Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2018-10-10
ECLI:NL:RBGEL:2018:4605
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/2645
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser] en [eiser] , [eiser] en [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser] ,
te [woonplaats], eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het herbestraten van de Achterstraat ter hoogte van huisnummers 2 tot en met 36 te Culemborg.
Bij besluit van 9 april 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering van het besluit.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Verschenen zijn [eiser] en [eiser] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Veenendaal, C. Huurman en S.A. Veersema.
Overwegingen
1. De Achterstraat ligt in het beschermde stadsgezicht van Culemborg en is bestraat met zogenaamde “hardgebakken waaltjes”. De gemeente Culemborg heeft het voornemen om diverse straten in het centrum opnieuw in te richten. De gemeente heeft daarom op 10 mei 2017 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.
Deze aanvraag ziet op het herbestraten van de Achterstraat met nieuwe klinkers van het type “gebakken klinker dikformaat keperverband (Wienerberger Porto)” en het aanleggen van voetgangersstroken aan weerszijden van de Achterstraat met klinkers van het type “gebakken klinker waalformaat halfsteensverband (Wienerberger Porto)”.
2. In het bestemmingsplan “Binnenstad” is ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het stadsgezicht aan het gebied de dubbelbestemming “Waarde - Beschermd Stadsgezicht” toegekend. De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor de bescherming van het beschermde stadsgezicht.
Voor het herbestraten en het herinrichten van de openbare ruimte is een omgevingsvergunning vereist op grond van artikel 25.4.1 van de planregels.
Uit artikel 25.4.3 volgt dat deze omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht.
Op grond van artikel 25.4.4 wordt deze omgevingsvergunning niet verleend dan nadat het college daarover een advies heeft ingewonnen bij de monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht.
3. Op 31 augustus 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 25.4.1 van de regels van het bestemmingsplan.
Diverse omwonenden uit de Achterstraat, de Tollenstraat en de Korte Meent hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het college heeft in de beslissing op bezwaar de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Daarom hebben de omwonenden beroep ingesteld bij de rechtbank.
Ontvankelijkheid beroep omwonenden
4.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het beroep moet zij ambtshalve – dat wil zeggen ongeacht of dit door partijen is aangevoerd – beoordelen of het beroep van (alle) eisers ontvankelijk is.
4.2.
Uit artikel 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat het beroepschrift de namen van de indiener(s) van het beroep moet bevatten.
4.3.
Het beroep is (tijdig) ingediend door [eiser] . Haar beroep is ontvankelijk.
In het beroepschrift staat daarnaast dat het beroep mede namens de bewoners van de Achterstraat en die van de Tollenstraat is ingediend. In het beroepschrift staat echter niet namens welke bewoners beroep wordt ingesteld. Pas buiten de beroepstermijn van zes weken zijn de namen en machtigingen van de overige eisers overgelegd.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) moet binnen de beroepstermijn vaststaan wie beroep heeft ingesteld. Het niet kenbaar zijn van de identiteit van de personen die beroep willen instellen is geen vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 29 augustus 2000 (ECLI:NL:RVS:2000:AM2331) en 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2031).
Omdat de namen van de overige indieners van het beroep niet binnen de beroepstermijn zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat hun beroep niet-ontvankelijk is. Binnen de beroepstermijn had in ieder geval kenbaar moeten worden gemaakt welke bewoners beroep in wilden stellen. Zoals de Afdeling in de bovenstaande uitspraken heeft overwogen is het buiten de beroepstermijn overleggen van namen en machtigingen te laat.
4.5.
Omdat het beroep van eiseres [eiser] wel ontvankelijk is, zal de rechtbank hierna ingaan op de beroepsgronden.
Aantasting beschermd stadsgezicht
5.1.
Het college heeft overwogen dat de huidige bestrating een hoog beschadigingspercentage kent. Het is volgens het college niet mogelijk om de hoeveelheid afgekeurde stenen te vervangen door stenen in dezelfde vorm en kleur, en daarnaast zijn de stenen vrij glad en bieden onvoldoende stroefheid bij regen en winterse omstandigheden. Ook dient de hoeveelheid te leggen stenen als gevolg van Arbo-regelgeving mechanisch gelegd te worden, wat bij de huidige stenen niet mogelijk is. Volgens het college streeft de gemeente naar een eenduidig beeld voor de binnenstad en wil zij ongewenste diversiteit voorkomen.
Conform artikel 25.4.4 van de regels van het bestemmingsplan is advies ingewonnen bij de monumentencommissie. De monumentencommissie heeft - nadat de drempelmarkering is gewijzigd naar gebouchardeerde Portugees hardsteen waardoor de steen minder wit overkomt dan de eerder voorgestelde steen - op 31 juli 2017 positief geadviseerd met een stempeladvies.
5.2.
Eiseres betoogt dat de huidige inrichting met hardgebakken waaltjes en “Culemborgse keien” als bestrating behouden moet blijven, omdat deze straatstenen destijds in de steenfabriek van Culemborg zijn gemaakt en recht doen aan het 19e-eeuwse karakter van de Achterstraat. Volgens eiseres hoort een moderne klinker niet in het beschermde stadsgezicht.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de vergunningplicht voor de herbestrating en herinrichting voortvloeit uit de dubbelbestemming die is opgenomen ter bescherming van het stadsgezicht van Culemborg. Uit artikel 25.4.3 van de planregels volgt dat het college dient te beoordelen of door de herbestrating en herinrichting geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze (mogelijke) afbreuk aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht onvoldoende onderzocht. Uit het besluit blijkt niet dat onderzoek is gedaan naar de historische waarde van de bestrating in de Achterstraat. Omdat onduidelijk is wat de historische waarde van de stenen is, kan ook niet worden vastgesteld of het vervangen van deze stenen (onevenredige) afbreuk doet aan het stadsgezicht. Ook het advies van de monumentencommissie bevat geen motivering op dit punt.
De beroepsgrond slaagt.
6. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en dat aan het besluit geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt (artikel 7:12 en 3:2 van de Awb).
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Het college dient onderzoek te verrichten naar de historische waarde van de bestrating. Deze historische waarde is bijvoorbeeld terug te vinden in het besluit tot aanwijzing van het centrum van Culemborg als beschermd stadsgezicht door de Minister in zijn besluit van 8 november 1977.
In dat kader dient de monumentencommissie ook om een nieuw advies te worden gevraagd.
De rechtbank wijst partijen erop dat indien de vervanging van de bestaande stenen geen onevenredige afbreuk doet aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht, dat de omgevingsvergunning dan moet worden verleend. Dit is namelijk het toetsingskader voor de vergunning op grond van artikel 25.4.3 van de planregels.
Dictum
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.