Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-11-15
ECLI:NL:RBGEL:2023:6220
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,158 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/5274
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2023
in de zaak tussen
[Eiser A] , uit [plaats B] , eiser
(gemachtigde: mr. K.A. Luehof)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo, het college
(gemachtigden: mr. M. Huisman en mr. R.A. Oosterveer).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 2 november 2021 waarin de invorderingsbeschikking van 22 juni 2021 in stand is gelaten.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het besluit
1. Op 4 maart 2021 is tijdens een controle geconstateerd dat de woning aan [aan het adres C] in [plaats B] aan de voorzijde wordt uitgebreid, zonder de benodigde omgevingsvergunning. Daarom is tijdens deze controle mondeling een bouwstop opgelegd aan eiser.
1.1.
Op 10 maart 2021 is de mondelinge bouwstop bevestigd door het college met een brief. Het college heeft aan deze bouwstop een last onder dwangsom gekoppeld, waarin eiser is gelast de bouw van de uitbreiding van de woning per direct te staken en gestaakt te houden, onder de dreiging van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat toch bouwwerkzaamheden aan het bouwwerk worden uitgevoerd, met een maximumbedrag van € 10.000,-.
1.2.
Op 25 maart 2021 heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd. Tijdens deze controle heeft de toezichthouder geconstateerd dat na het opleggen van de bouwstop verder is gebouwd en dat de uitbouw bijna klaar is. Deze constateringen zijn op 29 maart 2021 neergelegd in een controlerapport.
1.3.
Op 19 april 2021 heeft het college eiser in kennis gesteld dat het college voornemens is om de verbeurde dwangsom van € 1.000,- te gaan invorderen.
1.4.
Op 22 juni 2021 heeft het college besloten om de verbeurde dwangsom van € 1.000,- te gaan invorderen.
1.5.
Op 2 november 2021 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2021 in stand gelaten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de beslissing op bezwaar aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiser op tijd gestopt met bouwen?
4. Eiser voert aan dat hij het besluit van 10 maart 2021 geruime tijd later heeft ontvangen en toen gelijk is gestopt met het bouwen van de uitbreiding van de woning. Hierdoor heeft het college ten onrechte besloten dat de dwangsom van € 1.000,- verbeurd is.
4.1.
Het college voert hierover aan dat het besluit van 10 maart 2021 in rechte vast staat. Het besluit van 10 maart 2021 is zowel aangetekend, als per gewone post verstuurd naar eiser. Dat het aangetekende poststuk niet is afgehaald door eiser, komt voor rekening en risico voor eiser. Hierdoor moet worden uitgegaan van de juistheid van de in het besluit van 10 maart 2021 neergelegde overtreding en sanctie. Op 25 maart 2021 heeft de toezichthouder geconstateerd dat de opgelegde bouwstop niet is nageleefd, zodat de dwangsom van € 1.000,- van rechtswege is verbeurd.
4.2.
Op grond van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
4.3.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het besluit van 10 maart 2021 correct is toegezonden aan eiser.
4.4.
De rechtbank stelt uit de door het college aangeleverde track and trace-gegevens vast dat het college het besluit van 10 maart 2021 heeft verzonden naar het adres [D] in [plaats B] en niet naar het adres [C] , waar eiser woont. Het besluit van 10 maart 2021 is hierdoor niet op de juiste wijze bekendgemaakt, omdat het niet op de juiste wijze geadresseerd is. Een foutief geadresseerd besluit geldt namelijk als niet verzonden, zodat het besluit van 10 januari 2021 als niet verzonden moet worden aangemerkt. Hierdoor is het besluit, in strijd met artikel 3:41 van de Awb, op 10 maart 2021 niet op juiste wijze bekendgemaakt, waardoor het niet in werking is getreden. Gelet op het vorenstaande heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat het besluit van 10 maart 2021 in rechte is vast komen te staan.
4.5.
Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het college € 1.000,- aan verbeurde dwangsommen bij eiser ingevorderd. Gelet op artikel 3:40 van de Awb is het besluit van 10 maart 2021 tot het opleggen van de last onder dwangsom niet in werking getreden. Dat betekent dat geen dwangsommen zijn verbeurd en dat er geen wettelijke grondslag is voor het besluit van 22 juni 2021. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 2 november 2021 wegens strijd met de wet. Aangezien, zoals onder 4.6 is overwogen, geen dwangsommen zijn verbeurd, is er geen wettelijke grondslag voor het invorderingsbesluit van 22 juni 2021. De rechtbank zal op dit punt zelf in de zaak voorzien door dat besluit te herroepen. Ter voorlichting aan partijen merkt de rechtbank op dat het besluit van 10 maart 2021 tot het opleggen van de last onder dwangsom niet in werking is getreden.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 2 november 2021;
herroept het besluit van 22 juni 2021;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 181,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3974.
Vergelijk uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2196, r.o. 2.3 en uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8874, r.o. 2.6.
Vergelijk uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2196, r.o. 3.
Vergelijk uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2196, r.o. 4.