Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-12-04
ECLI:NL:RBGEL:2017:6196
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 06/921004-08 Datum uitspraak : 4 december 2017 Tegenspraak vonnis van de meervoudige economische kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] , gevestigd aan [adres] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door [Vertegenwoordiger van de B.V.] (hierna: [Vertegenwoordiger van de B.V.] ), geboren op [geboortedatum] . Raadsman: mr. C.A. Boeve, advocaat te Putten. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2017. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 t/m 8 juli 2008 in de gemeente Putten, terwijl aan [naam B.V. 1] door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland bij besluit van 30 juni 2005 een vergunning krachtens de "Wet milieubeheer" was verleend tot het in de gemeente Putten aan of nabij de [straatnaam] te Putten oprichten en in werking hebben van een (afvalstoffen)inrichting als bedoeld in categorie 28 van bijlage I van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlage I van voornoemd besluit, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, aangezien - niet vergunde afvalstoffen, te weten slib dat lijm en kit bevatte (geclassificeerd als 08 04 14) en/of afval van industriële kaarsen, werden op- en/of overgeslagen en/of be- en/of verwerkt (vergunningvoorschrift 9.5.1); 2. verdachte op of omstreeks 25 maart 2008 en/of 16 mei 2008, althans op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 t/m 8 juli 2008, in de gemeente Putten en/of IJsselstein, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich opzettelijk heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten een afvalmengsel en/of vetresidu, door afgifte aan " [naam bedrijf] ", terwijl dit bedrijf niet bevoegd was die afvalstof(fen) in te zamelen en/of te verwerken en/of nuttig toe te passen en/of te verwijderen. 1a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie [verdachte] was ten tijde van het ten laste gelegde bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onder Kamer van Koophandel-nummer [nummer 1] (hierna: [verdachte] ( [nummer 1] )). De bedrijfsomschrijving luidde: ‘De inzameling en/of handel in organische rest- en afvalstoffen’. Uit het dossier volgt dat de statutaire naam [verdachte] ( [nummer 1] ), na de ten laste gelegde periode, op 30 oktober 2008, is veranderd in [naam B.V. 2] Het Kamer van Koophandel-nummer is daarbij onveranderd, maar de bedrijfsomschrijving werd: ‘Het verkrijgen, vervreemden, bezwaren en exploiteren van roerende en onroerende zaken, effecten en schuldvorderingen. [Vertegenwoordiger van de B.V.] is sinds 15 juni 2005 bestuurder van [naam B.V. 2] en is sinds 1 juli 2005 vertegenwoordigingsbevoegd. Op 30 oktober 2008 heeft ook een statutenwijziging plaatsgevonden van de vennootschap [naam B.V. 3] , waarbij de naam van deze vennootschap werd gewijzigd in [verdachte] Als Kamer van Koophandel-nummer stond vermeld: [Nummer] (hierna: [verdachte] ( [Nummer] )). Op 1 december 2008 werd de bedrijfsomschrijving ‘het uitoefenen van een varkensmesterij’ veranderd in ‘de inzameling en/of handel in organische rest- en afvalstoffen’. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [verdachte] ( [Nummer] ) staat als oprichtingsdatum: 30 mei 1997. Sinds 30 oktober 2008 is [naam B.V. 2] (waar [Vertegenwoordiger van de B.V.] bestuurder van is) enig aandeelhouder van [verdachte] ( [Nummer] ). Het Openbaar Ministerie heeft [verdachte] ( [Nummer] ) gedagvaard. De zaak is voor het eerst op 25 februari 2014 ter terechtzitting onderzocht. Op diezelfde datum heeft de rechtbank Gelderland het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard, nu zij va - Het slib dat lijm en kit bevatte werd telkens in een opslagtank op het terrein van [verdachte] gemengd met diverse andere afvalstoffen die bij [verdachte] binnenkwamen. - Bij beschikking van 30 juni 2005 is door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland krachtens de Wet Milieubeheer (hierna: Wm) een vergunning verleend aan [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ), gevestigd aan de [straatnaam] in Putten. De vergunning is verleend ten behoeve van het op- en overslaan van organische afvalstoffen, het (voor)bewerken van organische afvalstoffen en voor ondersteunende activiteiten binnen de inrichting. De vergunning is afgegeven voor een periode van 10 jaren. In vergunningsvoorschrift 9.5.1. is opgenomen op welke afvalstoffen (en welke Euralcodes) de vergunning uitsluitend betrekking heeft. - Het opslaan, het overslaan, het bewerken en het verwerken van afvalstoffen met Euralcode 08 04 14 binnen de inrichting is in vergunningsvoorschrift 9.5.1 niet vergund. - Op 11 december 2006 is namens de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een brief gestuurd naar [verdachte] , t.a.v. [Vertegenwoordiger van de B.V.] , waarin staat dat akkoord wordt gegaan met het per 20 november 2006 overgaan van de milieuvergunning van 30 juni 2005 van [naam B.V. 1] naar [verdachte] De rechtbank stelt vast dat de vergunning vanaf 20 november 2006 is overgegaan op [verdachte] Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode opzettelijk heeft gehandeld in strijd met haar vergunning. De vennootschap heeft opzettelijk een afvalstroom met Euralcode 08 04 14 en industriële kaarsen ontvangen en binnen de inrichting gebracht, terwijl dit op grond van de vergunning niet mocht. De officier van justitie heeft gewezen op diverse bewijsmiddelen uit het dossier. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de vergunning. [verdachte] nam de afvalstroom met Euralcode 08 04 14 al in toen [Vertegenwoordiger van de B.V.] bestuurder werd. Toen [Vertegenwoordiger van de B.V.] bestuurder werd, wist hij niet dat Euralcode 08 04 14 niet vergund was. Hij hoefde dat niet te weten en kon dat niet weten. Als al opzettelijk is gehandeld, kan niet worden bewezen dat de strafbare feiten door de huidige [verdachte] ( [Nummer] ) zijn begaan. Niet alle activiteiten van [verdachte] ( [nummer 1] ) werden overgenomen door [verdachte] ( [Nummer] ). Een deel ging over naar [naam B.V. 2] en een groot deel naar [naam B.V. 5] De aard en samenstelling van de bij [verdachte] aangetroffen kaarsen is niet vastgesteld. Daarom kan niet worden bewezen dat het om industriële kaarsen gaat en dat [verdachte] de kaarsen op grond van de vergunning niet binnen de inrichting mocht brengen. Gelet op het voorgaande heeft de raadsman de rechtbank verzocht om [verdachte] integraal vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. De beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van afvalstroom met Euralcode 08 04 14 [naam B.V. 1] had als bedrijfsomschrijving: ‘De inzameling en recycling van organische rest- en afvalstoffen t.b.v. non-food/non-feed eindverwerkers’. Zoals is vastgesteld, is op 30 juni 2005 door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland krachtens de Wm een vergunning afgegeven aan [naam B.V. 1] Deze vergunning is op 30 juni 2004 door [naam B.V. 1] aangevraagd. In de aanvraag wordt met betrekking tot de specifieke door [naam B.V. 1] verzochte te accepteren en te verwerken afvalstoffen verwezen naar de bij de aanvraag gevoegde bijlage 12.1. In bijlage 12.1 staan afvalstoffen met Euralcode 08 04 14 niet genoemd. In de op 30 juni 2005 aan [naam B.V. 1] verleende vergunning worden exact dezelfde Euralcodes vergund als door [naam B.V. 1] zijn verzocht. Door [naam B.V. 1] is het – kort gezegd – binnen de inrichting brengen van afvalstoffen met Euralcode 08 04 14 dus niet aangevraagd. Evenmin is het op- en overs Van een feitelijk leidinggevende van een bedrijf dat zich structureel bezighoudt met de inzameling en handel van afvalstoffen, mag worden verwacht dat hij minst genomen nagaat welke activiteiten de vennootschap in dit kader mag verrichten en dat hij erop toeziet dat in overeenstemming met de vergunning wordt gehandeld, zeker waar het gaat om de acceptatie van afvalstoffen. De rechtbank is van oordeel dat [Vertegenwoordiger van de B.V.] door – naar eigen zeggen – niet naar de (inhoud van de) milieuvergunning te kijken, terwijl hij bestuurder was van de vennootschap en wist dat structureel afvalstoffen met Euralcode 08 04 14 binnen de inrichting van [verdachte] werden gebracht, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in strijd met een vergunningsvoorwaarde werd gehandeld. De rechtbank oordeelt aldus dat bij [Vertegenwoordiger van de B.V.] ten minste sprake was van voorwaardelijk opzet op het overtreden van een vergunningsvoorschrift.[Vertegenwoordiger van de B.V.] was binnen [verdachte] belast met de feitelijke leiding en was degene die binnen de vennootschap ging over een kernactiviteit van [verdachte] , namelijk de acceptatie van afvalstoffen. De rechtbank is gelet hierop, in samenhang bezien met al het voorgaande, van oordeel dat het voorwaardelijk opzet van [Vertegenwoordiger van de B.V.] aan [verdachte] kan worden toegerekend. Zij is dan ook van oordeel dat bij [verdachte] ten minste sprake was van voorwaardelijk opzet op het overtreden van vergunningsvoorschrift 9.5.1. Binnen [verdachte] zijn de afvalstoffen met Euralcode 08 04 14 vanuit vrachtauto’s in opslagtanks gepompt en vervolgens in die tanks opgeslagen. In deze tanks zijn afvalstoffen van verschillende herkomst, met verschillende Euralcodes en/of met verschillende benamingen (zoals blijkt uit de tanklijsten, waarvan de relevante delen zijn opgenomen in het dossier) met elkaar vermengd door ze samen te brengen in dezelfde tank, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank als het bewerken van de afvalstoffen moet worden beschouwd. [verdachte] heeft daarmee niet vergunde afvalstoffen overgeslagen, opgeslagen en bewerkt. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde in zover bewezen. Nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te kunnen stellen dat [verdachte] het feit met een ander of anderen heeft medegepleegd, zal de vennootschap ten aanzien van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Ten aanzien van de aangetroffen kaarsen Op 8 juli 2008 zijn bij een doorzoeking van het vestigingsadres van [verdachte] twee containers (kliko’s) met kaarsen aangetroffen. [Vertegenwoordiger van de B.V.] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij denkt dat restaurants zich hebben ontdaan van de kaarsen door de kaarsen bij het afval te gooien en dat de inhoud van de twee kliko’s is ingezameld bij een inzamelingsroute langs die restaurants. Volgens de verbalisant die de kaarsen aantrof, leken het kaarsen die fabrieksmatig geproduceerd worden ( opmerking rechtbank: industriële kaarsen ). De rechtbank constateert echter dat geen onderzoek is gedaan naar de samenstelling van de kaarsen, waardoor de werkelijke aard en samenstelling daarvan niet kan worden vastgesteld. Op grond van het dossier en de verklaring van [Vertegenwoordiger van de B.V.] ter terechtzitting, kan evenmin worden vastgesteld dat de kaarsen bewust, en daarmee opzettelijk, door [verdachte] zijn aangetrokken. De kaarsen lagen apart in kliko’s en werden niet zoals andere afvalstoffen binnen de inrichting opgeslagen in grote tanks. Daarbij is niet gebleken dat het inzamelen van kaarsen behoort tot de normale bedrijfsvoering van [verdachte] Gelet op het voorgaande kan, in het licht van het op dit punt zeer summiere dossier, naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat [verdachte] hiermee opzettelijk vergunningsvoorschrift 9.5.1. heeft overtreden. De vennootschap zal ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1] door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland bij besluit van 30 juni 2005 een vergunning krachtens de "Wet milieubeheer" was verleend tot het in de gemeente Putten aan of nabij de [straatnaam] te Putten oprichten en in werking hebben van een (afvalstoffen)inrichting als bedoeld in categorie 28 van bijlage I van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlage I van voornoemd besluit, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, aangezien - niet vergunde afvalstoffen, te weten slib dat lijm en kit bevatte (geclassificeerd als 08 04 14) en/of afval van industriële kaarsen , werden op- en /of overgeslagen en /of bewerkt - en/of verwerkt (vergunningvoorschrift 9.5.1). 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk door een rechtspersoon begaan. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000,--. [verdachte] heeft in strijd met de vergunning afvalstoffen ontvangen. Deze afvalstoffen werden met verschillende andere afvalstoffen gemengd, zonder acht te slaan op de mogelijke risico’s. De vennootschap heeft daarmee niet alleen het eigen personeel, maar ook het personeel van omringende bedrijven in gevaar gebracht. [verdachte] heeft daarnaast afvalstoffen afgegeven aan een biovergister die de afvalstoffen niet mocht ontvangen. Ook hierdoor zijn veiligheidsrisico’s en risico’s voor het milieu en de voedselkwaliteit ontstaan. [verdachte] handelde ten behoeve van zoveel mogelijk financieel gewin. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een voorwaardelijke geldboete op te leggen. [verdachte] verricht geen activiteiten meer en geniet geen inkomsten. De vennootschap heeft een belastingschuld en schulden aan klanten. Het betreft oude feiten uit 2007 en 2008, terwijl pas in 2014 voor het eerst over is gegaan tot vervolging. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 november 2017. De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende. [verdachte] heeft gedurende een periode van anderhalf jaar opzettelijk een vergunningsvoorschrift van de voor haar geldende milieuvergunning overtreden door structureel een niet vergunde afvalstof binnen de inrichting te brengen en daar te mengen met diverse andersoortige afvalstoffen. Deze vergunning, die op basis van de Wm is afgegeven, bestond niet voor niets. Het ongecontroleerd mengen van diverse soorten afvalstromen kan grote risico’s opleveren. De stoffen kunnen op onvoorspelbare wijze met elkaar reageren, wat in potentie kan leiden tot een ontploffing. [verdachte] heeft hiermee haar medewerkers en medewerkers van omringende bedrijven in gevaar gebracht. Daarnaast heeft de vennootschap de milieurisico’s die haar h