon verrichten, en dus arbeidsongeschikt was. Dat [eiser] verlof heeft gevraagd, is door [eiser] betwist en door [gedaagde] niet nader onderbouwd. De kantonrechter zal het er dan ook voor houden dat [eiser] vanaf 17 februari 2023 arbeidsongeschikt was.
4.2.
[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat [eiser] pas na vier weken arbeidsongeschiktheid recht heeft op een aanvulling van 80% op zijn basisloon. Ook hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Het standpunt van [gedaagde] berust naar het oordeel van de kantonrechter op een onjuiste lezing van artikel 6 lid 6 van de personeelsgids. Daarin is immers bepaald dat het recht (op aanvulling) ontstaat ‘in het geval’ van langdurige ziekte en niet in geval van langdurige ziekte ‘na’ een periode van vier weken. Voor zover [gedaagde] de bedoeling had het recht pas na vier weken te laten ingaan, heeft [gedaagde] geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit [eiser] dit had kunnen begrijpen.
Dat betekent dat [eiser] recht heeft op aanvulling van zijn basisloon met provisie vanaf 17 februari 2023.
4.3.
Partijen verschillen verder van mening over de referteperiode. Volgens de personeelsgids moet het basisloon worden aangevuld met het gemiddelde provisiebedrag van de voorgaande 12 maanden. Omdat de arbeidsovereenkomst op het moment dat [eiser] arbeidsongeschikt werd nog geen 12 maanden had geduurd, is [eiser] bij de berekening van de gemiddelde provisie uitgegaan van de maanden juni 2022 tot en met januari 2023. De maanden mei 2022 en februari 2023 moeten volgens [eiser] bij de berekening van de gemiddelde provisie niet worden meegeteld. In mei 2022 heeft [eiser] immers geen provisie gegenereerd, maar slechts een aanvulling tot € 3.500,00 ontvangen zoals in de arbeidsovereenkomst is bepaald. In februari 2023 is hij halverwege de maand uitgevallen zodat het volgens [eiser] niet voor de hand ligt deze maand mee te laten tellen. [gedaagde] vindt juist dat deze maanden wel moeten meetellen omdat [eiser] met zijn berekening alleen de maanden met de hoogste provisie in de berekening betrekt.
Naar het oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 6 lid 6 van de personeelsgids mee dat wordt uitgegaan van de gemiddelde provisie over de maanden juni 2022 tot en met januari 2023. De aanvulling moet immers representeren welk bedrag [eiser] gemiddeld per maand als provisie genereerde. Omdat het bedrag van mei 2022 geen provisie betreft en [eiser] in februari 2023 maar de helft van de maand provisie heeft kunnen genereren, moeten deze maanden voor de berekening van het gemiddelde buiten beschouwing blijven. Dat betekent dat [eiser] recht heeft op een aanvulling op zijn basisloon, gebaseerd op de gemiddelde provisie over de maanden juni 2022 tot en met januari 2023.
4.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] slechts recht heeft op een aanvulling bestaande uit 40% van de gemiddelde provisie, namelijk naar rato van zijn arbeidsongeschiktheid. [eiser] heeft 50% van de overeengekomen arbeid verricht en heeft gedurende die tijd provisie kunnen genereren.
In artikel 67 lid 2 van de cao (die algemeen verbindend is verklaard) is bepaald dat als een werknemer in de eerste 24 maanden van zijn arbeidsongeschiktheid voor een deel van de tijd zijn werk hervat, de werknemer recht heeft op 100% van het loon dat hij zou hebben verdiend als hij arbeidsgeschikt was. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg van deze bepaling, in samenhang met artikel 6 lid 6 van de personeelsgids mee dat [eiser] recht heeft op zijn basisloon vermeerderd met 80% van de gemiddelde provisie over de maanden juni 2022 tot en met januari 2023. [eiser] ontvangt dan geen recht op provisie die hij mogelijk in de 50% gewerkte tijd zou hebben gegenereerd. Op deze manier wordt de door [gedaagde] gevreesde dubbeltelling voorkomen.
Partijen gaan over de maanden juni 2022 tot en met januari 2023 uit van dezelfde provisiebedragen. Dat levert een gemiddeld provisiebedrag op van € 1.824,11 per maand. Hiervan moet [gedaagde] 80% betalen over de periode 17 februari 2023 tot en met 30 april 2023. Dat is een bedrag van € 3.543,83 bruto. Hiervan heeft [gedaagde] in april € 704,25 bruto betaald en in mei 2019 € 1.314,91 netto.
De vordering van [eiser] tot betaling van het achterstallige (provisie)loon is - zo volgt hieruit - toewijsbaar.
4.5.
De gevorderde wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 10%, omdat dit met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt.
4.6.
De gevorderde wettelijke rente zal als niet betwist en op de wet gegrond worden toegewezen.
4.7.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 181,50 (inclusief btw).
4.8.
De vordering tot afgifte van bruto/netto-specificatie zal als niet betwist en op de wet gegrond worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn die [gedaagde] krijgt om hieraan te voldoen zal worden bepaald op twee weken na betekening van het vonnis. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden zoals gevorderd.
4.9.
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure en in de nakosten. De wettelijke rente over de nakosten zal worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.
in reconventie
4.10.
De vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen. Zoals uit de overwegingen in conventie blijkt, is de vordering van [gedaagde] gebaseerd op het onjuiste standpunt dat slechts 40% van het gemiddelde provisiebedrag verschuldigd is. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld heeft zij dan ook niet te veel, maar te weinig (provisie)loon betaald.
4.11.
De kanonrechter acht redenen aanwezig de kosten van de procedure in reconventie te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
a. het verschil tussen € 2.839,57 en het bruto-equivalent van € 1.314,93 netto terzake van loon over de periode 17 februari 2023 tot en met 30 april 2023;
b. de wettelijke verhoging van 10% over de uitkomst van de onder 5.1. a. vermelde berekening;
5.2.
gebiedt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis deugdelijke en correcte bruto/netto-specificaties van alle verschuldigde provisiebedragen te verstrekken over de periode 17 februari 2023 tot en met 30 april 2023, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] met de verstrekking van deze specificaties in gebreke blijft met een maximum van € 3.000,00;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 181,50 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de kant van [eiser] vastgesteld op:
€ 129,85 explootkosten;
€ 244,00 griffierecht
€ 398,00 aan salaris gemachtigde;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:€ 99,50 aan salaris gemachtigde, - vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.8.
wijst de vordering af;
5.9.
compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2023.
mt