Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2021-02-12
ECLI:NL:RBGEL:2021:721
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,892 tokens
Dictum
in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft in de onderhavige zaak de volgende geschoonde stukken overgelegd:
- Het memo ‘ Aandachtspunten project Verhuld Vermogen ’ zoals samengesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van 3 november 2020 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, met daarbij een lijst met de koppeling tussen NN-nummers en daarmee aangeduide (belasting)ambtenaren; en
- het memo ‘ Plan van aanpak Debet-credit cards ’.
Verweerder heeft daarbij passages weggelakt en bij brief van 3 december 2020 ten aanzien van deze weggelakte delen een verzoek gedaan tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft aan de rechtbank ook ongeschoonde versies van deze stukken overgelegd.
Eiser heeft in een brief van 7 januari 2021 geconcludeerd dat het door verweerder gedane verzoek op beperkte kennisneming van de geschoonde stukken niet toelaatbaar is.
Partijen zijn ter zitting gehoord op 19 januari 2021. Namens eiser zijn de gemachtigde en [persoon A] verschenen. Namens verweerder zijn [persoon B] en [persoon C] verschenen.
De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.
Overwegingen
1. Ten behoeve van het nemen van deze tussenbeslissing heeft de rechtbank kennis genomen van het gehele procesdossier. Uitdrukkelijk wijst de rechtbank erop dat met de beslissing ter zake van de beperkte kennisname geen voorschot wordt genomen op de beslissing in de onderliggende zaak.
2. Verweerder is van mening dat de stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb en hij gehouden is tot overlegging van deze stukken aan de rechtbank. Verweerder heeft echter een verzoek tot beperkte kennisneming van de stukken gedaan in de zin van artikel 8:29 van de Awb, omdat in beide memo’s gedeelten staan met persoonsgegevens van belastingambtenaren en van derden die geen relatie hebben met eiser, alsmede informatie over de werkprocessen, strategieën, methoden, prioritering en inrichting van het toezicht en de opsporing. Tevens heeft verweerder persoonlijke opvattingen van individuen en medewerkers, die niet relevant zijn voor deze zaak, weggelakt.
3. Partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken.
4. In dit geval heeft het verzoek alleen betrekking op de weggelakte gedeelten in de stukken.
5. Vooropgesteld moet worden dat het recht van partijen op gelijke proceskansen (equality of arms) het uitgangspunt is in belastingprocedures. Dat betekent dat partijen in beginsel onbeperkt kennis moeten kunnen nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Een beroep op beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Awb is zo een uitzondering. Deze beperking is slechts bij ‘gewichtige redenen’ mogelijk en dat vergt een belangenafweging waarbij de aangevoerde redenen voor beperkte kennisneming aanzienlijk zwaarder moeten wegen dan het belang van de wederpartij bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarbij speelt de betekenis van het stuk voor het oordeel van de rechter in de hoofdzaak een belangrijke rol, alsmede de procespositie van partijen. Zo is het van belang om te beoordelen of een partij door de beperkte kennisneming wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. Bij de belangenafweging of sprake is van gewichtige redenen om passages weg te lakken, is dus van belang of die weggelakte passages de rechtsstrijd van partijen raakt. Indien dat niet het geval is, is de betekenis van de weggelakte passages voor de hoofdzaak gering en wordt de procespositie van de wederpartij niet geraakt, aangezien deze daardoor niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. In dat geval zal het belang bij beperkte kennisneming sneller zwaarder wegen dan het belang bij gelijke toegang tot de processtukken.
6. Beide memo’s zijn onderdeel van de ‘paraplu aanpak’ Buitenlands vermogen van de Belastingdienst. Dit project ziet op vermogen dat, op welke wijze dan ook, in het buitenland is gestald om dit vermogen buiten het zicht van de fiscus te houden. Het memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’ is uitsluitend bedoeld voor intern gebruik, als handreiking voor behandelend ambtenaren. Verder worden in de overgelegde memo’s de doelstellingen, de projectorganisatie, de gehanteerde onderzoeksmethode en werkwijze nader uiteengezet. Daarbij gaat het om de opbouw van het onderzoek, de fiscale behandeling, de dossiervorming en de prioritering. Eisers naam of zijn gegevens zijn in beide memo’s niet opgenomen.
7. Eiser is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2020, van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd wat de gewichtige redenen zijn die tot beperkte kennisneming nopen en waarom deze zwaarder wegen dan het belang van onbeperkte kennisneming van eiser.
8. De rechtbank stelt voorop dat zij kennis heeft genomen van de door verweerder deels onleesbaar gemaakte memo’s en deze heeft onderworpen aan een afweging van eisers belang bij (onbeperkte) kennisneming tegenover de door verweerder aangevoerde redenen om aan die kennisneming beperkingen te stellen. Zij overweegt als volgt. Van het memo ‘ Aandachtspunten project Verhuld Vermogen ’ is de versie overgelegd zoals deze is samengesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het 8:29 van de Awb verzoek. De rechtbank ziet geen reden om in het onderhavige geval van het oordeel van het gerechtshof af te wijken. Ook in het onderhavige geval wegen de door verweerder aangevoerde belangen van (onder meer) de privacy, het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controle- en/of behandelstrategie, waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen en voorts persoonlijke opvattingen/vrije meningsvorming/juridische advisering en afstemming, aanzienlijk zwaarder dan het belang van eiser bij kennisneming van die gegevens.
9. Ook ten aanzien van het memo ‘ Plan van aanpak Debet-credit cards ’ heeft verweerder het belang van een effectieve controle- en/of behandelstrategie, een effectieve en efficiënte interne werkwijze en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen als gewichtige redenen aangevoerd. De weggelakte passages zijn qua aard en strekking vergelijkbaar met de passages waarover het gerechtshof heeft geoordeeld. Dat brengt mee dat ook hier het memo ten opzichte van de hoofdzaak in een heel onrechtstreeks verband staat. In de hoofdzaak is namelijk een informatiebeschikking opgelegd voor de jaren 2004 tot en met 2016 naar aanleiding van een in het buitenland uitgegeven betaalkaart waarmee in Nederland betalingen zijn verricht. Verweerder heeft daaromtrent informatie ontvangen dat een Zwitserse UBS-mastercard is gebruikt in Nederland, waarbij eisers naam op de facturen is vermeld. Het memo waarop onderhavig verzoek betrekking heeft, heeft hier inhoudelijk geen betrekking op, zodat eiser, bij afweging van de betrokken belangen, door beperkte kennisneming van dit memo niet in zijn procespositie wordt geschonden temeer omdat het gaat om een informatiebeschikking. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve, bij afweging van de betrokken belangen, sprake van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen.
10. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting nog gesteld dat de toetsing van de weggelakte passages te globaal is, aangezien tevens onbelangrijke passages worden weggelakt. Hierdoor wordt toegestaan dat ook onbelangrijke informatie aan eiser wordt onthouden. De gemachtigde baseert zich voor dit standpunt op andere beslissingen over verzoeken tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Awb. Naar de mening van de gemachtigde is transparantie belangrijk voor het vertrouwen van partijen waarbij zij zo veel als mogelijk zelf moeten kunnen controleren of weggelakte passages wel daadwerkelijk gevoelige informatie bevatten.
11. De rechtbank geeft toe dat in dit geval volledige paragrafen en/of alinea's zijn weggelakt en dat in die tekstgedeelten ook zinnen of zinsdelen zitten die op zichzelf genomen geen gevoelige informatie bevatten. In zoverre is méér tekst weggelakt dan strikt noodzakelijk. Daar staat tegenover dat als de rechtbank zou oordelen dat die zinnen of zinsdelen alsnog vrijgegeven zouden moeten worden, een lappendeken zou ontstaan waar per saldo geen betekenisvolle informatie aan kan worden ontleend. Naar het oordeel van de rechtbank zou het schijn-transparantie opleveren om betekenisloze zinnen of zinsdelen of allerlei loze details stuk voor stuk vrij te geven, want dat brengt niet automatisch mee dat een begrijpelijke tekst ontstaat waardoor de procespositie meer gelijk wordt. Het veronderstelde wantrouwen als gevolg van de weggelakte passages wordt daarmee dus niet weggenomen.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat de door verweerder verzochte geheimhouding van de passages uit de memo’s gerechtvaardigd is;
stelt eiser in de gelegenheid op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, de rechtbank binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing te berichten of hij er in toestemt dat de rechtbank uitspraak doet mede op de grondslag van de hiervoor vermelde stukken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.M. Coolen, griffier.
Dictum
griffier
De rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:GHARL:2020:9074.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 juni 2020, ECLI:RVS:2020:1367, overweging 8.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9074.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 juni 2020, ECLI:RVS:2020:1367.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9074.
vgl. Rechtbank Den Haag 5 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10406.