Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2023-08-08
ECLI:NL:RBGEL:2023:4468
ECLI:NL:RBGEL:2023:4468 text/xml public 2026-06-04T20:04:07 2023-08-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2023-08-08 AWB - 21_5019 en 21_5024 en 22_3114 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:4468 text/html public 2026-06-04T19:56:44 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2023:4468 Rechtbank Gelderland , 08-08-2023 / AWB - 21_5019 en 21_5024 en 22_3114 Beroep over handhaving van gebruik en meerdere bouwwerken op een perceel en een verleende omgevingsvergunning voor legalisering van de uitbreiding van een schuur. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 21/5019, 21/5024 en 22/3114 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. L. Bolier) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn , het college (gemachtigde: C.A. van der Graaf – van de Worp). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (gemachtigde: [naam 1] ). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzingen van hun handhavingsverzoek en het beroep tegen de omgevingsvergunning die aan de derdepartij is verleend voor de legalisering van de uitbreiding van de schuur. Het college heeft het handhavingsverzoek met de besluiten van 4 december 2020 en 12 februari 2021 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 7 oktober 2021 op de bezwaren van eisers is het college bij deze afwijzing gebleven. Het college heeft op 30 juli 2021 de omgevingsvergunning verleend en in het bestreden besluit van 27 juni 2022 het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 20 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en [naam 2] , en de gemachtigde van de derde-partij. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 1. Eisers wonen op het perceel [perceel 1] . De derde-partij woont op het naastgelegen perceel [perceel 2] . Eisers ondervinden overlast door het gebruik dat de derde-partij maakt van zijn perceel. Eisers hebben daarom op 19 oktober 2020 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Zij geven aan geluids- en geuroverlast te ondervinden en stellen dat er sprake is van een rattenplaag. Zij verzoeken het college ook om handhavend op te treden tegen illegale bebouwing en stellen dat het gebruik van het perceel voor agrarische doeleinden en opslag in strijd is met de agrarische- en woonbestemming uit het bestemmingsplan, zodat er sprake is van overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarnaast stellen eisers dat de aantallen dieren maken dat er sprake is van een inrichting, zodat de agrarische activiteiten vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en de derde-partij aan de daarin opgenomen bepalingen voor (agrarische) bedrijven moet voldoen. Leeswijzer 2. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgronden tegen het bestreden besluit van 7 oktober 2021 (kenmerk: 2020-089975). Het beroep tegen dit besluit heeft bij de rechtbank zaaknummer 21/5019. Daarna zal de rechtbank ingaan op de gronden tegen het andere besluit van 7 oktober 2021 (kenmerk: 2021-010160), dat voornamelijk ziet op de bouwwerken op het perceel van de derde-partij. Dit beroep heeft bij de rechtbank zaaknummer 21/5024. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor de legalisatie van een uitbreiding van bijgebouw G (zaaknummer 22/3114). De rechtbank zal voor de bouwwerken uitgaan van de nummering van A t/m G die partijen ook hanteren. [de overzichtskaart die is opgenomen in de uitspraak is niet zichtbaar in verband met privacygevoelige informatie] Gebouwen A en B ligge Op de plekken waar de pony’s geweid worden is een lichte mestgeur te ruiken. Op het erf is verder geen of nauwelijks geur waar te nemen als gevolg van het weiden van dieren. Door de dieren die gehouden worden op het achtererf neem ik nauwelijks geluid waar. Alleen de kippen zijn waar te nemen en alleen in de directe nabijheid van het hok.” 7. De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies van 6 september 2021 overwogen dat er gelet op de aanwezige aantallen dieren, het hobbymatige houden en omdat er geen sprake is van handel in dieren, geen sprake is van een inrichting. Dit betekent dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Voor wat betreft de rattenoverlast heeft de commissie naar aanleiding van de beelden en foto’s geconstateerd dat ratten op het perceel aanwezig zijn. Omdat de commissie zich niet deskundig acht om op grond van de beelden te constateren of er al dan niet sprake is van een rattenplaag en of de veiligheid, gezondheid dan wel de volksgezondheid in het geding is, adviseert zij het college om ter plaatse nader onderzoek te laten doen door een deskundige op het gebied van plaagdierenbestrijding. Met betrekking tot de geluids- en geuroverlast heeft de commissie aangegeven dat niet duidelijk is geworden op welke wijze de controle met betrekking tot de vermeende geluids- en geurhinder heeft plaatsgevonden. Volgens de commissie dient het college op dit punt het besluit nader te motiveren. 8. Op 22 september 2021 heeft [naam 3] (medewerker beheersing plaagdieren bij Circulus-Berkel) een inspectie uitgevoerd op het perceel. In het verslag dat hij op 1 oktober 2021 heeft gemaakt staat het volgende: “Aangetroffen Een voerkist met oud voer dat door muizen was aangevreten, in de inloopvallen heb ik geen muizen aangetroffen. Veel oude gangen en oude uitwerpselen van ratten/muizen. 2 zakken met kippenvoer die er al een tijd liggen zijn niet aangevreten. Looppaden onder het gaas door tussen het perceel 16 en 18. Ik kan niet zien waar ze vandaan komen. Onder de kapschuur geen natte (recente) uitwerpselen aangetroffen wel een muis en veel oude gangen die door muizen zijn gemaakt. Bij de paarden stal zijn wel looppaden aangetroffen maar geen activiteit. Gevraagd aan bewoner: Houd het gras kort bij de paardenstal. Kippen leefgebied altijd even aanharken.” 9. In een e-mail van 4 oktober 2021 heeft [naam 4] (arts infectieziekten bij de GGD Noord- en Oost-Gelderland) naar aanleiding van de rapportage van 1 oktober 2021 aangegeven te concluderen dat er sprake is van oude sporen van ongedierte en dat geen recente activiteit is waargenomen. Daarmee is er geen sprake van een bedreiging van de volksgezondheid. 10. Het college heeft in het bestreden besluit van 7 oktober 2021 voor wat betreft de rattenoverlast verwezen naar het rapport van [naam 3] van 1 oktober 2021. Omdat uit dit rapport niet blijkt dat er sprake is van rattenoverlast is er volgens het college geen sprake van een overtreding van de artikelen 7:21 en 7:22 van het Bouwbesluit 2012. Voor wat betreft de geur- en geluidsoverlast heeft het college verwezen naar de rapporten van de toezichthouder van 28 april 2021 en 5 oktober 2021. Volgens het college volgt uit deze rapporten dat er sprake is van een opgeruimd erf en dat er geen sprake was van geur- en geluidsoverlast. Uit de bevindingen blijkt verder dat er een beperkte opslag is van mest. Volgens het college is er daarom op dit punt geen sprake van een overtreding. Het college is in dit besluit ook ingegaan op het gebruik van de agrarische gronden in strijd met het bestemmingsplan. Het college overweegt dat het op grond van artikel 3.4.1, onder d, van de planregels mogelijk is om af te wijken van het bestemmingsplan voor het, zonder dat een agrarisch bouwvlak aanwezig is, oprichten van een stalruimte voor hobbymatig agrarisch gebruik. Uit deze afwijkingsbevoegdheid blijkt dat het bouwen voor hobbymatig gebruik op de agrarische grond mogelijk is wat inhoudt dat het gebruik van de agrarische grond voor het hobbym Naar het oordeel van de rechtbank was gelet op deze dieraantallen ook ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake van een inrichting. Op de zitting is overigens gebleken dat inmiddels geen kippen en eenden meer worden gehouden en dat er nog slechts sprake is van tussen de 2 en 4 pony’s en een (kleine) hond. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een inrichting. Dit betekent dat tegen de overlast niet kan worden gehandhaafd op grond van de bepalingen uit het Activiteitenbesluit. De vervolgvraag is of er wel handhavend op kan worden getreden op grond van de restbepalingen uit het Bouwbesluit 2012. Daarop zal de rechtbank verderop in deze uitspraak ingaan. Is het gebruik in strijd met het bestemmingsplan? 12. Eisers betogen dat er gelet op het aantal dieren dat op het perceel wordt gehouden sprake is van agrarisch grondgebruik. Dit agrarische grondgebruik is volgens eisers in strijd met de woonbestemming. Eisers betogen daarnaast dat het gebruik binnen de agrarische bestemming niet valt onder het gebruiksovergangsrecht. Het gebruik is volgens eisers door de huidige eigenaar aangevangen, zodat er geen sprake is van het voortzetten van het gebruik. 12.1. Het perceel van de derde-partij is in het bestemmingsplan “Wenum Wiesel en buitengebied”, dat is vastgesteld op 3 oktober 2013, bestemd als “Wonen - 2” met een bouwvlak en “Agrarisch” met de gebiedsaanduidingen “cultuurhistorisch gebied” en “open landschap”. De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, waaronder begrepen begeleid wonen tot maximaal 2 woningen per bouwvlak; (…) k. nevenactiviteiten in de vorm van hobbymatig agrarisch gebruik (minder dan 20 NGE), Bed&Breakfast, recreatief rustpunt; (…). De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische bedrijven, met dien verstande dat een gebruik als intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; (…) m. recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, wandelen en fietsen; (…) p. het trainen en berijden van paarden ten dienste van bestemmingsvlakken met de bestemmingen Bedrijf, Maatschappelijk of Wonen en in bestaande paardenbakken; (…) In artikel 1.8 is de volgende definitie opgenomen van “agrarisch bedrijf”: “Een bedrijf, waaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij en pensionstal, dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarop een bedrijfsmatige, op de markt gerichte productie plaatsvindt, die een wezenlijke bijdrage aan de inkomensvorming levert.” In artikel 3.4.1 is onder “Afwijken van de bouwregels” de volgende afwijkingsbevoegdheid opgenomen: “Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.1 onder b en lid 3.2 bepaalde: (… d. voor het, zonder dat een bouwvlak aanwezig is, oprichten van een stalruimte voor hobbymatig agrarisch gebruik waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt, met dien verstande dat bij de stalruimte ten minste 1 hectare aaneengesloten grond hoort, waarop de stalruimte wordt gebouwd en die grond ligt binnen een bestemmingsvlak met de bestemming Agrarisch.” 12.2. In artikel 47 is het gebruiksovergangsrecht opgenomen: “47.1 Overgangsrecht Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 47.2 Ander strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 47.3 Onderbreken gebruik onder overgangsrecht Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te De rapportage van 1 oktober 2021 is volgens eisers niet juist. Eisers verwijzen daarnaast ter onderbouwing van hun standpunt dat er sprake is van rattenoverlast naar een groot aantal foto’s en filmpjes die zij van hun eigen terrein en dat van de derde-partij hebben gemaakt waarop ratten te zien zijn. Op de zitting hebben eisers aangegeven dat zij op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om te reageren op het deskundigenrapport voordat de beslissing op bezwaar werd genomen. 13.1. Artikel 7:21 van het Bouwbesluit 2012 luidt als volgt: “Een bouwwerk, open erf en terrein bevindt zich in een zodanig zindelijke staat, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert.” Artikel 7:22 Bouwbesluit 2012 luidt als volgt: “Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.” 13.2. De rechtbank overweegt dat als een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, als algemeen uitgangspunt geldt dat het bestuursorgaan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de betrokkene over het advies heeft aangevoerd. 13.3. Aan het bestreden besluit is het deskundigenrapport van [naam 3] van 1 oktober 2021 ten grondslag gelegd. Vast staat dat het college eisers niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op dit deskundigenrapport. Dit had wel moeten gebeuren. Gelet op wat door eisers is aangevoerd over de rattenoverlast, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om de deskundige het beeldmateriaal van eisers voor te leggen en om hem hierop te laten reageren. Op de zitting heeft het college ook aangegeven dat het door eisers overlegde beeldmateriaal aanleiding vormt om te bekijken of het advies van de deskundige wel klopt. De beroepsgrond slaagt. Herhaalde bezwaargronden 14. Eisers hebben in het beroepschrift verzocht om de pleitaantekeningen bij de commissie bezwaarschriften als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarover overweegt de rechtbank dat het op de weg van eisers ligt om in het beroepschrift aan te geven op welke punten de motivering in de het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Niet kan worden volstaan met enkel te verwijzen naar eerder ingediende bezwaargronden of pleitaantekeningen. In het advies van de commissie bezwaarschriften, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen voor de motivering, en in de nadere motivering in het bestreden besluit is ingegaa Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7117) kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk aansluiting worden gezocht bij de omschrijving van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze luidt: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. 20.2. Uit de stukken blijkt dat de houtopslag is bevestigd aan gebouw G en bestaat uit een constructie van palen waaraan rechtopstaande pallets zijn bevestigd. Op de palen aan de linkerzijde van gebouw G is een houten lat gemaakt waaraan een metalen plaat is bevestigd die als dak functioneert. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een constructie die direct met de grond is verbonden en die is bedoeld om ter plaatse te functioneren (als houtopslag). Dit betekent dat sprake is van een bouwwerk. Omdat het bouwwerk door de ligging in het voorerfgebied niet vergunningvrij is, is voor het bouwen van het bouwwerk een omgevingsvergunning vereist. Omdat geen omgevingsvergunning is verleend, is er sprake van een overtreding. De beroepsgrond slaagt. Mestopslag 21. Eisers betogen dat dit bouwwerk niet valt onder het bouwovergangsrecht omdat het gebouw dat voorheen op deze plek stond geheel is gesloopt en alleen de vloer is blijven liggen. De schotten zijn pas na 2015 geplaatst. Deze bouwwerkzaamheden zijn volgens eisers niet vergunningvrij omdat het gebruik in strijd is met de agrarische bestemming. 21.1. In artikel 46.1 staat het bouwovergangsrecht: “46.1 Overgangsrecht Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.” (…) 46.3 Afwijken bij bijgebouwen Indien lid 46.1 van toepassing is op bijgebouwen als bedoeld in artikel 1 lid 1.26, kunnen burgemeester en wethouders eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 46.1 bepaalde ten behoeve van het geheel vernieuwen van een gedeelte van die bijgebouwen. Afwijken is alleen mogelijk wanneer gelijktijdig voor elke m2 waarvoor bij omgevingsvergunning wordt afgeweken 2 m2 aan bestaande bijgebouwen wordt afgebroken, met het doel om te komen tot een sanering van de aanwezige bebouwing. 46.4 Overgangsrecht niet van toepassing Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.” 21.2. Uit de stukken blijkt dat het gebouw dat op de plaats van de mestopslag stond is gesloopt, met uitzondering van de vloer. Later zijn op de vloer keerwanden geplaatst zodat ter plaatse mest kon worden opgeslagen. Bouwen 21.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de mestopslag gelet op de constructie aan te merken als een bouwwerk. Dat betekent dat voor het bouwen van het bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist, tenzij het bouwwerk vergunningvrij is op grond van artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Bor. Het college heeft niet nader onderbouwd op grond van welk artikel dit bouwwerk vergunningvrij zou zijn. Voor zover het college heeft beoogd te verwijzen naar artikel 2, lid 21, of artikel 3, lid 6, van bijlage II Bor merkt de rechtbank op dat het bouwwerk door de ligging binnen de bestemming “Agrarisch” niet in het achtererfgebied van de woning ligt, zodat aan de voorwaarden van deze artikelen n Het perceel is ter plaatse van dit bijgebouw bestemd als “Wonen - 2” met een bouwvlak. Op grond van artikel 18.2.1 mogen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht en mag de oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 75 m² bedragen. Op beide punten is het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan. 29. Het college heeft in het primaire besluit van 30 juli 2021 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. Het college heeft in het bestreden besluit van 27 juni 2022 het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de volgende aanvullende motivering in het besluit opgenomen. “Het college is van oordeel dat zij terecht en op goede gronden medewerking heeft verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wabo juncto artikel 4, eerste lid, van bijlage II Bor. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het hoofdgebouw staat op ruime afstand van de openbare weg en is met de achterzijde naar die openbare weg gekeerd. Dat komt in de omgeving van Apeldoorn vaker voor en is gevolg van de vroeger gangbare bedrijfsvoering. Formeel wordt de naar de openbare weg gerichte gevel als voorgevel gezien en eventuele bijgebouwen zouden achter deze voorgevel moeten liggen. Vanwege de historische situatie is de afwijking in de positie van de bijgebouwen aanvaardbaar. Het perceel heeft in het verleden een agrarische bestemming gehad. Op dit soort erven is vaak meer oppervlakte aanwezig aan bijgebouwen dan volgens het vigerende bestemmingsplan bij de woonbestemming is toegestaan. Een groot deel van de huidige bijgebouwen is al jaren aanwezig en zal (deels) voortkomen uit de agrarische functie (boerderijwoning met deel) die het erf ooit had. De overschrijding van het maximale vierkante meters is daarom ruimtelijk gezien aanvaardbaar. Het college is van oordeel dat de positie van de uitbreiding van het bijgebouw voor de voorgevel en de overschrijding van de toegestane vierkante meters ruimtelijk aanvaardbaar is, mits aan de voorzijde een landschappelijk inpassende beplanting wordt aangebracht. Op de situatietekening is een hederahaag ingetekend. Dit is als voorschrift aan de activiteit planologisch strijdig gebruik verbonden en dient binnen een jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning te zijn geplant.” Goede ruimtelijke ordening 30. Eisers betogen dat de essentie van een goede ruimtelijke ordening is dat vóór de voorgevel van een woning geen bebouwing aanwezig is. Dit is ook de reden dat deze regel in het bestemmingsplan is opgenomen. De uitbreiding van een bijgebouw voor de voorgevel van de woning is daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het is volgens eisers daarnaast geen goede ruimtelijke ordening om op een perceel waar al meer bijgebouwen staan dan het bestemmingsplan toestaat, nog meer bijgebouwen te vergunnen en de strijdigheid met het bestemmingsplan op dit punt nog verder te vergroten. Wat is het toetsingskader? 30.1. Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat de gevraagde omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder geldt dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om voor afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Dat betekent dat het college, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De bestuursrechter toetst of het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 30.2. Eén van de stedenbouwkundige uitgangspunten in het bestemmingsplan is dat bijgebouwen achter de voorgevel moeten worden gebouwd. Dit stedenbouwkundige uitgangspu Het college dient op basis van de bevindingen van de deskundige een oordeel te geven over de vraag of er sprake is van een zodanig ernstig geval van overlast dat er sprake is van overmatige hinder. Daarbij dient het uit te gaan van de situatie zoals deze is ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eisers en de derde-partij voor het nemen van het nieuwe besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld om te kunnen reageren op het nieuwe deskundigenadvies. In de nieuwe beslissing op bezwaar dient ook wat eisers hebben aangevoerd over het gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij te worden meegenomen, omdat dit in het handhavingsverzoek is genoemd en daarop in de bestreden besluiten niet is ingegaan. Zoals op de zitting is besproken geeft de rechtbank partijen tot slot mee dat het de voorkeur heeft om er samen, bijvoorbeeld met de hulp van een mediator, uit te komen. Niet alle geschilpunten tussen partijen kunnen immers door de gemeente worden opgelost. Proceskosten en griffierecht 33. De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor ieder van de drie zaken vast op € 1.674,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op een zitting, met een waarde van € 837,- per punt en wegingsfactor 1). Van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat het werk van de rechtsbijstandverlener niet in elk van de zaken nagenoeg identiek is. Tot slot bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; bepaalt dat het college in zaaknummer 21/5019 het griffierecht van € 181,- aan eisers moet vergoeden; bepaalt dat het college in zaaknummer 21/5024 het griffierecht van € 181,- aan eisers moet vergoeden; bepaalt dat het college in zaaknummer 22/3114 het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college in zaaknummer 21/5019 tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers; veroordeelt het college in zaaknummer 21/5024 tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers; veroordeelt het college in zaaknummer 22/3114 tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier de rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. ECLI:NL:RVS:2000:AL2894 (AB 2000/126). ECLI:NL:RVS:2005:AU3361. Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2571). Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo en artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Zie ter vergelijking de uitspraak van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:934) voor wat betreft artikel 7:21 Bouwbesluit 2012 (overweging 3.1) en de uitspraak van