Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-12-18
ECLI:NL:RBGEL:2017:6500
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/4787 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. van Gilst), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen , verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Bij besluit van 7 januari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de Omgevingsdienst Regio Arnhem (hierna: ODRA) het handhavingsverzoek in behandeling neemt, waarbij niet alleen gekeken dient te worden naar geuroverlast van afzuiginstallaties maar ook naar geluidsoverlast. Bij uitspraak van 14 april 2016 (zaaknummer 16/460) heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 7 januari 2016 gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover daarbij is nagelaten te beslissen over het al dan niet inwilligen van het verzoek om handhaving. Verweerder is opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak te beslissen over het al dan niet inwilligen van het verzoek om handhaving. Bij afzonderlijke besluiten van 4 mei 2016 heeft verweerder lasten onder dwangsom opgelegd aan [restaurants] en [restaurants] restaurant. Bij besluit van 27 juni 2016 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin het bezwaar van eiser gegrond is verklaard. De besluiten van 4 mei 2016 en 27 juni 2016 vormen tezamen het besluit op bezwaar (bestreden besluit). Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als deskundige heeft hij meegenomen F. de Bree, directeur van Buro Blauw. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G. Blasweiler en mr. Y.M.Y. van den Berg. Overwegingen 1. De wettelijke bepalingen die de rechtbank in deze uitspraak noemt, zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser woont in een appartement aan de [adres] in [woonplaats] . Hij heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de geur- en geluidoverlast die hij ondervindt van de afzuiginstallaties van de onder het appartementencomplex gevestigde restaurants [restaurants] en [restaurants] Eiser woont op de bovenste verdieping van het appartementencomplex. De afvoer van de afzuiginstallaties vindt plaats op het dak van het complex, direct boven het appartement van eiser. Bij besluit van 4 mei 2016 is een last onder dwangsom aan restaurant [restaurants] opgelegd met betrekking tot geur en geluid. Bij besluit van diezelfde datum is ook een last onder dwangsom aan restaurant [restaurants] opgelegd met betrekking tot geluid. 2. Voor zover het beroep is gericht tegen de door restaurant [restaurants] veroorzaakte geluidsoverlast, overweegt de rechtbank dat ter zitting is vast komen te staan dat [restaurants] is gesloten. Dat betekent dat eiser met een behandeling van zijn beroep niet meer kan bereiken wat hij met het instellen van beroep heeft beoogd, te weten het verminderen van geluidsoverlast. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover dat gericht is tegen de aan [restaurants] opgelegde last. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9815. Eiser kan op zich worden gevolgd dat dat anders was geweest als in het besluit was opgenomen dat de last ook van toepassing is ten aanzien van een eventuele rechtsopvolger. Maar in de last is dat niet opgenomen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank enkel nog de aan [restaurants] opgelegde last zal beoordelen. Geur [restaurants] 3. Eiser betoogt dat, ondanks dat [restaura Eiser betoogt in dat verband dat het geluidsonderzoek van de ODRA niet op de juiste wijze is uitgevoerd omdat op het verkeerde moment van de dag is gemeten. Verweerder heeft daarom niet kunnen concluderen dat aan de last is voldaan. 4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [restaurants] de overtredingen heeft beëindigd door aanpassingen aan de installatie zodat wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Activiteitenregeling milieubeheer en de Wet milieubeheer. 4.2. In het geluidonderzoek van de ODRA van 20 juli 2016 is aangegeven dat bij het in- en uitschakelen van de ventilator van [restaurants] geen aan deze inrichting toe te rekenen significante verandering van het geluidsniveau is vastgesteld. Toetsing aan de NSG-curve en Vercammencurve is om die reden niet uitgevoerd. Daarbij is aangegeven dat met een geluidmeting in een stillere periode mogelijk wel een significante geluidbijdrage van [restaurants] kan worden vastgesteld. In de reactie van Peutz van 26 juli 2016 op de meetresultaten van de ODRA geeft Peutz aan wel degelijk een significante verhoging van het geluid vastgesteld te hebben waardoor sprake is van een overschrijding van de NSG-richtlijn met circa 14 dB. Peutz adviseert om de ODRA nieuwe geluidmetingen te laten verrichten op een tijdstip in de avondperiode waarbij sprake is van lagere achtergrondgeluidniveaus, zodat de ODRA ook de bijdrage vanwege [restaurants] beter kan vastleggen (en op basis daarvan [restaurants] maatregelen treft ter reductie van het geluid). De rechtbank is op grond van de reactie van Peutz van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat sprake is van een overschrijding van de NSG-richtlijn en de Vercammencurve. Verweerder heeft dat in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende onderzocht. De beroepsgrond slaagt daarom. Het bestreden besluit komt voor wat betreft [restaurants] ook hierom voor vernietiging in aanmerking. Conclusie 5. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de gebreken herstelbaar zijn binnen deze procedure, al dan niet na het doorlopen van een bestuurlijke lus. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Niet alleen valt niet te overzien op welke termijn verweerder duidelijkheid kan geven over een op te leggen maatwerkvoorschrift in verband met de geuroverlast. Ook valt niet met zekerheid te zeggen wanneer het aanvullende geluidonderzoek kan worden gedaan. De rechtbank zal daarom volstaan met vernietiging van het bestreden besluit, voor zover dat ziet op [restaurants] . Verweerder wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Concreet moet verweerder onderzoeken of een maatwerkvoorschrift kan worden opgelegd voor wat betreft de geurhinder. Verder moet verweerder een nader geluidsonderzoek doen. Op grond van de resultaten uit dat onderzoek, moet verweerder vervolgens beoordelen of al dan niet aanleiding bestaat handhavend op te treden tegen het geluid van [restaurants] . 6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt voor de inzet van deskundigen. Die kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs gemaakt en op zichzelf ook redelijk. Het betreft de volgende kosten: € 960,58 conform de declaratie van Peutz van 25 oktober 2016, € 629,20 conform de factuur van Blauw van 26 september 2017 en € 786,50 conform de factuur van Blauw van 11 oktober 2017. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen [restaurants], niet-ontvankelijk; verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen [restaurants] , gegrond