Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2017-11-02
ECLI:NL:RBGEL:2017:6086
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/326981 / KG ZA 17-483 / 357/871 Vonnis in kort geding van 2 november 2017 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. H. van Beek-Killi te Arnhem, toevoeging verleend [0XX0000] tegen de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, (mede) kantoorhoudende te Arnhem, gedaagde, advocaat mr. E. Jagt te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eisende partij] en de bank genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 oktober 2017 met producties 1 tot en met 5 de brief van 17 oktober 2017 van de bank met productie 1 de mondelinge behandeling, gehouden op 19 oktober 2017 de pleitaantekeningen van de bank. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisende partij] heeft omstreeks 2000 een bankrekening bij de bank geopend. Op de rekening-courantovereenkomst zijn de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing. 2.2. Op 31 juli 2017 heeft [eisende partij] omstreeks 17.15 uur een bezoek gebracht aan een vestiging van de bank te Arnhem met een vraag omtrent de mogelijkheid om rood te staan op zijn bankrekening. [eisende partij] meende die mogelijkheid te hebben geblokkeerd, maar kort daarvoor was hem gebleken dat hij toch weer rood kon staan. In het bankfiliaal is toen een discussie ontstaan tussen [eisende partij] en twee medewerkers van de bank. 2.3. De bank heeft de bancaire relatie met [eisende partij] bij brief van 3 augustus 2017 beëindigd omdat [eisende partij] op 31 juli 2017 onacceptabel gedrag zou hebben vertoond jegens twee bankmedewerkers. In de brief is [eisende partij] de toegang tot alle kantoren van de bank ontzegd voor de duur van één jaar. 2.4. Verder heeft de bank in voormelde brief aan [eisende partij] meegedeeld dat zijn gegevens voor de duur van acht jaar zijn opgenomen in het Incidentenregister en het Intern Verwijzingsregister (hierna: het IVR). Laatstgenoemd register heeft tot doel om de interne organisatie van de bank, inclusief haar dochterondernemingen, erop te attenderen dat personen een mogelijk risico vormen. 2.5. Tot slot is [eisende partij] bij voormelde brief in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief het saldo van zijn rekening te halen en een andere bank te zoeken voor zijn betalingsverkeer. 2.6. [eisende partij] heeft geen andere bank gezocht. De bank heeft vervolgens de bankrekening van [eisende partij] geblokkeerd. 2.7. De bank is deelnemer aan het incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen. In het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het Protocol) zijn regels vastgelegd ten aanzien van gegevensuitwisseling tussen de aangesloten (financiële) instellingen. In het Protocol is - voor zover van belang - het volgende bepaald: 3Algemeen 3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister 3.1.1. Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident. Dit Incidentenregister is door de betreffende Deelnemer gemeld bij het CBP. Onder verantwoordelijkheid van de Deelnemer treedt Veiligheidszaken op als (sub)beheerder van het Incidentenregister. 3.1.2 Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de Deelnemers, alsmede de Organisatie van de Deelnemers via een Verwijzingsapplicatie en bevat uitsluitend verwijzingsgegevens die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 Protocol door de Deelnemers mogen worden opgenomen. (…) 4 Incidentenregister 4.1 Doel Incidentenregister 4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incide Nu bovendien geen aangifte is gedaan en geen sprake is van een zware verdenking van een strafbaar feit, is opneming van zijn persoonsgegevens in de registers niet geoorloofd en in strijd met de Wet Bescherming Persoonsgegevens, aldus [eisende partij] . 3.3. De bank voert gemotiveerd verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van [eisende partij] . Hij ondervindt hinder en financieel nadeel van zijn geblokkeerde bankrekening, zo stelt hij, omdat automatische afschrijvingen niet meer kunnen plaatsvinden waardoor betalingsachterstanden ontstaan en aanmaningen en boetes oplopen. Daarnaast stelt hij door opname van zijn gegevens in voornoemde registers geen mogelijkheid te hebben om een bankrekening bij een andere bank te openen. 4.2. In deze procedure moet worden beoordeeld of voorshands voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure komt vast te staan dat de bank heeft voldaan aan (I) de voorwaarden voor beëindiging van de rekening-courantovereenkomst en (II) de voorwaarden voor opname van de gegevens van [eisende partij] in het Incidentenregister en het IVR, zoals de bank heeft gedaan. (zie ook: Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2014:4259) Gelet op het voorlopig karakter van de kort geding procedure past daarbij geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De voorzieningenrechter baseert de beslissing daarom op feiten en erkende of onweersproken stellingen of stellingen die voorshands aannemelijk zijn geworden. (I) Opzegging bancaire relatie 4.3. Voorop staat dat de relatie tussen een financiële instelling en een cliënt (mede) een vertrouwensrelatie betreft. De bank geeft aan dat dit vertrouwen op 31 juli 2017 is geschonden door ongewenst, verbaal agressief gedrag van [eisende partij] jegens twee van haar bankmedewerkers en dat zij op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden gerechtigd was tot opzegging. 4.4. Hoewel de lezingen van partijen over de precieze toedracht van het voorval op 31 juli 2017 uiteenlopen, ontkent [eisende partij] niet dat er die dag ‘enige discussie’ is ontstaan tussen hem en twee medewerkers van de bank. [eisende partij] heeft verklaard dat hij zich die dag, en dat was inmiddels de derde keer, geconfronteerd zag met een ‘roodstand’ op zijn bankrekening terwijl de bank hem eerder had toegezegd dat dit niet (meer) zou kunnen. Na deze constatering is [eisende partij] naar de bank gegaan. Vast staat dat [eisende partij] , nadat hij zijn vraag aan een medewerker kenbaar had gemaakt, werd gebeld op zijn mobiele telefoon en de telefoon opnam. De medewerker is daarop in de computer gaan kijken. [eisende partij] kreeg toen de indruk dat zonder zijn toestemming in zijn bankgegevens werd gekeken en heeft hierover - nadat hij zijn telefoongesprek had beëindigd - zijn ongenoegen geuit. Kennelijk ging [eisende partij] ervan uit dat zijn vraag hoe het kon dat zijn rekening recent een roodstand had vertoond terwijl hij die mogelijkheid dacht te hebben geblokkeerd, te beantwoorden moest zijn zonder zijn bankrekening te raadplegen. Over het verdere verloop lopen de meningen uiteen. Naar eigen zeggen heeft [eisende partij] aan één van de medewerkers gevraagd: “Heeft u een zak over uw hoofd” waarmee hij bedoelde te vragen of de medewerker blind was en niet zag dat hij geholpen wilde worden. De bank voert aan dat zij van haar medewerkers heeft begrepen dat [eisende partij] heeft geroepen: ”Heeft u wel eens een zak over uw hoofd gehad” . Op basis van deze verklaringen is in ieder geval aannemelijk dat [eisende partij] een opmerking heeft gemaakt over een zak over een hoofd van een medewerker. Gelet op de gang van zaken acht de voorzieningenrechter het verder aannemelijk dat dit met enige stemverheffing gepaard is gegaan. Nog los van de bedoeling van [