Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-12-01
ECLI:NL:RBGEL:2023:6519
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,375 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/3133
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] uit [plaats], eiser,
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(gemachtigden: mr. W.J. Samuels en mr. L.S.N. Geerlings).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over de openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Met het Woo-verzoek van 1 oktober 2022 heeft eiser om openbaarmaking van informatie verzocht over – kort gezegd – gesprekken die de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) voerde over het medische hulpmiddel Aquatouch in de periode 2014 tot en met 2017. De minister heeft met het besluit van 23 januari 2023 een aantal documenten deels openbaar gemaakt, maar de documenten 2183 en 2184 in het geheel niet openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 24 mei 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de openbaarmaking van de documenten 2183 en 2184 gebleven.
1.2.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Daarbij heeft de minister de rechtbank verzocht dat alleen de rechtbank kennisneemt van de stukken waarvan openbaarmaking is afgewezen. De toestemming om deze stukken bij de beoordeling van de zaak te betrekken is van rechtswege verleend.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de openbaarmaking van informatie op grond van de Woo. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is de omvang van het geding?
3. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de documenten 2183 en 2184. Dit zijn de documenten die de minister in het geheel niet openbaar heeft gemaakt. Primair zijn deze documenten in het geheel niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25, derde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en subsidiair op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
De standpunten van eiser
4. Eiser stelt dat het van groot belang is dat de documenten 2183 en 2184 openbaar gemaakt worden. Bovendien wordt volgens eiser door het geanonimiseerd openbaar maken van de documenten 2183 en 2184 het medisch beroepsgeheim van de IGJ niet geschonden. Ook wordt met geanonimiseerde openbaarmaking de bereidheid van medici om meldingen van incidenten aan de IGJ te doen op geen enkele wijze nadelig beïnvloed. Eiser wijst hierbij ter ondersteuning naar de wel – in geanonimiseerde vorm – openbaargemaakte documenten. Voor eiser leidt de beslissing om de documenten 2183 en 2184 niet openbaar te maken tot de overtuiging dat deze gemelde incidenten heel ernstig zijn waardoor deze onder de pet gehouden moeten worden om het ernstige falen van de IGJ bij de uitoefening van de toezichthoudende taak te verdoezelen. Daarnaast dient volgens eiser het belang van de talloze getroffen patiënten te prevaleren en is openbaarmaking vereist. Volgens eiser moeten de documenten 2183 en 2184 dan ook op straffe van een dwangsom – in elk geval geanonimiseerd – openbaar gemaakt worden.
De standpunten van de minister
5. De minister stelt dat het hebben van een belang niet gesteld hoeft te worden en dat, als iemand een belang heeft, dit er niet toe kan leiden dat de beoordeling van het wel of niet openbaar maken van de documenten anders zal uitvallen. De documenten 2183 en 2184 zijn in het kader van de verplichte calamiteitenmelding aan de IGJ verstrekt. De IGJ kent een medisch beroepsgeheim dan wel de geheimhoudingsplicht die is opgenomen in artikel 25, derde lid, van de Wkkgz. Dit artikel houdt in dat voor zover bij het onderzoeken van een melding medische patiëntgegevens ter beschikking van de IGJ zijn gekomen waarvoor beroepsbeoefenaren een geheimhoudingsplicht richting derden hebben, de IGJ deze ook heeft. Wat onder medische patiëntgegevens valt, dient volgens de minister breed te worden uitgelegd. Gelet op de kleine kring van betrokkenen kunnen symptomen, data waarop (medische) handelingen zijn uitgevoerd, maar ook welke zorgaanbieder de melding heeft gemaakt inzicht geven in de medische patiëntgegevens. Ook algemene gegevens kunnen gelet op onderlinge verwevenheid inzicht geven in de medische patiëntgegevens. De documenten 2183 en 2184 bevatten gegevens die vallen onder het beroepsgeheim van de betrokken beroepsbeoefenaar en daarmee dus ook onder het medische beroepsgeheim van de IGJ. De documenten kunnen om die reden niet openbaar gemaakt worden en vallen buiten de reikwijdte van de Woo, waardoor geanonimiseerde verstrekking ook niet mogelijk is.
5.1.
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de bepaling van de Wkkgz niet van toepassing is op de documenten 2183 en 2184, stelt de minister zich op het standpunt dat de documenten terecht niet openbaar zijn gemaakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. Wanneer de documenten 2183 en 2184 openbaar gemaakt worden, zal het goed functioneren van de IGJ in geding komen. De IGJ is voor haar taak als toezichthouder op de kwaliteit van de Nederlandse zorg namelijk grotendeels afhankelijk van de informatie die zorgaanbieders bereid zijn te verschaffen. Hoewel een zorgaanbieder verplicht is om een calamiteit te melden, zal een zorgaanbieder terughoudender worden in het melden van calamiteiten en bij een melding minder gedetailleerde informatie verstrekken wanneer de informatie rond een melding van een calamiteit openbaar gemaakt wordt. Het belang van het goed functioneren van de IGJ moet volgens de minister zwaarder wegen dan het belang van openbaarheid.
Is het belang dat eiser heeft relevant voor de openbaarmaking?
6. Het uitgangspunt van de Woo is dat eenieder een verzoek om openbaarmaking van informatie kan doen zonder daartoe een belang te hoeven stellen dan wel een belang te moeten hebben. De rechtbank begrijpt dat eiser persoonlijke belangen heeft bij zijn Woo-verzoek. Het persoonlijke (en wellicht grotere) belang van eiser ten opzichte van het belang van een gemiddelde burger maakt niet dat de documenten 2183 en 2184 om die reden wel verstrekt moeten worden. Met andere woorden: Het hebben van een (persoonlijk) belang bij een Woo-verzoek voor de beoordeling of bepaalde informatie wel of niet openbaar gemaakt wordt, is niet relevant.
Gaat de Wkkgz voor op de Woo?
7. In artikel 8.8 van de Woo is onder andere bepaald dat artikel 5.1, eerste lid, van de Woo niet van toepassing is op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo. In die bijlage is onder meer artikel 25, derde lid, van de Wkkgz opgenomen voor zover gegevens of dossiers aan een aangewezen toezichthouder zijn verstrekt ter zake waarvan de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is. Dat betekent dus dat als de documenten 2183 en 2184 onder de reikwijdte van artikel 25, derde lid, van de Wkkgz vallen, de Woo hierop niet van toepassing is. Artikel 25, derde lid, van de Wkkgz gaat in zo’n geval dus voor op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
Is gehele openbaarmaking van de documenten 2183 en 2184 terecht geweigerd op grond van de Wkkgz?
8. De minister heeft de openbaarmaking van de documenten 2183 en 2184 in het geheel geweigerd op grond van artikel 25, derde lid, van de Wkkgz. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde documenten 2183 en 2184. De rechtbank dient te beoordelen of in de documenten 2183 en 2184 sprake is van medische patiëntgegevens die onder het medisch beroepsgeheim van de betrokken beroepsbeoefenaar en daarmee onder de geheimhoudingsplicht van de IGJ vallen, waardoor de Wkkgz van toepassing is.
Document 2183
8.1.
Document 2183 is een brief van een medewerker van een ziekenhuis waarbij een mogelijke calamiteit wordt gemeld aan de IGJ. Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze brief in het geheel geen gegevens over patiënten ter zake waarvan de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is. De openbaarmaking van dit document kan daarom niet geweigerd worden met een beroep op artikel 25, derde lid, van de Wkkgz.
Document 2184
8.2.
Document 2184 is de bijlage bij het document 2183 en betreft een ingevulde vragenlijst voor het melden van een mogelijke calamiteit aan de IGJ. Naar het oordeel van de rechtbank valt de informatie in het document vermeld onder punt 2 in zijn geheel en de informatie vermeld onder punt 5 deels, namelijk met uitzondering van de tekst onder het eerste kopje, onder de reikwijdte van artikel 25, derde lid, van de Wkkgz. Het betreft hier gegevens van patiënten die onder de geheimhoudingsplicht van de beroepsbeoefenaar vallen. Voor het overige bevat het document geen gegevens van patiënten maar heeft deze betrekking op de melding respectievelijk op de afwikkeling van de melding.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister moet immers de documenten 2183 en 2184 (geanonimiseerd) openbaar maken en moet motiveren waarom bepaalde delen geanonimiseerd openbaar gemaakt worden. De minister kan voor document 2184 onder 2 en de informatie onder 5, met uitzondering van de tekst onder het eerste kopje, volstaan met de toepassing van artikel 25, derde lid, van de Wkkgz. Voor document 2183 en het overige deel van 2184 moet de minister bij eventuele weglakkingen een andere uitzonderingsgrond noemen die wel van toepassing is. De rechtbank merkt daarbij op dat zij, anders dan eiser stelt, geen bevoegdheid heeft om een dwangsom aan de (geanonimiseerde) openbaarmaking te verbinden.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 mei 2023;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K. Berends, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een verzoek als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:29, zesde lid, van de Awb.
Te weten een melding van het [ziekenhuis] op of omstreeks 1 september 2015 en een melding van artsen van het [medisch centrum] over stricturen in januari 2016.
De minister wijst hierbij naar de uitspraak van de ABRvS van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2718.
Dit volgt ook uit artikel 1.1 van de Woo.
Een beroepsbeoefenaar is onder andere tot geheimhouding verplicht op grond van artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek.