Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-10-05
ECLI:NL:RBGEL:2023:5457
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,454 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1090
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2023
in de zaak tussen
[Eiseres A] , uit [plaats B] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, het college
(gemachtigde: mr. K. Dankers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [C] B.V. uit [plaats B]
(gemachtigde: [D] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft in het besluit van 3 juni 2022 het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. In de beslissing op bezwaar is het besluit van 3 juni 2022 in stand gelaten.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar dochter [E] , de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van derde-partij.
Totstandkoming van het besluit
1. Op 1 april 2022 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend bij het college met de stelling dat eiseres overlast ondervindt van een laagfrequent geluid en trillingen in haar woning en dat uit een onderzoek is gebleken dat de overlast gedeeltelijk wordt veroorzaakt door de afzuiginstallatie van de naastgelegen viswinkel.
1.1.
Op 3 juni 2022 heeft het college het college het handhavingsverzoek afgewezen met de motivering dat eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ten opzichte van eerdere handhavingsverzoeken.
1.2.
In de beslissing op bezwaar heeft het college besloten dat het door eiseres ingebrachte deskundigenrapport van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo (NAA) geen grondslag biedt om handhavend op te treden de naastgelegen visspeciaalzaak en daarom heeft het college het besluit van 3 juni 2022 in stand gelaten. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er een overtreding van het Bouwbesluit 2012?
4. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft besloten dat geen sprake is van een overtreding van artikel 7.17 in samenhang met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Uit de conclusies van het, in opdracht van eiseres, verrichte onderzoek van het NAA volgt volgens eiseres dat sprake is van overschrijdingen van de grenswaarde van 100-Hz toon zoals neergelegd in de NSG-richtlijn laagfrequent geluid (NSG-richtlijn) en dat die overschrijdingen rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de afzuiginstallatie van de naastgelegen visspeciaalzaak.
4.1.
Het college voert hierover aan dat de naastgelegen visspeciaalzaak is gebonden aan de grenswaarden die zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), omdat er geen afzonderlijke grenswaarden zijn voor laagfrequent geluid. Daarbij merkt het college op dat het aspect laagfrequent geluid een onderdeel is dat meegenomen is in de grenswaarden zoals die zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit en dat dit een uitputtende regeling betreft voor geluid. Gelet hierop kunnen er geen extra eisen worden opgelegd aan de visspeciaalzaak en daarom ontbreekt een grondslag om handhavend op te kunnen treden.
4.2.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) meermaals heeft overwogen is artikel 7.22 van het Bouwbesluit een restbepaling die het bevoegd gezag kan toepassen indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is om in te grijpen in een specifieke situatie, waarin het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein leidt tot gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder, en meer specifieke bepalingen geen mogelijkheid bieden om op te treden.
4.3.
De rechtbank overweegt dat voor laagfrequent geluid geen afzonderlijke wettelijke grenswaarden zijn vastgesteld. In artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit zijn geluidsnormen neergelegd voor het voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) die voor de visspeciaalzaak van derde-partij van toepassing zijn. Uit de definitie van “geluidsniveau” in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit volgt dat het geluidsniveau moet worden berekend in dB(A). Het Activiteitenbesluit verplicht dus om geluid uit te drukken in dB(A).
4.4.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat het niet handhavend kon optreden tegen derde-partij, omdat het college niet bevoegd was om op te treden op grond van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het Activiteitenbesluit een uitputtende regeling bevat voor geluid. Ook als de stelling van eiseres dat sprake is van overschrijdingen van de grenswaarde uit de NSG-richtlijn zou worden gevolgd, heeft dat dus niet tot gevolg dat het college bevoegd is om handhavend op te treden op grond van artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit biedt uitputtend de mogelijke grondslag om op te treden tegen hinder door laagfrequent geluid en daarom kan, gelet op wat is overwogen onder 4.3, niet worden teruggevallen op de restbepaling van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college nader onderzoek moeten verrichten naar trillingshinder?
5. Eiseres voert aan het college, gelet op de conclusies uit het NAA-onderzoek, ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht naar de hinder die wordt veroorzaakt door trillingen. Gelet hierop heeft het college onvoldoende onderzoek verricht om tot een afwijzing van het handhavingsverzoek te komen.
5.1.
Het college voert hierover aan dat geen nader onderzoek vereist is. Uit de eerder verrichte onderzoeken door de omgevingsdienst en uit het NAA-onderzoek blijkt namelijk dat de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet worden overtreden.
5.2.
Het NAA heeft van 6 tot en met 18 mei 2021 metingen uitgevoerd in de woning van eiseres. Tijdens deze periode zijn continu trillingsniveaus gemeten en vastgelegd. De resultaten van deze metingen zijn neergelegd in het rapport ‘Onderzoek laagfrequent geluid en trillingen woning [aan het adres F] te [plaats B] ’ van 2 februari 2022. Wat betreft de trillingsmetingen luidt de conclusie die gaat over de bron van de trillingen: (…) Gezien de afstand tussen de trillingsmeters op de zij- en achtergevel van het gebouw is het waarschijnlijk dat de trillingsbron zich niet heel dichtbij bevindt. Vergelijkbare trillingen komen in meerdere nachten voor. Het is aannemelijk dat deze trilling in de woning leiden tot hinder. De herkomst van deze trillingspieken is niet te achterhalen. Een van de hypotheses is dat dit mogelijk een relatie zou kunnen hebben met het treinverkeer. Op basis van de vertrekstaat van het station [plaats B] Centrum zijn de trillingen niet te relateren aan het vertrekken/binnenkomen van treinen. Ook is het mogelijk dat sprake is van vrachttreinen op de spoorlijn. Uit het akoestisch spoorregister blijkt dat goederenvervoer in de nacht mogelijk is. Ook kan gedacht worden aan allerlei andere algemene activiteiten zoals het rijden van vrachtwagens over drempels, gebeurtenissen in een fabriek/bedrijf in de omgeving, laden en lossen, bouwactiviteiten en dergelijke.’
5.3.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht, gelet op de conclusies uit het NAA-onderzoek, geen aanleiding heeft gezien om handhavend op te treden tegen derde-partij. Zoals hierboven beschreven is een van de conclusies uit het NAA-onderzoek dat de oorzaak of de oorzaken van de trillingen niet te achterhalen is, het waarschijnlijk is dat de trillingsbron zich niet dichtbij de woning bevindt en dat die mogelijk wordt veroorzaakt door het treinverkeer. Gelet op deze conclusie is het naar oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de ervaren trillinghinder wordt veroorzaakt door de afzuiginstallatie van derde-partij. Omdat er in het NAA-onderzoek ook geen aanwijzingen zijn die in de richting van de vishandel wijzen, heeft het college kunnen afzien van nader onderzoek naar door de vishandel veroorzaakte trillingen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar de overschrijding van grenswaarden uit het Activiteitenbesluit?
6. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar een mogelijke schending van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Eiseres stelt dat maar net aan deze grenswaarden wordt voldaan en dat de metingen zijn verricht in een niet representatieve bedrijfssituatie, omdat de ventilatoren aan de achterzijde van de visspeciaalzaak van derde-partij uitgeschakeld waren tijdens de metingen. Gelet hierop is de afwijzing van het handhavingsverzoek niet zorgvuldig voorbereid en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
6.1.
Het college voert hierover aan dat geen nader onderzoek vereist is. Uit de eerder verrichte onderzoeken door de omgevingsdienst en uit het NAA-onderzoek blijkt dat de grenswaarden van het Activiteitenbesluit niet worden overschreden.
6.2.
Het college heeft naar aanleiding van een eerder handhavingsverzoek drie onderzoeken verricht naar de gestelde overtreding.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2023
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 4:6
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Activiteitenbesluit
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
geluidsniveau: geluidsniveau in dB(A) als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.
Artikel 2.17
1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3005 en uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3249, r.o. 5.2 en uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3568.
Uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:174, r.o. 7.2.
Onderzoek laagfrequent geluid en trillingen woning [aan het adres F] te [plaats B] , pagina 24-25.
Onderzoek laagfrequent geluid en trillingen woning [aan het adres F] te [plaats B] , pagina 18.
Onderzoek laagfrequent geluid en trillingen woning [aan het adres F] te [plaats B] , pagina 9.