Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-12-22
ECLI:NL:RBGEL:2023:7195
Bestuursrecht; Belastingrecht
Voorlopige voorziening
4,331 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: ARN 23/6595
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2023
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaatsnaam] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van belanghebbende om, kort weergegeven, inzage te geven in alle op de zaak betrekking hebbende stukken en daarvan een afschrift te verstrekken als bedoeld in artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is gedaan in het kader van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 van 6 januari 2023.
De inspecteur heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Desgevraagd heeft belanghebbende gereageerd op het verweerschrift.
Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting pleitnota's ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en diens kantoorgenoot [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C] .
Het verzoek is ter zitting behandeld gelijktijdig met de verzoeken van [B.V.] (ARN 23/6594) en [persoon D] (ARN 23/6596).
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende houdt in de periode [jaartallen] een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap waarmee een nertsenfokkerij wordt geëxploiteerd. Belanghebbende is in die periode tevens directeur van deze vennootschap.
2. De Duitse belastingautoriteiten hebben op [datum] spontaan een renseignement overgelegd. Het betreft uit anonieme bron verkregen gegevens van (Nederlandse) rekeninghouders bij de [naam bank] ( [bank] ). Bij het renseignement is gevoegd een excelbestand met 4.466 regels en een document met uitleg over de betekenis van de titels van de verschillende kolommen van het excelbestand.
3. De personen die zijn opgenomen in het excelbestand bij het renseignement zijn vervolgens geïdentificeerd en opgenomen in een applicatie van de Belastingdienst. Ook belanghebbende is geïdentificeerd.
4. De inspecteur heeft, na een hercheck van de gegevens in de applicatie, aan belanghebbende bij brief van 27 februari 2018 een verzoek om informatie gestuurd waarin is aangegeven dat de inspecteur beschikt over gegevens waaruit blijkt dat belanghebbende beschikt over een rekening bij [bank] .
5. Belanghebbende heeft zich bij brief van 11 april 2018 op zijn zwijgrecht beroepen en zich op het standpunt gesteld dat hij vragen over in het buitenland aangehouden vermogen niet hoeft te beantwoorden, omdat hij in redelijkheid mag vermoeden dat de antwoorden zullen worden gebruikt voor punitieve doeleinden.
6. Het Central Liaison Office (CLO) heeft bij brief van 18 oktober 2018 aan de Luxemburgse belastingautoriteiten een verzoek om inlichtingen gedaan over rekeninghouders bij [bank] , waaronder ook belanghebbende.
7. Op 25 januari 2019 is een strafrechtelijk onderzoek geaccepteerd in het Stuur- en Weegploegenoverleg van het Functioneel Parket en de FIOD onder de naam " [project 1] ". Het onderzoek is gericht op het vermoedelijk buiten de boeken houden van omzet uit de handel in nertsenvellen bij Nederlandse nertsenfokkers. Aanleiding hiervoor is geweest dat twee nertsenfokkers naar aanleiding van een verzoek om informatie over een bij [bank] aangehouden bankrekening aan de Belastingdienst openheid van zaken hebben gegeven over de herkomst van de gelden op die bankrekeningen.
8. De Luxemburgse belastingautoriteiten hebben de gevraagde informatie, waaronder informatie over belanghebbende, verstrekt op 6 maart 2019.
9. Bij brief van 11 september 2019 heeft de inspecteur (oud-)ondernemers in de pelsdierensector, waaronder belanghebbende en zijn echtgenote, geïnformeerd over het onderzoek van het OM, de FIOD en de Belastingdienst naar bedrijven in de sector die omzet buiten de administratie hebben gehouden.
10. De inspecteur heeft verschillende malen, zowel schriftelijk als mondeling en in overleg met de gemachtigde van belanghebbende, verzocht om informatie. Belanghebbende heeft steeds aangegeven die niet te zullen verstrekken.
11. In mei 2020 is in het Weegploeg-overleg besloten om een strafrechtelijk onderzoek te beginnen onder de naam " [project 2] " naar het niet-geven van de door de inspecteur op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gevraagde informatie. Onder meer belanghebbende is in dit onderzoek als verdachte aangemerkt.
12. CLO heeft nogmaals een verzoek om informatie aan de Luxemburgse belastingautoriteiten gedaan. Op 30 november 2020 hebben de Luxemburgse belastingautoriteiten de verzochte informatie verstrekt.
13. In maart 2022 heeft de Officier van Justitie belanghebbende gedagvaard vanwege de verdenking dat hij opzettelijk niet voor 6 maart 2020 de gevraagde informatie aan de inspecteur heeft verstrekt over zijn buitenlandse vermogen. Belanghebbende is hiervoor veroordeeld bij vonnis van 8 september 2022.
14. Bij brief van 24 november 2022 heeft de inspecteur zijn voornemen bekend gemaakt om een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 met vergrijpboete op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierop kenbaar te maken.
15. Met dagtekening 6 januari 2023 heeft de inspecteur overeenkomstig het voornemen de belastingaanslag en boete opgelegd.
16. Hiertegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft verzocht te worden gehoord over het bezwaar en om inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het verzoek
17. Belanghebbende heeft de voorzieningenrechter verzocht om de inspecteur te gelasten, onder bedreiging van een dwangsom, om inzage in en een afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:4 van de Awb. Meer in het bijzonder heeft belanghebbende verzocht om alle stukken met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek " [project 2] ". Daarnaast heeft belanghebbende in het bijzonder gewezen op de stukken die zijn genoemd in het zogenoemde logboek bij het Project [bank] en de stukken met betrekking tot het proces van identificatie van belanghebbende.
Beoordeling
18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
19. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
20. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang in een zaak als deze in beginsel gegeven. Het verzoek heeft namelijk als strekking dat belanghebbende in de bezwaarfase kennis kan nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken zodat het bezwaar kan worden gemotiveerd. Het recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase is een fundamenteel recht waarmee het belang van een goed verlopende bezwaarprocedure wordt gewaarborgd. Als een boete in het spel is geldt daarnaast nog de verplichting dat de belanghebbende kennis kan nemen van het boetedossier, waaronder ook eventuele ontlastende stukken.
21. In artikel 5:49, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de overtreder desgevraagd in de gelegenheid stelt de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete berust in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.
22. Als een belanghebbende wil worden gehoord is het bestuursorgaan verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dit is bepaald in artikel 7:4 van de Awb. In het vierde lid is bepaald dat een belanghebbende van deze stukken afschriften kan verkrijgen tegen vergoeding van ten hoogste de kosten.
23. Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat de inspecteur aan belanghebbende alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen. Hieronder vallen ook de gegevens waarop het opleggen van de boete berust. Dit zijn in beginsel dezelfde stukken als de stukken waarop artikel 8:42 van de Awb ziet. Dit betekent dat een oordeel van de voorzieningenrechter in een procedure als deze tevens een voorlopig oordeel inhoudt over de correcte naleving van artikel 8:42 van Awb in een eventuele bodemprocedure.
24. Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Dit zijn stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Dit zijn niet stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie) en die niet aan de inspecteur zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan.
25. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorziening te treffen voor de stukken van het strafrechtelijk onderzoek " [project 2] ". De reden hiervoor is dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat dit onderzoek niet van belang is geweest bij de besluitvorming over de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 en de bijbehorende vergrijpboete. De navorderingsaanslag en boete zijn gebaseerd op het renseignement uit Duitsland over de Nederlandse rekeninghouders bij [bank] , de informatie van de Luxemburgse belastingautoriteiten en bevindingen uit een ander strafrechtelijk onderzoek, " [project 1] ". Het onderzoek " [project 2] " daarentegen vloeit voort uit het feit dat belanghebbende geen informatie heeft verstrekt over de bankrekening bij [bank] terwijl de inspecteur daarom had verzocht. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Het " [project 2] "-onderzoek ligt dus niet aan de onderhavige procedure ten grondslag en vooralsnog ziet de voorzieningenrechter in hetgeen belanghebbende heeft gesteld niet hoe dat onderzoek bij de besluitvorming in de onderhavige procedure van enig belang kan zijn geweest. De voorzieningenrechter betwijfelt daarom dat de rechtbank in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat die stukken op de zaak betrekking hebben. Gelet hierop en omdat het treffen van een voorziening op dit punt zou kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, wordt het verzoek, bij afweging van de betrokken belangen, afgewezen.
26. Wat de overige stukken betreft, stelt de voorzieningenrechter voorop dat de inspecteur een aanzienlijke hoeveelheid stukken van het project heeft overgelegd en heeft aangegeven welke stukken eventueel ontbreken en waarom dat zo is. Daarbij heeft de inspecteur geloofwaardig verklaard dat het lang heeft geduurd voordat het bezwaar daadwerkelijk in behandeling is genomen en dat zij pas na toedeling van het bezwaar is begonnen met het samenstellen van het bezwaardossier. Aangezien niet met de gemachtigde van belanghebbende is gecommuniceerd dat de inhoudelijke behandeling van het bezwaar nog niet was begonnen, heeft de gemachtigde op een gegeven moment geconcludeerd dat de Belastingdienst weigerachtig was om inzage te verstrekken en heeft daarom het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dat verzoek heeft het ter inzage geven van de stukken uiteindelijk doorkruist. Gelet hierop en gelet op de overgelegde stukken, ziet de voorzieningenrechter, behoudens hetgeen hieronder wordt overwogen, in hetgeen belanghebbende heeft gesteld voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De algemene stelling dat niet alle interne correspondentie is overgelegd is in dit verband onvoldoende, mede gelet op de geloofwaardige verklaring van de inspecteur ter zitting dat alle stukken zijn overgelegd.
27. De identificatie van de rekeninghouders van [bank] heeft vanwege de omvang van het renseignement in verschillende batches plaatsgevonden. Daarna zijn de geïdentificeerde posten in een applicatie gezet van waaruit ze naar de verschillende behandelaars zijn gegaan. Belanghebbende heeft ter zitting nader toegelicht dat belang bestaat bij een volledig inzicht in het proces van identificatie onder meer om de voortvarendheid van de behandeling te kunnen toetsen. De voorzieningenrechter acht dit een gerechtvaardigd belang. Uit de overgelegde stukken kan echter zonder nadere toelichting niet worden afgeleid wanneer belanghebbende is geïdentificeerd en in de applicatie is gezet en wanneer vanuit die applicatie belanghebbende als post is uitgezet. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat deze informatie waarschijnlijk uit de op de zaak betrekking hebbende stukken kan worden afgeleid. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter, bij afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang om vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure geen onomkeerbare gevolgen in het leven te roepen, bij wijze van voorziening bepalen dat de inspecteur binnen vier weken inzicht zal geven in de chronologie van het proces van identificatie tot het moment van toedelen ter behandeling van belanghebbende aan een inspecteur, voor zover dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken kan worden afgeleid. Dan wel, als dit niet mogelijk is, gemotiveerd aan te geven dat en waarom die chronologie niet (volledig) uit de stukken kan worden afgeleid.
28. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de inspecteur geen gevolg zal geven aan de te treffen voorzieningen, zodat ook geen aanleiding bestaat om een dwangsom op te leggen.
Conclusie
29. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de inspecteur binnen vier weken inzicht zal geven in de chronologie van het proces van identificatie tot het moment van toedelen ter behandeling van belanghebbende, voor zover dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken kan worden afgeleid, dan wel gemotiveerd aangeven dat en waarom die chronologie niet (volledig) uit de stukken kan worden afgeleid.
30. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.092,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 0,5 punt voor het reageren op het verweerschriften en de overgelegde stukken, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter zal deze vergoeding gelijkelijk verdelen over de zaak van belanghebbende en de gelijktijdig behandelde zaken ARN 23/6594 en ARN 23/6596.
31. Omdat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.
32. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
treft de voorziening zoals weergegeven in punt 27 hierboven;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 697,50;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Zeldenrust, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2023
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vzngr. rechtbank Gelderland 6 oktober 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5341, vzngr. rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 februari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:609, vzngr. gerechtshof Den Bosch 19 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0827.
Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1371.
Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.