Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-07-12
ECLI:NL:RBGEL:2023:4141
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/254717-22
Datum uitspraak : 12 juli 2023
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsman: mr. C.C. Polat, advocaat in Breukelen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 tot en met 17
januari 2021 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (zeer grote) hoeveelheid cocaïne, te weten:
- 10 kilo cocaïne (ZD001) en/of
- 10 kilo cocaïne (ZD004) en/of
- 50 kilo cocaïne (ZD005) en/of
- 23 kilo cocaïne (ZD005) en/of
- 10 kilo cocaïne (ZD006) en/of
- 42 kilo cocaïne (ZD007) en/of
- 4 kilo cocaïne (ZD007)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
Hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 t/m 14 februari
2021 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/stof bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) heeft/hebben gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of afspra(a)k(en) gemaakt met één of meerdere (mogelijke) producent(en), leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of anderen) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde
hoeveelheid cocaïne en/of
- één of meerdere van eerdergenoemd(e) perso(o)n(en) heeft/hebben (laten) voorzien van informatie en/of bescheiden en/of verpakkingsmateria(a)l(en) en/of (een) vervoermiddel(len) en/of geld ten behoeve van en/of ter vergoeding van de levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer/transport van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne en/of ter vergoeding van door die perso(o)n(en) geleverde dienst(en) en/of door die perso(o)n(en) gemaakte kosten met betrekking tot de levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
3.
Hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 t/m 14 februari 2021 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere) medeverdachte [medeverdachte 1] ( [geboortedatum medeverdachte 1] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] ( [geboortedatum medeverdachte 2] ) en/of één of meerdere anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet, terwijl hij, verdachte, leider en/of oprichter (in die periode) was/is geweest;
2Procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht van het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening van deze strafzaak. Naar aanleiding hiervan hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging op 31 mei 2023 gezamenlijk de rechtbank benaderd met een door de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman getekende raamovereenkomst (hierna: raamovereenkomst) waarin door hen gemaakte procesafspraken, waaronder een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel, zijn opgenomen. Daarmee beogen partijen de onderhavige zaak op korte termijn tot een einde te laten komen. In de raamovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt alle ingediende onderzoekswensen, uiterlijk ter zitting en bij voorkeur al eerder, schriftelijk in;
door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd en worden de feiten zoals verwoord in de bovengenoemde tenlastelegging niet ontkend;
door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken met een marge van 6 maanden ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf of 50.000,00 Euro voor de opgelegde ontneming;
betaling van het resterende bedrag ten behoeve van afronding van de ontneming ten bedrage van het in de afspraken opgenomen onderdeel;
verdachte doet afstand van de in beslag genomen goederen, zoals opgenomen in het hoofdstuk beslag.
Verdachte beoogt door het maken van procesafspraken de strafeis te verlagen tot
42 maanden
gevangenisstraf onvoorwaardelijk.
Overwegingen
De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgestelde procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 28 juni 2023 aan verdachte voorgehouden en met hem besproken. Verdachte heeft toen onder meer het volgende verklaard (zakelijk weergegeven):
Ik begrijp wat de gevolgen zijn van de procesafspraken, ik wil de strafzaak zo snel mogelijk afronden en verder met mijn leven. Ik ben niet onder druk gezet.
De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft bevestigd dat hij zich kan vinden in voornoemde procesafspraken, die onder meer inhouden dat geen onderzoekswensen worden ingediend, geen verweer wordt gevoerd, dat verdachte kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde ‘uitgestreepte’ tenlastelegging, dat van de inbeslaggenomen goederen afstand is gedaan en dat geen hoger beroep wordt ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel of binnen de in de raamovereenkomst overeengekomen bandbreedte.
Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces is bijgestaan door een raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden. Ten slotte overweegt de rechtbank dat zij actief door partijen op de hoogte is gehouden van de stappen die hebben geleid tot de procesafspraken en de voortgang daarvan.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. De rechtbank zal beslissen als hieronder weergegeven.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 tot en met 17
januari 2021 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (zeer grote) hoeveelheden cocaïne, te weten:
10 kilo cocaïne (ZD001) en/of
10 kilo cocaïne (ZD004) en/of
50 kilo cocaïne (ZD005) en/of
23 kilo cocaïne (ZD005) en/of
10 kilo cocaïne (ZD006) en/of
42 kilo cocaïne (ZD007) en/of
4 kilo cocaïne (ZD007)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 t/m 14 februari
2021 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal/stof bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) heeft/hebben gehad te hebben en/of (een) bespreking(en) gevoerd te voeren en/of afspra(a)k(en) gemaakt te maken met één of meerdere (mogelijke) producent(en), leverancier(s), transporteur(s), financier(s), afnemer(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of anderen met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheden cocaïne en/of
- één of meerdere van eerdergenoemd(e) perso(o)n(en) heeft/hebben te (laten) voorzien van informatie en/of bescheiden en/of verpakkingsmateria(a)l(en) en/of (een) vervoermiddel(len) en/of geld ten behoeve van en/of ter vergoeding van de levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer/transport van eerdergenoemde hoeveelheden cocaïne en/of ter vergoeding van door die perso(o)n(en) geleverde dienst(en) en/of door die perso(o)n(en) gemaakte kosten met betrekking tot de levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
3.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 t/m 14 februari 2021 te Apeldoorn en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
weten (onder anderen) medeverdachte [medeverdachte 1] ( [geboortedatum medeverdachte 1] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] ( [geboortedatum medeverdachte 2] ) en/of één of meerdere anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet, terwijl hij, verdachte, leider en/of oprichter (in die periode) was/is geweest;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Dictum
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 en 2:
de voortgezette handeling van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, artikel 10, vierde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden. De officier van justitie heeft bij de bepaling van de strafeis rekening gehouden met de procesafspraken en heeft daarbij meegewogen dat zonder procesafspraken een eis van 5 jaar gevangenisstraf het uitgangspunt zou zijn. Hij heeft daarbij de rol van verdachte, de hoeveelheid verhandelde cocaïne en de duur van de pleegperiode meegewogen. De officier van justitie heeft daarnaast de gevangenneming van verdachte gevorderd, zoals ook in de procesafspraken is opgenomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de straf te beperken tot 36 maanden, vanwege de omstandigheid dat verdachte naar Nederland is afgereisd om de strafzaak af te wikkelen, de beperkte rol van verdachte en gelet op uitspraken in vergelijkbare strafzaken. Deze verzochte vermindering van de straf valt binnen de bandbreedte van de overeengekomen procesafspraken. De verdediging heeft zich niet verzet tegen de vordering gevangenneming.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Bewezen is dat verdachte zich in vereniging met anderen gedurende ruim negen maanden schuldig heeft gemaakt aan de handel in 149 kilogram cocaïne, het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en deelname aan een criminele organisatie die het plegen van opiumwetdelicten als doel had, die twee laatste feiten voor een periode van ruim tien maanden. Verdachte had daarbij een vooral uitvoerende rol. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin draagt bij aan het ontstaan van verslaving en de instandhouding daarvan. Daarnaast gaat de handel in harddrugs dikwijls gepaard met het plegen van andere strafbare, de samenleving ondermijnende, feiten. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door eigen gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor gebruikers en de samenleving in het algemeen.
De rechtbank overweegt dat deze feiten een gevangenisstraf rechtvaardigen van lange duur. Geregeld worden hogere straffen geëist en opgelegd dan de in de procesafspraken overeengekomen strafeis van de officier van justitie. Echter, bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel.
De rechtbank overweegt dat verdachte meewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot tijdwinst leidt en beslag op onderzoeks- en zittingscapaciteit bespaart. Er zijn geen onderzoekswensen gedaan, de behandeling van de strafzaak ter zitting is efficiënt verlopen en een hoger beroep wordt voorkomen. Verder zorgt deze procedure ervoor dat de opgelegde straf sneller kan worden geëxecuteerd. Ook is in het afdoeningsvoorstel opgenomen dat het door verdachte genoten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen (waarover de rechtbank een afzonderlijke beslissing zal nemen). De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uit de raamovereenkomst voortvloeiende voorstel over de strafmaat, noch naar boven, noch naar beneden, dat laatste anders dan door de verdediging is bepleit. Wat in dat kader door de verdediging is aangevoerd, onder meer het afreizen van verdachte naar Nederland voor zijn berechting, rechtvaardigt geen verdere verlaging, gelet op de duur van de pleegperiode en het aantal verhandelde kilogrammen cocaïne.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten en daarmee een passende straf is. De rechtbank zal dan ook aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Ten aanzien van de vordering gevangenneming
Het door de rechtbank bewezenverklaarde onder feit 1, 2 en 3 betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten Aldus is voldaan aan artikel 67 Wetboek van Strafvordering. Gelet op de beslissing van de rechtbank bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en oplegging van een gevangenisstraf, zijn ook de ernstige bezwaren, als bedoeld in artikel 67, derde lid, Wetboek van Strafvordering tegen verdachte aanwezig.
De ingevolge artikel 67a Wetboek van Strafvordering benodigde gronden voor de voorlopige hechtenis zijn gelegen in de volgende omstandigheden.
Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. De feiten waarvoor verdachte is veroordeeld, geven er blijk van dat verdachte in georganiseerd verband en beroepsmatig gehandeld heeft in cocaïne. Dit blijkt onder meer uit de omvang en de hoeveelheid van de verdovende middelenhandel en de professionele en encrypted manier van communiceren. De aard van de bewezenverklaarde feiten, de georganiseerde en beroepsmatige wijze waarop verdachte deze feiten heeft gepleegd, het netwerk van contacten dat verdachte in verband met deze feiten heeft opgebouwd en het zeer lucratieve karakter van de handel in harddrugs, maken dat voor herhaling moet worden gevreesd.
Deze omstandigheden maken dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. Dat verdachte niet in verzekering is gesteld en dat ook later geen voorlopige hechtenis is gevorderd, maakt dit niet anders. Deze beslissing is in een afzonderlijk bevel geminuteerd. Een kopie van dit bevel is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;
beveelt de gevangenneming van de verdachte met onmiddellijke ingang.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. M.P. Bos en mr. M.M. Klaasen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2023.
Mr. M.M. Klaasen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.