Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2018-07-06
ECLI:NL:RBGEL:2018:3002
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,921 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: 18/32
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2018
in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [bewindvoerder] ),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO), te Groningen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 augustus 2017 een tegemoetkoming scholieren toegekend.
Bij besluit van 22 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. E.H.A. van den Berg.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is op [geboortedatum] 2016 18 jaar oud geworden. Eiser volgt een opleiding op een ZMLK-school in het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Op 14 oktober 2017 heeft eiser een aanvraag tegemoetkoming scholieren ingediend op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Hierop is de besluitvorming gevolgd zoals omschreven in het procesverloop.
2. Verweerder heeft, gelet op de datum van de aanvraag, de tegemoetkoming scholieren toegekend met ingang van het begin van het schooljaar waarin de aanvraag is gedaan, te weten 1 augustus 2017. Verweerder heeft geen reden gezien om met toepassing van de hardheidsclausule de tegemoetkoming scholieren te verlenen met ingang van een eerdere datum, zoals eiser wenst.
3. Eiser stelt dat hij vanaf zijn 18e jaar recht heeft op een tegemoetkoming scholieren, zodat de tegemoetkoming scholieren met terugwerkende kracht met ingang van 1 augustus 2016 in plaats van 1 augustus 2017 had moeten worden toegekend. Eiser stelt dat verweerder dat in ieder geval had moeten doen met toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe voert hij aan dat door de gebrekkige informatievoorziening van verweerder over de regeling van de tegemoetkoming scholieren en door zijn verstandelijke beperking het niet aan hem is toe te rekenen dat hij de tegemoetkoming scholieren niet eerder heeft aangevraagd. Hij is pas op
14 oktober 2017 bij de aanvraag tegemoetkoming scholieren van zijn zus per toeval erachter gekomen dat er ook recht op een tegemoetkoming scholieren bestaat bij een opleiding in het VSO. Hij heeft daarop meteen de aanvraag ingediend.
4. Op grond van artikel 4.10, tweede lid, WTOS wordt de tegemoetkoming scholieren niet toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Op grond van de Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van
17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178035, inzake de ‘Opheffing terugwerkende kracht Hoofdstuk 4 WTOS’ op grond van artikel 11.4 WTOS (de hardheidsclausule) kan in afwijking van artikel 4.10, tweede lid, WTOS de tegemoetkoming scholieren worden toegekend met terugwerkende kracht tot en met de eerste dag van het desbetreffende schooljaar.
5. Het vorengenoemde beleid dient naar het oordeel van de rechtbank als buitenwettelijk begunstigend beleid te worden aangemerkt. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat slechts wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
Hiervan uitgaande moet worden vastgesteld dat de besluitvorming van verweerder in overeenstemming is met het door hem gevoerde beleid. De aanvraag is op 14 oktober 2017 ingediend, zodat verweerder de tegemoetkoming scholieren conform het beleid terecht heeft toegekend met ingang van 1 augustus 2017.
6. Op grond van artikel 11.4 WTOS kan verweerder voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat in het onderhavige geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat met toepassing van deze hardheidsclausule eiser in afwijking van de toepasselijke regelgeving de tegemoetkoming scholieren wordt toegekend met ingang van een eerdere datum dan 1 augustus 2017. De rechtbank is het met eiser eens dat de informatievoorziening van verweerder over de regeling inzake de tegemoetkoming scholieren voor het VSO, zoals de informatie die is te vinden op de website van DUO en in de standaardbrief die aan alle 17-jarigen wordt verstuurd door de Belastingdienst en DUO, niet duidelijk is. In de opsomming van opleidingen die recht geven op een tegemoetkoming scholieren staat het VSO niet vermeld. De rechtbank begrijpt dat hierdoor bij eiser verwarring bestond of hij met zijn VSO-opleiding wel recht had op een tegemoetkoming scholieren vanaf zijn 18e jaar. Echter, voorop staat de eigen verantwoordelijkheid van een betrokkene om tijdig informatie in te winnen over de regelingen waarvan men gebruik wenst te maken en om vervolgens tijdig een aanvraag in te dienen. Voor zover eiser, door zijn gestelde verstandelijke beperking, zelf niet voldoende in staat was om zijn belangen te behartigen en zich in kennis te stellen van de juiste informatie, had het op de weg van eiser gelegen om iemand anders in te schakelen om dat namens hem te doen. Eiser heeft dat nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in staat was om iemand anders in te schakelen om zijn belangen te behartigen. De gevolgen daarvan komen dan ook voor zijn eigen rekening en risico. Dit betekent dat het beroep van eiser op de hardheidsclausule faalt.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:100.