Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-12-12
ECLI:NL:RBGEL:2017:6370
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: 16/5841 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen [eiseres] te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem te Doetinchem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 27 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden (‘Ondersteuning thuis – schoon huis’) voor 4 uur per week over de periode vanaf 2 juli 2015 tot en met 1 juli 2017 toegekend. Bij herzien besluit van 15 juni 2016 heeft verweerder aan eiseres een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden (‘Ondersteuning thuis – schoon huis’) voor 5 uur per week over de periode vanaf 20 juni 2016 tot en met 1 juli 2017 toegekend. Bij besluit van 23 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het herziene besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.J. van der Klok en T.I. Gerritsen. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres had aanvankelijk een indicatie voor huishoudelijke hulp. Vanwege een ziekenhuisopname vanaf eind 2014 tot 19 juni 2015 is deze indicatie stopgezet. Op 2 juli 2015 heeft eiseres een gesprek gehad met de buurtcoach. In het gespreksverslag staat – voor zover van belang – het volgende. (…) Mw. wil haar PGB weer aanvragen. HH1 5 uur per week. (…) Op 12 augustus 2015 heeft eiseres een gesprek gevoerd met de buurtcoach en [naam] , teamleider Zorgplein. In het gespreksverslag staat – voor zover van belang – het volgende. (…) Lichamelijke gezondheid Cliënt is bekend met posttraumatische dystrofie aan linkerhand en voeten. (…) Daarnaast is er sprake van overbelasting aan de rechterhand en ervaart ze pijnklachten in haar knieën. (…) Cliënt is bekend met hartritmestoornissen. (…) Cliënt is bekend met COPD. (…) Cliënt is bekend met het Guillain-Barré Syndroom. (…) (…) Mobiliteit Cliënt is hedendaags beperkt in haar mobiliteit. (…) Zorg voor jezelf en voor het huishouden Cliënt heeft indicatie voor zeven uur persoonlijke verzorging. (…) Cliënt wil graag vijf uur per week huishoudelijke ondersteuning ontvangen voor zowel de licht, als zwaar huishoudelijke taken. Cliënt legt uit (…) helemaal geen huishoudelijke taken te kunnen verrichten. (…) Conclusie De WMO aanvraag wordt in behandeling genomen. Op 26 augustus 2015 is een rapport (‘het keukentafel-gespreksverslag’) opgesteld door verweerder. In het rapport staat – voor zover van belang – het volgende. (…) Advies Ondersteuning Thuis – Schoon huis X Schoonmaken zware taken (keuken, badkamer en toilet). PGB (…) Soort dienst Uren/dagdeel Met ingang van Tot en met (…) Ondersteuning thuis- 4 uur per week 2 juli 2015 1 juli 2017 Schoon huis Rapport Op 12 augustus 2015 heeft er bij cliënt een huisbezoek plaatsgevonden. (…) Naar aanleiding van dit huisbezoek is de situatie van cliënt uitgebreid in kaart gebracht. (…) Motivering van de maatwerkvoorziening De maatwerkvoorziening (…) sluit aan bij de zorgbehoefte van cliënt, aangezien zij ondersteuning behoeft bij het verrichten van de huishoudelijke taken. Er is extra tijd geïndiceerd voor zowel de licht huishoudelijke taken, als de wasverzorging. (…) Waaruit bestaat de ondersteuning? Bij het vaststellen van de indicatie voor ondersteuning thuis – schoon huis wordt de nadruk gelegd op de zware huishoudelijke taken en is hygiëne het uitgangspunt. Onder zware taken verstaan wij onder andere het schoonmaken van de badkamer, keuken en sanitair. De vastgestelde tijd voor ondersteuning thuis de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. Artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat, indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Artikel 2.3.8, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6. Het derde lid bepaalt dat de cliënt verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 6. De rechtbank overweegt als volgt. Bij een (vervolg-)aanvraag rust op verweerder de verplichting om het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 uit te voeren. Dit onderzoek dient als grondslag voor de aanvraag voor een maatwerkvoorziening bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015. Bij het onderzoek heeft de cliënt de gelegenheid zijn behoeften en voorkeuren kenbaar te maken. Daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank ook de beoogde omvang van de te verstrekken maatwerkvoorziening, i.c. de huishoudelijke hulp. Immers, verweerder zal niet meer hulp hoeven te verstrekken dan door de cliënt wordt gewenst. In de gespreksverslagen van 2 juli 2015 en 12 augustus 2015 en het rapport van het ‘keukentafel-gesprek’ van 26 augustus 2015 heeft verweerder, op basis van het in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken met eiseres, vastgelegd wat volgens hem de behoefte van eiseres aan huishoudelijke hulp is, te weten 5 uur. Eiseres heeft