Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2019-05-02
ECLI:NL:RBGEL:2019:3682
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,631 tokens
Inleiding
vonnis
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: NL18.22743
Vonnis in incident van 2 mei 2019
in de zaak van
1 [namen eisers][namen eisers] ,beiden wonende te [woonplaats eisers] ,eisers in de hoofdzaak,verweerders in het incident, hierna samen te noemen: [gezamenlijke eisers] ,advocaat S. van Helvert te [woonplaats] ,
tegen
[naam verweerster]
,wonende te [woonplaats verweerster]verweerster in de hoofdzaak,eiseres in het incident, hierna te noemen: [naam verweerster] ,advocaat M.J. Kooijman te Arnhem.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de procesinleiding
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring
- het verweerschrift in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Beoordeling
2.1.
[gezamenlijke eisers] heeft in de procesinleiding aangegeven dat zij optreedt als gevolmachtigde van de heer [naam] , hierna te noemen [naam] .
2.2.
[naam verweerster] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gezamenlijke eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3.
[naam] en [naam verweerster] hadden vanaf 2000 een affectieve relatie die tot 2010 heeft geduurd.
2.4.
Niet in geschil is dat [naam] op 5 juli 2005 een bedrag van € 200.000,00 aan [naam verweerster] heeft betaald ten titel van lening, dat [naam] [naam verweerster] de verschuldigdheid van dit bedrag op 6 juli 2005 heeft kwijtgescholden en dat [naam] aldus, zoals van aanvang af de bedoeling was maar om fiscale redenen niet ineens is geschied, een bedrag van € 200.000,00 aan [naam verweerster] heeft geschonken.
2.5.
In de hoofdzaak vordert [gezamenlijke eisers] primair voor recht te verklaren dat de schenking rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden, althans vordert [gezamenlijke eisers] de schenking op deze grond te vernietigen, met veroordeling van [naam verweerster] tot terugbetaling van het dan onverschuldigd betaalde bedrag van € 200.000,00 (vermeerderd met misgelopen beleggingsrendement ad € 57.143,00).
2.6.
[gezamenlijke eisers] baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op artikel 7 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-verordening (nr. 1215/2012), waarin ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst een alternatieve bevoegdheidsgrondslag is neergelegd. Primair omdat de geldlening is te beschouwen als het verstrekken van een dienst door [naam] in de zin van sub b van deze bepaling. [naam] verstrekte het geld en woonde destijds in Nederland, aldus [gezamenlijke eisers] . Subsidiair omdat (het kwijtschelden van) de uit de geldlening voortkomende verbintenis tot terugbetaling door [naam verweerster] naar Nederlands recht moet worden beoordeeld en gelet op 6:116 BW in Nederland moet worden uitgevoerd.
2.7.
De in 2.5. bedoelde vorderingen in de hoofdzaak zien naar Nederlands recht niet op een verbintenis uit overeenkomst maar op een verbintenis die uit de wet ontstaat na rechtsgeldige vernietiging, in of buiten rechte, van een tot de overeenkomst leidende rechtshandeling. Het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in artikel 7 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-verordening moet echter autonoom worden uitgelegd. Ter vaststelling van rechtsmacht mag ook het bestaan van de aan de overeenkomst ten grondslag liggende elementen worden beoordeeld, waarbij in dit geval met name het gestelde wilsgebrek bij het aangaan van de overeenkomst van schenking van belang is. Tussen de gestelde aanspraak op terugbetaling en de contractuele verbondenheid van [naam] en [naam verweerster] bestaat bovendien oorzakelijk verband in die zin dat zonder overeenkomst van schenking geen betaling zou hebben plaatsgevonden dus ook niet de gestelde aanspraak op terugbetaling zou zijn ontstaan. De vorderingen in de hoofdzaak zijn daarom te beschouwen als vorderingen ter zake van verbintenissen uit overeenkomst. Rechtsmacht komt in dit geval toe aan de rechter van de plaats van uitvoering van de schenkingsovereenkomst volgens artikel 7 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-verordening en dus niet van de plaats van uitvoering van de verplichting tot terugbetaling waarop [gezamenlijke eisers] zich beroept. Vergelijk HvJ EU 20 april 2016, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016/468, met name randnummers 52 tot en met 58.
2.8.
De overeenkomst van schenking betreft niet de koop en verkoop van onroerende zaken of de verstrekking van diensten. Wat dit laatste betreft is van belang dat het begrip diensten op zijn minst inhoudt dat de partij die ze verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht. Vergelijk HvJ EG 23 april 2009, ECLI:EU:C:2009:257, NJ 2013/285, specifiek randnummer 29. Van een dergelijke vergoeding is bij schenking geen sprake. De plaats van uitvoering is dus niet in artikel 7 aanhef en lid 1 onder b van de Herschikte EEX-verordening voorgeschreven, zodat gelet op sub c van deze bepaling sub a van deze bepaling van toepassing is.
2.9.
Dan is de vraag bij de uitvoering van welke verbintenis uit de overeenkomst van schenking moet worden aangesloten. In de rede ligt daarvoor de kenmerkende prestatie van deze overeenkomst te nemen. Advocaat-Generaal Y. Bot concludeert daartoe in randnummers 83 tot en met 86 van zijn conclusie voor het hiervoor onder 2.7. bedoelde arrest. Zie ECLI:EU:C:2015:274. Dit is bovendien in lijn met artikel 10 lid 1 j° artikel 4 leden 1 en 2 van de Rome I-Verordening (nr. 593/2008) en met het destijds geldende artikel 8 lid 1 j° artikel 4 leden 1 en 2 van het EVO-Verdrag (Trb. 1980, 156), waarin is voorgeschreven dat het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst, zoals [gezamenlijke eisers] hier ter discussie stelt, wordt beheerst door het recht dat toepasselijk zou zijn indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn, hetgeen bij gebreke van rechtskeuze of een bijzondere overeenkomst het recht is van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft.
2.10.
De kenmerkende prestatie van een overeenkomst van schenking is de prestatie die om niet wordt verricht, in dit geval dus de betaling van een geldsom. Naar Nederlands recht moet de betaling worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser (artikel 6:116 lid 1 BW), dus in dit geval worden uitgevoerd aan de woonplaats destijds van [naam verweerster] . Naar Belgisch recht moet de betaling worden gedaan ter woonplaats van de schuldenaar (artikel 1247 Burgerlijk Wetboek), dus in dit geval aan de woonplaats destijds van [naam] . Voor het bepalen van de plaats waar de betaling is uitgevoerd dient daarom eerst te worden vastgesteld welk recht de overeenkomst van schenking beheerst. Aan de hand van dat recht moet worden bepaald waar [naam] destijds heeft betaald. In dit verband geldt het volgende.
2.11.
Getoetst moet worden aan de hand van het destijds geldende EVO-Verdrag. Gesteld noch gebleken is dat in de overeenkomst een rechtskeuze is gemaakt. Dan wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden en wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land. Zie artikel 4 leden 1, 2 en 5 EVO-Verdrag. De kenmerkende prestatie bij schenking wordt verricht door de schenker en niet door de begiftigde. De overeenkomst wordt dan ook in beginsel beheerst door het recht van de toenmalige gewone verblijfplaats van [naam] .
2.12.
Het begrip gewone verblijfplaats moet hier feitelijk worden opgevat. Daaronder wordt begrepen de plaats waar een persoon daadwerkelijk en met enige duurzaamheid verblijft of waar het zwaartepunt van zijn maatschappelijk leven ligt. Daarbij komt ook betekenis toe aan de intentie van de betrokkene.
2.13.
[naam] verbleef in 2005 op meerdere plaatsen. In zijn [woonplaats] , verbleef hij alleen tijdens vakanties. Daar had hij dan ook niet zijn gewone verblijfplaats. Verder verbleef [naam] destijds afwisselend in [woonplaats] , waar hij een appartement bezat, in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven, bankierde, werkte en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, en in [woonplaats] , in de woning annex tandartspraktijk van [naam verweerster] , waar [naam] eigen kledingkasten, een eigen studeerkamer en een grote kamer in de praktijk tot zijn beschikking had.
Dictum
De rechtbank
in het incident
3.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
3.2.
veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de kosten van het incident, aan de zijde van [naam verweerster] tot op heden begroot op € 543,00,
3.3.
veroordeelt [gezamenlijke eisers] tevens in de nakosten, aan de zijde van [naam verweerster] bepaald op € 157,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 82,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,
3.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.5.
veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [naam verweerster] tot op heden begroot op € 1.565,00
3.6.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2019.