Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-11-16
ECLI:NL:RBGEL:2023:6263
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,049 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 22/449 en 22/450
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 novemer 2023
in de zaken tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).
Als derde-partijen nemen aan de procedures deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2/gemachtigde 4], uit [plaats] (22/449)
en
[derde-partij 3] en [derde-partij 4] , uit [plaats] (22/450)
(gemachtigde: [derde-partij 2/gemachtigde 4] ).
Inleiding
1 . In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de
toekenning van een tegemoetkoming in planschade aan de derde-partijen.
1.1.
Het college heeft in de besluiten van 13 juli 2021 de verzoeken van de derdepartijen om toekenning van een tegemoetkoming in planschade toegewezen.
In de beslissingen op bezwaar van 16 december 2021 heeft het college de bezwaarschriften van eiseres ongegrond verklaard en besloten de besluiten van 13 juli 2021 te herzien omdat tijdens de heroverweging is gebleken dat van een ander percentage van het normaal maatschappelijk risico moet worden uitgegaan. Het college heeft daarom op 16 december 2021 naast de beslissingen op bezwaar, herziene besluiten op de aanvragen van de derde-partijen genomen.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en de derde-partij [derde-partij 1] en [derde-partij 2/gemachtigde 4] (namens zichzelf en als de gemachtigde van derde-partij [derde-partij 4] ).
Totstandkoming van het besluit
2. Derde-partij [derde-partij 1] en [derde-partij 2/gemachtigde 4] is eigenaar van het pand [adres] [nr. I] in [plaats] . Derde-partij [derde-partij 3] en [derde-partij 4] is eigenaar van het pand [adres] [nr II] in [plaats] .
De derde-partijen hebben op 14 juli 2020 en 18 augustus 2020 bij het college een verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in planschade ingediend in verband met de gewijzigde planologische mogelijkheden in de omgeving van de woningen [adres] [nr. I] en [nr II] in [plaats] als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “De Driehoek 1978”.
De derde-partijen ervaren door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan overlast van stank, verkeer, geluid, veren en fijnstof als gevolg van de vergroting van de achter het perceel gelegen slachterij. Daarnaast ervaren ze stankoverlast van een kalvermesterij. Ook is sprake van parkeeroverlast, af- en aanrijdend verkeer en geluidsoverlast door harde muziek als gevolg van een mogelijk gemaakt horecabedrijf.
2.1.
De gemeente Ermelo heeft onder andere met eiseres een anterieure overeenkomst met daarin een bepaling over planschadeverhaal afgesloten betreffende een bouwplan op de kadastrale percelen sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] , alle gelegen ten noorden van [adres] , achter de betrokken onroerende zaak [adres] [nr. I] ;
2.2.
Het college heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) gevraagd om advies uit te brengen over de verzoeken van de derde-partijen. De SAOZ heeft in de rapporten van juli 2021 advies uitgebracht. De SAOZ heeft in de adviezen een planologische vergelijking gemaakt tussen de voorgaande planologie voor de gronden naast en achter de percelen van de derde-partijen en het nieuwe bestemmingsplan. Het voorgaande regime bestaat overwegend uit het bestemmingsplan “De Driehoek 1978” (zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 21 december 1978) en een groot aantal latere partiële (elkaar deels ook overlappende) herzieningen daarvan. Dit is vergeleken met het nieuwe bestemmingsplan “De Driehoek 2016”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 maart 2018, in werking getreden op 24 mei 2018 en onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 april 2019.
De SOAZ heeft geconcludeerd dat door de planwijziging de situeringswaarde van
de woonobjecten van aanvragers is aangetast en dat sprake is van een duidelijke toename
van de gebruiksintensiteit. Deze nadelen zijn deels ontstaan door de wijzigingen op de
gronden ten noorden en oosten (de groen- en bedrijfsbestemming), doch in overwegende
mate door de wijzigingen op de gronden globaal ten zuiden (de groen- en vooral de horecabestemming). De planologische maatregel heeft geleid tot een nadeligere positie, waaruit in beginsel op de voet van artikel 6.1 Wro voor tegemoetkoming vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid.
De SAOZ heeft het college geadviseerd aan derde-partij Van Eijsden een tegemoetkoming toe te kennen van € 20.800.
De SAOZ heeft het college geadviseerd aan derde-partij [derde-partij 4] een tegemoetkoming toe te kennen van € 8.100.
Beide vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2020. Het college heeft de adviezen van de SAOZ gevolgd en de verzoeken conform de adviezen van de SAOZ toegewezen.
2.3.
In de bezwaarfase heeft eiseres tegenadviezen in het geding gebracht van [naam bedrijf] , van 9 september 2021 en 14 oktober 2021. Het college heeft de SAOZ gevraagd om een nadere reactie naar aanleiding van deze tegenadviezen. De SAOZ is in de brief van 26 oktober 2021 ingegaan op de tegenadviezen en is tot de conclusie gekomen dat hetgeen door eiseres is aangedragen geen aanleiding is de overwegingen en conclusie van het primaire advies te herzien.
2.4.
In de beslissingen op bezwaar is de toekenning van de tegemoetkomingen in planschade gehandhaafd, maar is naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van
3 november 2021 geconcludeerd dat een onjuist percentage voor het normaal maatschappelijk risico is gehanteerd. Daarom zijn de besluiten van 13 juli 2021 in aparte besluiten van 16 december 2021 herroepen waarin bedragen van € 14.400 respectievelijk
€ 3.300 aan tegemoetkomingen is toegekend. De eerder uitgekeerde bedragen zullen worden teruggevorderd.
2.5.
Ter onderbouwing van de beroepschriften heeft eiseres nadere reacties van [naam bedrijf] ingediend van 18 februari 2022. De SAOZ heeft in de brief van 20 juli 2023 gereageerd op de beroepschriften.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de toekenning van de verzoeken om een tegemoetkoming in planschade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. In artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. In artikel 6.3 is bepaald dat burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval betrekken de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak en de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.
Miskennen schadebeperkende factor [adres] [nr. I]
6. Eiseres voert aan dat de waarde van het perceel [adres] in de nieuwe situatie te laag is vastgesteld omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met het schadebeperkend effect van de in het bestemmingsplan opgenomen houtsingel tussen nummer [nr. I] en het perceel van eiseres. Uit de planvoorschriften volgt volgens eiseres dat een houtsingel gerealiseerd moet worden omdat sprake is van een voorwaardelijke verplichting. Deze houtsingel zal volgens eiseres een waardeverhogend effect hebben voor [adres] .
6.1.
De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat in de planvoorschriften niet de verplichting staat om een houtsingel te realiseren en in stand te houden omdat er geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen. Dat betekent dat de nadere aanduiding “houtsingel” binnen de groenbestemming geen verplichting inhoudt om daadwerkelijk een houtsingel aan te leggen. Daarom is er bij de waardebepaling terecht niet vanuit gegaan dat er altijd een houtsingel zal zijn achter perceel [adres] [nr. I] . Het betoog van eiseres tijdens de zitting dat er door het college een last onder dwangsom is opgelegd voor het niet aanleggen van een houtwal maakt het voorgaande niet anders. Het college heeft aangegeven dat deze last onder dwangsom ziet op andere percelen in de buurt waarvoor wel een voorwaardelijke verplichting geldt tot de aanleg van een houtsingel. Het betoog van eiseres dat de waarde van het perceel [adres] [nr. I] te laag is ingeschat kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.
Te lage vaststelling waarde [adres] [nr II]
7. Eiseres voert aan dat de waarde van [adres] te laag is vastgesteld door de SAOZ. Volgens eiseres is het waardevermeerderend effect van de positieve bestemmingswijziging van “Agrarisch” naar “Wonen” voor het achterste gedeelte van het perceel aangeduid als 6449 te laag ingeschat.
7.1.
De SAOZ heeft vastgesteld dat sprake is van een waardestijging van € 10.000 van een deel van de gronden van perceel [adres] [nr II] doordat de bestemming van deze gronden is gewijzigd van “Agrarisch” naar “Wonen”.
In de reactie van de SAOZ van 26 oktober 2021 is aangegeven dat een woonbestemming als zodanig mogelijkheden biedt de gronden in kwestie te bebouwen en als tuin te gebruiken maar dat er niet méér bouwmogelijkheden zijn dan de derde-partij voorheen al had op diens al eerder voor wonen bestemde gronden. Het in betekenisvolle mate bebouwen van de gronden in kwestie zou effectief slechts kunnen na sloop (en daarmee gepaarde
kapitaalvernietiging) van al bestaande opstallen. Daarnaast geeft de SAOZ aan dat eiseres vergeet dat de derde-partij al een zodanig fors woonperceel heeft, dat de meerwaarde van de extra gronden vanwege enkel die woonbestemming zowel voor hem, als voor elke gegadigde derde maar zeer beperkt is. Eiseres heeft haar betoog niet nader gemotiveerd en heeft niet onderbouwd waarom deze onderbouwing van de SAOZ niet gevolgd kan worden. Daarom kan het betoog van eiseres dat de waarde van het perceel [adres] [nr II] te laag is ingeschat niet worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
8. Het voorgaande betekent dat de beroepschriften en de second opinions van [naam bedrijf] geen aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen van de SAOZ. Het college heeft daarom op het door de SAOZ uitgebrachte adviezen mogen afgaan en de besluiten daarop mogen baseren.
Deskundigenkosten
9. Eiseres voert aan dat het verzoek om vergoeding van deskundigenkosten in de beslissingen op bezwaar ten onrechte niet is toegewezen omdat in het rapport van [naam bedrijf] niet zou zijn ingegaan op het normaal maatschappelijk risico maar dat dit punt enkel zelfstandig tijdens de hoorzitting in bezwaar is ingebracht door gemachtigde. Eiseres voert aan dat in het rapport van [naam bedrijf] weldegelijk op dit punt is gegaan. Daarom moet volgens eiseres het verzoek om vergoeding van deskundigenkosten wel worden toegewezen.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat deskundigenkosten in beginsel in aanmerking komen voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank volgt dus niet het standpunt van het college in verweer dat de deskundigenkosten alleen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen als die gemaakt zijn door de indiener van het verzoek om planschade.
Hier ligt de vraag voor of de besluiten tot toekenning van planschade in bezwaar zijn gewijzigd naar aanleiding van het door eiseres ingediende rapport van [naam bedrijf] of naar aanleiding van de opmerking van gemachtigde van eiseres tijdens de hoorzitting in bezwaar.
In de tegenadviezen van [naam bedrijf] van 9 september 2021 staat dat [naam bedrijf] een aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 3,5% hier passend vindt in plaats van de door de SAOZ geadviseerde 3%. Het college en de SAOZ hebben dit betoog niet gevolgd gelet op de stand van de jurisprudentie op dat moment.
Gemachtigde van eiseres heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021 (deze uitspraak is dus van na de adviezen van [naam bedrijf] ) en aangevoerd dat gelet op deze uitspraak een normaal maatschappelijk risico van 4% aangehouden zou moeten geworden.
De rechtbank oordeelt dat eiseres weliswaar terecht aanvoert dat [naam bedrijf] in de tegenadviezen wel is ingegaan op de hoogte van het normaal maatschappelijk risico maar dat het college pas aanleiding heeft gezien om de hoogte van het normaal maatschappelijk risico aan te passen nadat gemachtigde van eiseres op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021 heeft gewezen.
Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college in de beslissingen op bezwaar terecht aan eiseres een proceskostenvergoeding heeft toegekend en dat het college de verzoeken van eiseres om vergoeding van de deskundigenkosten terecht heeft afgewezen, omdat de ingediende deskundigenrapporten niet hebben geleid tot een aanpassing van de besluiten van 13 juli 2021. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2023
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2019:1027.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2402, rechtsoverweging 7.15.
Het college verwijst daartoe naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NLRVS:20162582.