Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-09-08
ECLI:NL:RBGEL:2023:5396
Strafrecht
Beschikking
1,904 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 10219459 \ BR VERZ 22-1858 \ 847 ER
cjib-nr / registratienr 242762411 / SX5150
zitting van 5 september 2023
proces-verbaal/beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
gevestigd te [adres]
betrokkene
gemachtigde B. de Jong
tegen
de officier van justitie
De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter mr. G.W.B. Heijmans, bijgestaan door als griffier.
Verschenen zijn:
B. de Jong, gemachtigde
D. Hoveijn, medewerker van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), als vertegenwoordiger van de officier van justitie, hierna te noemen de officier van justitie
Gronden voor de beslissing:
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege groot licht voeren bij dag.
Gemachtigde voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
De zekerheid is inmiddels gesteld. De verbalisant heeft gesteld dat het voertuig met slippende en piepende banden reed. Het was toen glad en daardoor is geen onnodig geluid veroorzaakt. Primair verzoek ik vernietiging van de beschikking. Subsidiair verzoek is wijziging van de beslissing, omdat het sanctiebedrag is verlaagd. Meer subsidiair verzoek ik een strafkorting toe te passen gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2023:6369 en verzoek ik de officier van justitie te veroordelen in de kosten voor het uittreksel van de kamer van koophandel die door de griffier is opgevraagd.
De officier van justitie voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
Volgens de verbalisant was staandehouding niet mogelijk. Hij reed op de snelweg en van hem kan niet worden verwacht dat hij de bestuurder tot stoppen maant. Voor de termijn van redelijke berechting refereer ik aan het oordeel van de kantonrechter.
De kantonrechter overweegt als volgt.
In Wahv-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “Het daglicht was onvoldoende om de aanwezigheid van het voertuig door anderen te doen opmerken als gevolg van. Ik zag dat de bestuurder met zijn grootlicht meerdere malen seinde naar andere weggebruikers. (…) Reden geen staandehouding: reed in een onopvallend voertuig zonder mogelijkheid tot staandehouding.”
Betrokkene voert aan dat de bestuurder staandegehouden had kunnen en moeten worden.
De kantonrechter verwerpt dat verweer, nu de verbalisant in het zaakoverzicht heeft verklaard dat hij in een onopvallend voertuig reed zonder mogelijkhied tot staandehouding. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat de verbalisant geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft gehad, zodat artikel 5 van de Wahv terecht is toegepast.
Het valt niet in te zien waarom het de verbalisant in deze situatie niet vrijstond om een sanctie op te leggen voor het “groot licht voeren bij tegenkomen ander”. De omstandigheid dat in dit geval mogelijk ook een sanctie had kunnen worden opgelegd voor de gedraging met feitcode R419, maakt niet dat een onjuiste feitcode is toegepast.
Betrokkene heeft geen specifieke feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan moet worden getwijfeld aan de waarneming van de verbalisant. Nu ook uit het dossier niet zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van de kantonrechter komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Vervolgens dient de kantonrechter te beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen of kwijt te schelden. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de in hoge mate tariefsmatig vastgestelde bedragen af te wijken.
Dergelijke omstandigheden zijn hier niet gebleken.
De overige onbesproken gebleven gronden leiden verder niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie.
Gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2023:6369) ziet de kantonrechter aanleiding om het bedrag van de administratieve sanctie te matigen met 25 procent.
De proceskosten komen in navolging van de uitspraak van de kantonrechter Den Haag van 14 augustus 2023 met nummer ECLI:NL:RBDHA:2023:12059, te raadplegen op rechtspraak.nl, niet voor vergoeding in aanmerking.
Er zal daarom als volgt worden beslist.
Dictum
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing;
-verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
-wijzigt de bestreden beslissing, in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot € 112,50;
-verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
-bepaalt dat het bedrag van € 37,50 dat tot zekerheid is gesteld moet worden terugbetaald;
-wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. G.W.B. Heijmans, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer H.1.100, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.